A day in the lockdown life …

Gelukkig zijn er prachtige zonsondergangen …

Gisterenavond was ik er voor het eerst in wat als vele, lange weken aanvoelt, in geslaagd om de vaatwasser in te laden vóór ik de kinderen in bed stak, zonder dat hier of daar nog een pot bleef staan die er niet meer bij kon. Dat heb ik dan toch al onder controle, dacht ik, niet zonder enige trots. Resten me nog de 1001 andere huishoudelijke karweitjes die ik wel eens zal doen … als ik dood ben ofzo. Maar de afwas heb ik toch al onder controle …

Toen ik een uur later weer beneden kwam van kinderen in slaap te strelen en de dag te overlopen met hen, stelde ik vast dat de keukenvloer een schuimtapijt was geworden. Ik had het laatste restje van de fles afwasmiddel in een bekertje laten lopen, en per ongeluk dat bekertje met afwasmiddel in de vaatwasser gestoken. Moet je dus niet doen. Overal schuim, overal water …

De moedeloosheid overviel me. Ik haalde de nog vuile afwas uit de machine, schepte het water en schuim op met potjes en handdoeken, veel handdoeken, ik hing de handdoeken buiten te drogen, in de hoop dat de zon de volgende dag tenminste dat werk van me zou overnemen (alle beetjes helpen), liet de vuile afwas staan onder het motto: ‘future Sofie will solve this’, en schonk me een glas wijn uit om nog even van de rust in de tuin te genieten.

Nu ja, rust. De ring overstemt sinds een week of twee weer het ruisen van de wind, en de sirenes herinneren me er weer elke avond aan dat ik echt wel in ’t stad woon, hoe groen mijn eigen tuintje ook moge zijn. De voordelen van de lockdown zijn opgeheven in naam van de Heilige Economie. De nadelen mogen we houden, bedankt en tot ziens.

Zelfs telewerken met kinderen in huis went op den duur, al vraag ik me af of het de gewenning is van de kikker in het water dat langzaam aan de kook wordt gebracht. We doen dit al 11 weken. Werken, eten maken, tafel dekken, eten geven, tafel afruimen, werken, endless repeat … De micro tijdens een vergadering snel op mute zetten, vlak voor het kind roept: ‘ik heb kaka gedaaaaaaan’. Je afvragen waar ze in godsnaam die blokfluit vandaan hebben die je nog nooit hebt gezien en die ze tijdens een andere meeting uitgebreid uittesten. En waarom ze altijd net van een stoel af vallen of tegen de tafel knallen wanneer er een collega belt. Gooi er dan nog wat preteaching tegenaan, en vraag dan nog eens waarom we moe zijn… 11 weken overleven, 11 weken ter plekke trappelen, in overdrive. 11 weken!

Ik lever elke dag vrij goed werk af en ben elke dag een lieve, aandachtige, empathische moeder voor mijn kinderen. (En soms ook niet.) Ik geef ze eten en beredder het huishouden. Ik blijf maar gaan. Stoppen is gevaarlijk, want ik ben bang voor wat er gebeurt als ik toegeef aan de vermoeidheid. Ik doe mijn best om er ook wat rustmomenten en zelfzorg tussen te proppen, maar als die 24 uur op zijn, zijn ze op.

Ik koester nog steeds de mooie momenten. Dat mijn kinderen elkaar na 11 weken samen spelen nog niet beu zijn, integendeel. Dat ze dingen blijven verzinnen. Dat ze blijven leren. De vrijheid om ’s avonds om 20 uur nog een wandeling bij zonsondergang te maken met ons drietjes. Samen een film kijken met vers gepofte popcorn. Na schooltijd ijsjes scheppen voor mijn eigen kinderen, het ‘bubbelgenootje’ van mijn oudste en haar zus, de kinderen horen spelen op de stoep, terwijl ik nog even kan werken. De verbondenheid met mijn kinderen. De kleine gesprekjes die me elke dag doen lachen. Ik koester ze. Echt. Maar ik ben ook moe. Heel moe.

Ik heb vakantie nodig. Ik moet nog anderhalve maand wachten voor mijn twee weken zomervakantie. En ik heb niet meer genoeg verlof om zomaar eens een dag te nemen.

Ik wil niet klagen. Maar ik weet ook dat ik niet de enige ben die uitgeput is, integendeel. Als ik klaag, is het niet omdat ik medelijden wil van mensen die niet in deze situatie zitten momenteel. Ik klaag, omdat ik aan de vele mensen die wél in deze situatie zitten, wil zeggen: je bent niet alleen. We zijn moe. We zijn overspannen. Het is normaal. Het is oké. En we doen het toch maar! Goed bezig, jij, ik, wij!

