’t Zit ollemolle goed in mekaar: 10 jaar West-Vlaming in Antwerpen

Tien jaar woon ik hier. West-Vlaming in Antwerpen. Inmiddels Antwerpenaar met West-Vlaamse roots. Het is een haat-liefde verhouding. Soms vloek ik op mijn stad (die ring, dat fijn stof, die luchthaven, die burgemeester …), maar vaker ben ik blij en trots dat ik deel mag uitmaken van een stad waar zoveel leeft, gebeurt en bruist. Vandaag vierden we bijvoorbeeld het begin van de zomervakantie op Circus Boelaere. We spraken met wat mensen af, maar kwamen er nog zoveel meer tegen. Overal waar ik keek, zag ik bekende gezichten. Deze stad is een dorp met kapsones. Ik hou van A. Maar zoals de meeste West-Vlamingen blijf ik een enorme zwak hebben voor waar ik vandaan kom, onze zee, ons dialect. De afgelopen dagen kwam het allemaal mooi samen.

Als je moet kakken, moet je kakken

Op mijn laatste voorleeswoensdag van dit schooljaar in het klasje van Martha had ik een probleem. De juf had een boekje klaargelegd over … een pimpampoentje. Behalve Martha is er in heel die klas natuurlijk geen enkel kind dat al ooit van een pimpampoentje gehoord heeft. Maar ik kon toch mezelf niet verloochenen en voorlezen over een lieveheersbeestje? Ik ben voor het compromis gegaan, want dat is wat West-Vlamingen doen, en zei: dit is een boekje over een lieveheersbeestje, maar ik noem dat een pimpampoentje.

Dinsdag had ik tijdens het oudercontact een grappige discussie met de juf van Martha over wie haar nu de uitdrukking: ‘als je moet kakken, moet je kakken’ geleerd had. Ik weet zeker dat het de juf was. Martha kwam op een dag namelijk thuis met ‘als ge moe kakken, moe ge kakken’. Ik heb haar gezegd: ‘Martha, je moet dat wel juist uitspreken. Zeg me na: ‘aj moe ka’n, moej ka’n’.’ Schoolvoorbeeld van een gezamenlijk pedagogisch project tussen de school en de ouders.

Diezelfde dinsdag liet een lieve vriendin van vroeger me weten dat ze in september naar Antwerpen verhuist. Al tien jaar wacht ik tevergeefs op het moment dat al mijn vriendinnen begrijpen dat ze nergens gelukkiger kunnen worden dan in Antwerpen en me volgen. Helaas denken ze zelf dat ze gelukkiger zijn in Zuienkerke, Varsenare, Brugge, Leuven, Gent, Brussel en heel de rest van de parking. Jammer voor mij. En nu, exact tien jaar na mij, komt uitgerekend díe vriendin in Antwerpen wonen. En schrijven bovendien. Eindelijk! ‘Achter zoveel jaar’!

Spinvis en Het zesde metaal

Oók dinsdag gingen we naar het Openluchttheater in het Rivierenhof, een plek die minstens zo poëtisch is als de naam doet vermoeden, voor een optreden van Spinvis én Het zesde metaal. Op één avond. Allebei. Wat een cadeau. En het was magisch. Op één van de mooiste plekken van de stad die ik al tien jaar mijn thuis noem, mocht ik eerst naar die wonderlijke poëzie van Spinvis en daarna naar die prachtige liedjes in mijn geliefde West-Vlaams luisteren. Ik kan er bijlange niet zo schoon over schrijven als het was, maar ik wil er toch íets over schrijven. Want het was machtig.