En nu maar hopen dat volgende week ook de kleuters weer naar school kunnen en dat ik mijn vloer misschien eens strijkparel- en Legovrij genoeg krijg om de poetsvrouw terug te laten komen …

Hoop doet leven. Ofzo.

Verdwalen in de regen

Moederdag vandaag. De zoveelste – ik tel ze niet meer ­­– zondermoederdag. De eerste zonder kindjes. Die waren bij hun papa vandaag. Toch had ik het minder lastig met moederdag dan andere jaren, zolang ik de sociale media wat meed. Ik kocht een meringue voor mezelf en at ‘m lezend op in de tuin onder een waterachtig lentezonnetje. Ik verdronk in het prachtige verhaal van het moerasmeisje, waarin naast haar ook de natuur een hoofdrol speelt. Toen ik bijna moest huilen van ontroering besloot ik dat ik het boek niet in één ruk zou uitlezen, maar even zou gaan fietsen alvorens het alsnog vandaag uit te lezen. Donkere wolken pakten zich dreigend samen aan de hemel, maar dat deerde niet. Fietsen in de regen is heerlijk als je weet dat daarna een warme douche op je wacht. Ik was op zoek naar een rozenautomaat waar ik al tientallen keren ben langsgefietst op mijn ritjes naar Borsbeek, Mortsel, Boechout en Hove, maar die ik nog altijd niet kan vinden als ik hem zoek. Ik volgde mijn gevoel en sloeg af waar de bomen het mooist waren en de vogels de mooiste melodietjes floten. Een man riep me iets toe en wees naar de lucht. Ik weet het, dacht ik, het gaat regenen. Toen kwam ik plots in een wandelzone terecht die ik nog niet kende. Ik was benieuwd, zou dat wandelpad niet uiteindelijk ook richting mijn huis leiden? Ik besloot even te negeren dat mijn oriëntatiegevoel me altijd de verkeerde richting uitstuurt en volgde de paadjes naar weer een bos dat ik nog niet kende. Het begon te regenen, steeds dikkere druppels en dan zelfs hagel. Ik trok mijn regenjas aan en verdwaalde verder, aan de rand van een bos in de gietende regen. Als ik de spoorweg volgde, zou ik uiteindelijk wel thuis uitkomen, dacht ik. Alleen wist ik totaal niet meer aan welke kant van het spoor ik me bevond. Het regende steeds harder en ik was doornat, maar de regen geurde heerlijk en het felle lentegroen stak prachtig af tegen een donkergrijze hemel. Ik volgde de spoorweg tot die een andere en weer een andere kruiste en ik echt geen idee meer had waar ik was, behalve dat het niet heel ver van huis kon zijn. Toen zag ik een bekend punt. De weg naar huis was eenduidig, rechtdoor en kort. Maar ik koos toch weer een andere omweg, want eenmaal je doorweekt bent, kan je niet nog natter worden. Ik fietste nog een ommetje om mijn favoriete fort heen en verbaasde me weer eens over al het groen dat deze plek te bieden heeft. Onder bruggetjes stonden mensen te schuilen, gezwind fietste ik hen voorbij, terwijl het water van mijn regenjas naar beneden gutste. Eenmaal thuis trakteerde ik mezelf op een warme douche en dito chocomelk. Verdwalen in de regen, op een plek waar je eigenlijk niet echt kan verdwalen, is het dichtste bij geluk dat een mens kan komen.

IMG_20200510_162040877_BURST001

Op verlof in mijn hof

Er zijn de dagen dat ik moet werken …

Die zijn waanzin. Als je met cortisol elektriciteit kon opwekken, kon ik de hele straat van licht voorzien.

Hoe langer dit duurt, hoe minder mijn kinderen, en zeker mijn jongste, het kunnen verdragen dat ik aanwezig ben maar niet beschikbaar. Ik kan me daarin inleven, natuurlijk kan ik dat. Zo’n moeder die met een doodse blik naar een lichtbak zit te staren terwijl jij loopt te mekkeren dat je je verveelt, ik herinner me nog exact hoe frustrerend dat was. Mijn werk vergt een zekere concentratie, maar een tekst lezen over het Belgische en Europese mededingings-, consumenten- en handelspraktijkenrecht, terwijl er in dezelfde ruimte strijkparels worden rondgestrooid en er ruziegemaakt wordt over wie het eerst dit of dat vormpje wilde gebruiken, dat is op zijn zachtst gezegd een uitdaging. Elke ochtend neem ik me voor om vandaag RUSTIG te blijven. Elke avond troost ik mezelf met de gedachte: morgen een nieuwe dag, een nieuwe kans … Ik heb maar één meeting van ongeveer een uurtje per week (hashtag ilovemyjob), maar ‘mama moet nu even vergaderen’ lijkt voor mijn jongste de trigger te zijn om al zijn kleren uit te doen en te roepen dat ik hem NU weer moet aankleden of om op endless repeat om een snoepje te komen zeuren. De muteknop in MS Teams weet ik staan met mijn ogen dicht; die van het kind heb ik helaas nog niet gevonden. Op het einde van zo’n werkdag ben ik waarlijk uitgeput. Die spreidstand is niet uit te houden. Maar op één of andere manier blijven we het toch maar doen.

 

En er zijn de dagen dat ik niet moet werken …

Die zijn heerlijk. Ik gedij goed in lockdown. Het is introvert heaven. Ik ben op verlof in mijn eigen hof.

Ik zag het lente worden in de tuin. Een grote, oude berk in de tuin van de buren van mijn buren was enkele weken geleden nog kaal. Op slechts enkele nachten kreeg hij een dikke kruin van frisse groene blaadjes die met volle overgave ruisen in de wind. In de boom in onze tuin zoekt een koolmees zingend een vriendje; we kijken ernaar tot onze nek er pijn van doet. We zien blauwe, witte en oranje vlinders. We zien en horen eksters, duiven, koolmeesjes en merels. We picknicken bijna elke dag, vaak buiten, soms binnen. Vanop het dak kijken we naar de maan en naar Venus. Ik zag starlink al twee keer passeren, maar wist pas de tweede keer wat het was. Ik ging fietsen en zag de zon ondergaan in de Schelde. (“De zon gaat niet onder, dat is gewoon de aarde die draait, mama”, zegt mijn wijsneus-dochter dan.) Ik maakte een dauwtrip en zag de zon opkomen in het natuurgebied op enkele kilometers van mijn voordeur. Terwijl het lente werd in de tuin maakten we van een troosteloze buitenmuur heel impulsief een kleurig kunstwerk dat me elke dag weer vrolijk maakt. We tekenen en schilderen en kleuren erop los. Het huis ligt vol stiften, potloden, pennen en penselen. Alles wat ik ooit niet heb weggegooid, komt plots van pas. De muren zijn museumwanden geworden. Ik vind elke dag nieuwe tekeningen. Ik heb het puzzelen herontdekt, hoewel dat sinds mama’s laatste week zoiets beladen is. Terwijl mijn dochter en ik over een puzzel gebogen zitten, vertelt ze honderduit. Mijn zoon en ik hebben samen een hondje gestrijkpareld. Ze stellen me 1001 vragen per dag, over de sterren, de planeten, de vogels en Kulderzipken; de meeste kan ik niet beantwoorden. Niettemin leren we elke dag ontzettend veel bij. We leven ons uit. We leven. We zijn intens verbonden met elkaar. Ik ben nooit eerder zo in het reine met mezelf geweest als nu. De creativiteit en de leergierigheid die heersen in dit huis, die wil ik nooit meer kwijt.

Ik ben tevreden. En ik wil niet meer terug naar het gewone leven.

 

Verloren tijd

Vorige zomer zat ik op een zwoele zomeravond (verschrikkelijk cliché) in de tuin. Het was een lange dag geweest, en ik was te overprikkeld om het oorverdovende lawaai van de ring te kunnen verdragen. Ik moest dus naar binnen vluchten om echt tot rust te komen.

Nu is alles anders. Gisterenavond, een zwoele lente-avond, genoot ik van de stilte in de tuin. Ik hoorde alleen de stemmen van de buren, het fluiten van de vogels en het gerinkel van belletjes ergens in één of andere achtertuin. Omdat ik te moe was om te lezen, keek ik gewoon een beetje naar de sterren en de maan. Ik heb de indruk dat de hemel helderder zichtbaar is vanuit mijn stadstuin sinds de wereld tot stilstand is gekomen. Ik rook de lente in mijn tuin en vroeg me af wat ik er normaal ruik. Fijn stof en kerosine misschien.

Hoe fijn zou het zijn als we na deze crisis niet gewoon opnieuw beginnen met waar we mee bezig waren. Dat het verkeer nog wat langer van de ring wegblijft. De vliegtuigen nog wat langer aan de grond. Dat we de lente kunnen horen en zien in de tuin. Dat we buiten kunnen zitten ’s avonds en genieten van de rust. Dat de wereld nog wat langer stil blijft staan.

Ik maak me weinig illusies. De kans dat alles trager wordt hierna is kleiner dan de kans dat alles nog een tandje sneller moet om de verloren tijd in te halen. Maar voor mij is dit gewonnen tijd. Tijd om naar de sterren en de maan te kijken, tijd om de lente te ruiken, te horen en te proeven, tijd om stil te staan, tijd om diep in en uit te ademen.

Ik ben doodmoe. Maar mijn zintuigen zijn wakkerder dan ooit.

De geest is uit de fles

Ik vind dat een mooie uitdrukking. De geest is uit de fles.
De geest is echt uit de fles nu.

Dit is wat mij betreft de crisis die er te veel aan is. Al jaren maak ik van de ene crisis na de andere ‘het beste’. En nu ben ik het beu. Ik ben moe en ik wil alleen maar mopperen. Leven, ge pest me. Eerst dat anderhalf jaar met mama, dan huwelijksproblemen met na jaren in overlevingsmodus te functioneren een scheiding, dan nog een kleine crisis hier die verdrongen is door een iets grotere identiteitscrisis ginder, die nu weer verdrongen is naar mijn donkerste nachtmerries omdat ik momenteel geen tijd heb om ermee te dealen.

Iemand zei me enkele maanden geleden: jij bent een goeie om mee naar de oorlog te gaan. Je blijft doorgaan, al sta je kniehoog in de diepste drek, en zie je de uitweg uit het moeras niet, toch blijf je doorgaan en zeg je: kom jongens, die richting uit, we komen er wel. Zo is dat. Nu is het oorlog, of toch een crisis die door velen vergeleken wordt met een soort van derde wereldoorlog, en ik ben het weer aan ’t doen, aan ’t doorgaan, mijn kindjes door het moeras aan ’t dragen, niet opgeven, niet trunten.

Maar ik ben echt heel moe. Ik zou graag willen dat hierna, als het alstublieft even kan, het leven gemakkelijk wordt. Dat het leven gewoon mooi wordt. Dat ik niet zo ontzettend mijn best moet doen om ergens ‘het beste van te maken’. Ik zou graag eens leven in plaats van alleen maar overleven. Het is genoeg geweest. Ik heb voorlopig mijn deel gehad. Nu graag een medaille en een kus van de juf. O, ik ben zelf de juf. En die medaille zal ik ook zelf wel knutselen. Geen dank.

Overleven in tijden van corona

Soms ben ik de moeder die verzuipt. Ik sta er alleen voor met de kindjes. Ik probeer elke dag te jongleren met de ballen: thuiswerk, mama zijn en juf zijn. Het is pittig en vermoeiend. Nee, dat is een understatement. Het is ON-MO-GE-LIJK.

Maar ik wil niet klagen. Want we zijn veilig thuis met zijn drietjes, en ik ben blij dat ik opgesloten zit met mijn twee lievelingsmensen op de hele wereld. Ik heb vriendinnen die eten komen brengen en die chips voor me gaan halen in de winkel. Ik héb werk en ik kán thuiswerken. Hoe klein ik mijn sociale cirkel ook hou, er gaat geen dag voorbij dat ik niet even een klein babbeltje kan doen met een écht iemand, van voordeur naar voordeur, door de struiken in de tuin heen, of tijdens het stoepkrijten (op veilige afstand, dat spreekt voor zich). Ik ben blij dat ik hier woon, want eenzaam ben ik helemaal niet.

Soms ben ik ook de moeder die van de afgelopen jaren wel geleerd heeft dat ze uitstekend functioneert in crisistijd. De moeder die elke dag de picknickdeken spreidt in de tuin en na het eten in het zonnetje nog zelf kleurplaten voor haar kinderen tekent of voorleest uit Sjakie en de chocoladefabriek. De moeder die kan genieten van het vertragen, die er berusting in vindt dat haar kinderen momenteel niet veel voor school werken, maar dat spelen toch het belangrijkste is dat een kind moet doen. En van tv leren ze ook veel bij, toch? Wat ik nu presteer, in mijn eentje, zal ervoor zorgen dat er nooit meer iemand mij een laag zelfbeeld zal moeten aanpraten, ook ikzelf niet.  

Maar ik wil niet stoefen, want voor elk moment dat ik het gevoel heb dat ik duizend man sterk ben en deze situatie onder controle heb like a boss, zijn er ook momenten dat ik mijn haar uit mijn hoofd wil trekken uit woede en frustratie.

Wat ik het lastigste vind aan het hele thuiswerk/fulltime alleenstaande moeder/halftijds juf zijn, is het voortdurende schakelen. We zijn niet gemaakt om te multitasken, neen, ook vrouwen niet. En ik kan niet anders nu. Van het moment dat ik ’s morgens uit mijn bed rol tot het moment dat ik ’s avonds uitgeput in slaap val wanneer ik de kinderen in bed steek, gaat het in mijn hoofd van ‘brood uithalen voor straks, die boeken opladen bij die drukker, de lievelingspyjama van kind 2 wassen, wat gaan we eten vanavond, ik moet dat manuscript naar de zetter sturen, hoe zal ik kind 1 weer van tv weg en aan haar huiswerk krijgen vandaag, ik zal haar aan de slag moeten zetten, dan moet ik daar even tijd voor incalculeren, ik mag niet vergeten om die kip in de diepvries te steken, hoe zorg ik ervoor dat ze straks stil zijn wanneer we die meeting hebben, ik moet vandaag echt de keuken nog eens poetsen …’ en dat maal duizend, de hele dag lang. Ik vind het bewonderenswaardig dat andere ouders na kinderbedtijd nog ‘bij’ werken, maar ik kan het niet. Wanneer ik mijn kinderen in bed steek om 20 uur poets ik zelf alvast mijn tanden, want meestal val ik gewoon mee in slaap. 

Ik sta altijd ‘aan’. Er is nooit een tijdsspanne van bijvoorbeeld een uur dat ik me kan focussen op iets. Nooit. Ik mediteer soms en merk dan dat ik nog minder dan voorheen mijn monkey brain onder controle krijg. Maar ik denk dat het gewoon niet kan in deze situatie. Ik kan me ook nooit eens een klein momentje van ‘onverstandig zijn’ permitteren. Gisteren de keuken niet opgeruimd? Pech, nu is alles aangekoekt en is het nog erger. Gisteren toch eens niet in slaap gevallen met de kinderen en genoten van de stilte in huis en bijgevolg te laat gaan slapen? Pech, nu ben je de hele dag doodmoe. ‘Let it gooo, let it gooo’ is de soundtrack van deze generatie ouders, maar nu kan ik niet loslaten, want elk momentje dat ik het loslaat, wreekt zich driedubbel. 

Mijn monkey brain wordt bovendien om de haverklap onderbroken door ‘mama, ik heb dorst’ of ‘mama, is ’t al tijd voor het vieruurtje’. En ze mogen me onderbreken, want als deze situatie voor ons al zo vreemd en onwezenlijk is, dan moet ze dat voor kinderen zeker zijn. Als ik iets kan doen om het grote gemis van school en vriendjes wat te compenseren voor hen, dan doe ik dat met liefde en plezier.  

Deze situatie is ontzettend kut, en ik heb deze keer niet altijd goesting om het te ‘omdenken’ of te wachten met erover te schrijven tot het in het veilige, verwerkte verleden ligt. Dit is ontzettend kut, en dat is het voor iedereen. En we proberen er allemaal het beste van te maken. Soms lukt dat en soms lukt dat niet. Dat is het leven. 

We gaan ook dit wel overleven.
This too shall pass.

Zondag 9 februari – 6 jaar later

“Liefde is alles, wat er blijft wanneer de rest verloren is” (Bart Peeters)

Zondag 9 februari 2014

Ik zat in de zetel, onder een dekentje, met een boek. Het huis was opgeruimd. Op het vuur stond een grote pot paprikasoep. Boven deden mijn man en mijn baby een middagdutje. Volmaakt huiselijk geluk. Eenvoud. Alledaagsheid. Geluk op zijn dirkdewachters. Meer moest het echt niet zijn voor mij.

Toen belde mijn zus.

Mama was gevallen, maar ze herkende hen nog. Wat die mededeling betekende, drong maar traag door. Het ‘nog herkennen’ was als geruststelling bedoeld, maar benadrukte natuurlijk meteen de ernst van de situatie.

Ik heb het kookvuur dichtgedraaid – de paprikasoep zouden we enkele dagen later integraal moeten weggooien – en ben mijn man gaan wekken. ‘Mijn moeder heeft een beroerte gehad.’ Van slaap naar schrik.

We zijn vertrokken, naar Zuienkerke. Hij reed, ik panikeerde. Nu en dan vroeg hij bezorgd aan mij of het ging.

Daarna waren er dagen van onzekerheid, van lange gesprekken met elkaar en met dokters, van wapperen met het kladblaadje waarop ze haar negatieve wilsverklaring had voorbereid, van moeten beslissen of we haar lieten opereren of haar hersenen zouden laten ontploffen in haar hoofd. De neuroloog besliste om haar te opereren, maar deed ons geloven dat we er inspraak in hadden; de intensivist zei de dag nadien dat het niet ethisch was om iemand met zo’n zwaar hersenletsel nog een levensreddende operatie te laten ondergaan.

Er was schuldgevoel omdat we haar misschien veroordeeld hadden tot het leven dat ze met die negatieve wilsverklaring net wilde vermijden, er was angst voor wat komen zou, er was hoop, veel hoop, me sterk houden, de oudste dochter zijn, me sterk houden, zorgen voor mijn kind en mijn moeder, me sterk houden, samen zijn met broer en zus, me sterk houden, pas instorten wanneer mijn baby ook nog eens de waterpokken kreeg die week, hopen, hopen, hopen.

Daarna volgde nog anderhalf jaar van hoop en onzekerheid. Ze revalideerde, intensief, en vanuit wetenschappelijk oogpunt vrij succesvol. Ze leerde stappen op haar verlamde been, kon zichzelf aan- en uitkleden, kon zich middels gebaren verstaanbaar maken. Maar vanuit menselijk oogpunt had ze geen leven meer.

En toen stierf ze alsnog. Glimlachend.

Zondag 9 februari 2020

Intussen zijn we zes jaar na die fatale zondag negen februari. Ik heb geen moeder meer. Ik heb geen man meer. Ik heb twee kinderen. De baby met de waterpokken is inmiddels een zesjarige wijsneus geworden die mij op de hoogte houdt van de Brexit en het Coronavirus. Het jongetje dat toen alleen in mijn dromen bestond, is nu een lieve, slimme en o zo schattige vierjarige dromer.

Er is veel gebeurd sinds die vorige zondag 9 februari. Ik heb veel om van te herstellen en ben daar nu volop mee bezig. Het gaat moeizaam, maar ik probeer mezelf de tijd te gunnen. Tijd, dat kostbare goed waarvan er altijd te weinig is en dat je als werkende mama maar ergens bijeen moet zien te schrapen.

Ik probeer weer een beetje meer op zijn dirkdewachters te leven en mijn kinderen dat voor te leven. Er zijn weer momenten van volmaakt huiselijk geluk, in dit huis dat nooit meer helemaal opgeruimd geraakt.

De afgelopen dagen waarde de griep door dit huis. Het jongetje had hem het zwaarst te pakken, maar het meisje en ik voelden ons ook niet al te best. We hebben veel in de zetel gezeten, onder metersbrede fleece dekentjes, tegen elkaar genesteld. We keken tv, tekenden, puzzelden en lazen, met zijn drietjes. Niks ging en niks moest. Het jongetje grinnikte bij het grote boek van kleine beestjes, en droeg me na drie dagen zonder eten op om spaghetti te maken. Het meisje wilde alleen maar met mama knuffelen en kreeg een briefje van de maan, dat alleen zij en haar broertje konden zien. Een vriendin klopte op het raam, zei dat ze in de winkel aan me moest denken, en gaf me een pot paaslelies, omdat ze weet wat vandaag voor me betekent. We vieren straks de verjaardag van mijn metekindje, het dochtertje van een lieve vriendin die ik veel te weinig zie, maar die me elke dag onvoorwaardelijk steunt en graag ziet, en dat al twee decennia lang.

De afgelopen zes jaar ben ik veel verloren. Maar er zijn zoveel mensen in mijn leven die me optillen en dragen, die dit rommelige, onvolmaakte leven ontzettend mooi maken. Liefde is alles.

Meer moet het echt niet zijn voor mij.

Waarom we niet kunnen slapen …

Net uitgelezen: Why we can’t sleep van Ada Calhoun

Why_We_Can't_Sleep_(Ada_Calhoun)

Er zijn twee problemen met dit boek.

1. Het maakt mij opstandig. Woedend zelfs. Het maakt me nog feministischer dan ik al was, en ik was al behoorlijk overtuigd.
2. Alleen vrouwen gaan het lezen, want het gaat over vrouwen, en er zijn twee soorten boeken op de wereld: mensenboeken en vrouwenboeken.

Ik liep rond met het idee om een blogpost te schrijven over alle manieren waarop ik de afgelopen jaren slaap ben verloren en hoe ik ook op te weinig slaap toch min of meer ben blijven functioneren al die tijd. (Correctie: hoe ik AL die tijd UITSTEKEND ben blijven functioneren.) En toen kwam plots dit boek op mijn radar. Dat moest ik dan natuurlijk wel even lezen.

Strikt genomen ben ik te jong om tot Generation X te behoren en voor een midlife crisis is het nog te vroeg. Ook heb ik voorlopig gelukkig nog geen (peri)menopauze om me zorgen over te maken, al vind ik het wel goed om te weten wat me nog te wachten staat over een paar jaar. Maar ik voel me ook te oud om een millennial te zijn en veel van wat Ada Calhoun in haar boek schrijft, is wel ontzettend herkenbaar voor een vrouw die ergens tussen Generation X en Y in zweeft: sandwichen tussen zorg voor kinderen en ouders, check, te moe zijn om te werken door zwangerschap, PMS, maandstonden, maar dat verbergen, omdat we nog niet geëmancipeerd genoeg zijn om toe te geven dat vrouwen dit ritme niet kunnen volgen, check, de ene dag ontzettend opgelucht en bevrijd zijn door je scheiding, en de volgende dag verstikt worden door angst voor de toekomst, check.

Ook check: niet slapen, en toch gaan werken, blijven opstaan en doorgaan, en als je dan toch even gas terug moet nemen, omdat het even echt allemaal te veel is, je in duizend bochten wringen om daar een fysieke oorzaak op te kleven, omdat je niet de indruk wil wekken dat je niet stressbestendig bent.

Ik? Niet stressbestendig? Give me a break!

We blijven maar doorwerken aan een rotvaart, onder een steeds stijgende tijdsdruk, en intussen blijven we ook nog gewoon glimlachen en niet toegeven dat het misschien allemaal niet zo haalbaar is als we graag doen uitschijnen. En we slikken nog wat antidepressiva of slaan een paar glazen rode wijn achterover, en rennen verder mee in een wereld die op maat van mannen gesneden is, waarin van vrouwen verwacht wordt dat ze kinderen opvoeden alsof ze geen jobs hebben en werken alsof ze thuis een vrouw hebben die voor hun kinderen zorgt.

I want an American Wife, citeert Ada Calhoun ergens in het boek. Ik wil een vrouw die voor mijn kinderen zorgt, terwijl ik ga werken. Ik wil iemand die achter me opruimt en poetst en alles regelt wat geregeld moet worden. Ik doe het allemaal. En het is veel. Het is echt veel. Ik maak lijstjes en begin dan een bullet journal om die lijstjes niet te verliezen. Ik luister naar podcasts van vrouwen die andere vrouwen willen helpen om het allemaal beter de baas te kunnen. (Supergoeie podcast trouwens.) Maar het zijn allemaal lapmiddeltjes voor een ernstige systeemfout.

Ik ben 35 en voel me soms 53. Ik ben moe. En ik doe mijn best om gewoon gelukkig te zijn, om gewoon blij te zijn met wat ik wel heb. Maar dit ritme is niet vol te houden. Het is ploeteren en spartelen om boven te blijven. Het is niet eens een kwestie van ‘te veel’ willen. Het enige wat ik wil, is: een beetje tijd, een beetje zelfontplooiing en genoeg geld om drie monden van te voeden. Zoveel is dat niet, vind ik. Maar om dat beetje geld te verdienen om drie monden van te voeden, moet ik wel acht uur per dag betaalde arbeid doen, en daarnaast nog minstens drie uur per dag onbetaalde arbeid (huishouden en zorg), en zoveel tijd voor zelfontplooiing blijft er dan helaas ook niet meer over. In de ideale wereld zou ik mijn zelfontplooiing in mijn werk vinden, maar de wereld is niet ideaal, en ik heb vooralsnog nog niemand bereid gevonden om mij te betalen voor mijn sterkste competenties, namelijk mijn empathie en mijn inzicht in hoe de wereld vierkant draait.

Een prachtige metafoor in het boek is deze: als je aan een vrouw vraagt of ze liever kip of vis eet, maar de kip ligt op een berg en het regent, en de vis ligt vlak voor haar neus in een tent, kan je dat dan beschouwen als een keuze? En mag je dan echt zeggen dat vrouwen liever vis dan kip eten, omdat ze biologisch gezien gemaakt zijn om liever vis te eten?

We hebben keuzes, ja, but then again, we don’t.

Stel je eens een wereld voor waarin vrouwen niet voortdurend het gevoel hebben dat ze ‘niet genoeg’ zijn. Stel je eens een wereld voor waarin vrouwen over hun eigen grenzen waken, collectief. Stel je eens een wereld voor waarin vrouwen zich niet voortdurend schuldig voelen.

De motor van de economie is het schuldgevoel van vrouwen.

Ik vind dat het tijd is voor een vrouwenstaking, een echte. Het is godverdomme tijd om in opstand te komen.

Vluchten kan niet meer

Ik mis mijn kinderen nu al, al zaten ze vanmiddag nog tegen me aan geplakt en steek ik ze vanavond alweer in bed. Maar dat het nu echt feitelijk is, dat ze soms bij hem zijn, en soms bij mij, dat doet echt heel veel pijn. Het is een pijn waar ik door moet en die niemand voor me kan oplossen. Het is een ander soort van rouw dan het verlies van mijn moeder en toch is het ergens heel erg vergelijkbaar. Hoewel ik rationeel weet dat het gezien de omstandigheden de best mogelijke uitkomst is, weet ik soms niet waar kruipen van de pijn. Huilen kan fysiek pijn doen, ja. Ik huil in het holst van de nacht soms luid schreeuwend als een kind dat zijn moeder wil. Schrap ‘als’. Ik wil mijn moeder.

Geen wonder dat we allerlei mechanismen bedacht hebben om niet alleen te moeten zijn met onze pijn. Het is zeer onaangenaam om tegen jezelf aan te knallen. Maar het is ook de enige manier om erdoor te gaan: zelf, alleen, hard. Vluchten kan niet meer. Dus ik ga er nu bij ‘zitten’, bij die vreselijke pijn. En wanneer alle mensen van wie ik zou willen dat ze me opvangen en erkennen de revue passeren in mijn hoofd en niemand volstaat om dat gat te vullen, weet ik: ik moet het zelf doen. Dit moet ik zelf doen.

The hard way …

 

Dit schreef ik een tijdje geleden, één van de eerste keren dat zij met hun papa iets gingen doen waar ik niet bij was. Het is niet noodzakelijk hoe ik me vandaag voel. Het is wel hoe ik me soms voel. Want hoe liefdevol we ons ook omringd weten, in de donkere uren van de nacht zijn we allemaal alleen met onze angsten en verdriet. Maar ook na de donkerste nacht komt altijd weer de zon op. Zo.

Klein geluk #11 ofte hoe Bart Peeters de soundtrack van 2019 werd …

IMG_20190828_223512461

In december 2018 keken we samen naar Dag Sinterklaas. Dat het de laatste keer zou zijn dat ik met twee goedgelovige kinderen naar Dag Sinterklaas zou kijken, wist ik toen nog niet. Wie verwacht tenslotte dat een zesjarige tijdens de warmste dag ooit in ons land naar buiten zal zitten staren en plots vragen: ‘mamaaaaa, die cadeautjes die Sinterklaas brengt, koop jij die?’ Zomaar. Ik was totaal onvoorbereid, ha ja, want ze is zes, en het was 40° buiten. Bon, deze schaamteloze mamastoef even volledig terzijde.

In de periode dat we dus naar Dag Sinterklaas keken, speelde op een dag Heist-aan-Zee op de radio, en ik zei: ‘Martha, luister, dat is Bart van Dag Sinterklaas’. Ze wilde het opnieuw horen, en opnieuw, en toen wilde ze ook de andere liedjes van Bart Peeters horen, en sindsdien is dhr. Peeters by far de meest grijsgedraaide artiest op mijn Spotify, als in: in dat ene jaar heb ik meer naar Bart geluisterd, dan in het hele afgelopen decennium naar Eels, Damien Rice, Het zesde metaal en zelfs Tom Waits. Ach, er zijn ergere dingen in het leven. K3 bijvoorbeeld, of Niels Destadsbader. 

Martha kent al zijn liedjes en zingt ze woord voor woord mee. We discussieerden of de decadentie nu met natte lippen op de vloer dan wel op de loer lag, en ze vroeg wat decadentie dan wel was. Ik wees naar haar vrijwel onaangeroerde bord, en zei: dát is decadent, op restaurant gaan en maar twee happen eten. We zongen mee met ‘ik stuur je mijn hart in een bol.com-doos’, ‘ik trakteer alle clochards op bier en op drugs’ en ‘waarom de waanzin het verstand versloeg’. Ik heb voorlopig gelukkig nog niet moeten uitleggen wat ‘marina’s die al van diepgang spreken als je hen zonder boe of ba langs achter pakt’ betekent, maar ik hou mijn hart al vast.

Deze zomer wilde ik haar verrassen met een concert van the man himself, en toen ik haar vertelde dat we naar Bart Peeters zouden gaan, zei ze: ‘mama, dat is het beste cadeau dat ik ooit gekregen heb!’ Dus wij op een mooie zomeravond naar het mooiste openluchttheater van ’t land, een meer idyllische locatie voor je eerste grotemensenconcert bestaat er niet, denk ik. We waren een uur te vroeg, zodat we een plekje hadden met goed zicht op het podium en het eerste uur dat we er waren, vroeg Martha minstens om de 20 seconden hoe lang we nog moesten wachten. Zenuwachtig wipte ze heen en weer op mijn schoot. Tot plots de meester op het podium verscheen, en Martha met grote bewonderende ogen naar hem keek, en meezong met de liedjes die ze al honderden keren heeft gehoord.

Kijk, ik dans niet gemakkelijk op andere plekken dan mijn eigen living en bij andere mensen dan mijn eigen kinderen, maar stilzitten wanneer díe man op een podium staat, is zelfs voor mij geen optie. Wat een show, wat een avond. En zo romantisch ook, met mijn meisje van zes in dat prachtig verlichte Rivierenhof. Een avond om nooit te vergeten. En ik denk niet dat ik er de volgende zomers mee weg kom om níet te gaan.