Ik luisterde naar Wannes Cappelle die zong ‘grote liefde lieft oes in’ en ‘aje stillestoat, goa j’achteruut’ en dat het ‘nog oal nie nor de wuppe’ is. Hij vertelde dat hij na 16 jaar weggaat uit ’t Stad en ik dacht: oké, nog zes jaar en ’t is aan mij, maar dat sloeg nergens op, want ik werd daar op dat moment gewoon helemaal opnieuw verliefd op mijn stad, mijn Antwerpen. De eerste regendruppels in weken vielen op onze gezichten, en op de bomen van het Rivierenhof die kurkdroog waren tot in in hun wortels en ik dacht: ik ben hier wortel geschoten. Hij zong van ‘maar de woarheid is, ’t leven loat em niet stoppen, ier bie oes is ’t goed’ en ik dacht: ‘joat, ’t is woa, ier bie oes is ’t goed. ’t Zit ollemolle goed in mekaar!’

(En na dat fantastische optreden wil ook ik mijn geld naar de zanger gooien.)

Rhythm 0

(Voor het examen van repertoirestudie (literaire creatie) mochten we kiezen uit alle onderwerpen die dit jaar aan bod kwam en er iets mee doen. Ik schreef een monoloog over Rhythm 0 van Marina Abramovic)

Hier sta ik. Ze kijken me aan. Verbaasd. Lachend. Onverschillig. Eentje komt dichterbij. Hij ademt in mijn gezicht. Verschraalde koffie en een sigaret. Zo rook de adem van mijn moeder ook. Het is een stank die me nostalgisch maakt. Mijn moeder. Hoe komt het dat ik nu aan mijn moeder moet denken? Ze zei dat ik gek was. Ze had misschien gelijk, maar niet gekker dan zij was. Hij raakt me niet aan. Staat daar alleen maar in mijn gezicht te ademen. De anderen kijken. Onwennig. Hij buigt voorover en kust me, pal op mijn lippen, met die vreselijke adem van hem. Ik voel dingen. Nostalgie is een gevoel. Afkeer van deze man is een gevoel. Mijn blijdschap over het voelen zelf is een gevoel. Ik voel meer dan ik het afgelopen jaar gevoeld heb. Sinds het ongeval heb ik niets gevoeld en niets gedacht. Daarom sta ik hier. En om een punt te maken. De mens is een wreed wezen. Je zal zien hoe wreed de mens is, het zal niet lang duren. Haat is een gevoel.

Hij loopt naar de tafel, monstert de voorwerpen die erop liggen en kiest de veer uit. Hij komt terug en steekt de veer in mijn haar. Onschuldig, nu nog. Een andere man komt dichterbij. Hij tilt mijn armen op en slaat ze met kracht tegen mijn lijf. Het begint al. Sneller dan ik dacht. Hij neemt de veer uit mijn haar en streelt mijn hals, mijn schouders, mijn borsten. De veer valt. Hij grijpt mijn borsten met beide handen vast en knijpt er zachtjes in. Dan loopt hij terug naar de anderen. Ik sta hier tien minuten en ze zijn al vergeten dat ik een mens ben. De mens is een wreed wezen. Nu komen ze met meer. Twee vrouwen en één man blijven bij de tafel staan. Ze bekijken de voorwerpen die erop liggen. De man neemt een roos en reikt me die aan. Ik blijf bewegingsloos staan. Hij neemt mijn hand vast en vouwt mijn vingers behoedzaam om de steel van de roos heen. Hij kijkt naar me, knippert met zijn ogen en klemt daarna mijn hand met de roos vast met zijn beide handen. De doornen prikken. Pijn is een gevoel.

Bruut trekt hij de roos tussen mijn vingers vandaan. Hij gooit ze op de grond, trapt erop en slaat vervolgens met vlakke hand in mijn gezicht. De mens is een wreed wezen. De mens is een wezen dat een kind doodrijdt en niet achterom kijkt. De twee vrouwen beginnen mijn kleren van mijn lijf te rukken. Ach, ze mogen het hebben, mijn lijf, mijn kleren, alles. Zouden ze moeders zijn? Hij was zo schoon, mijn kind. Een engeltje, met zijn dikke billen, blonde krullen en grote blauwe ogen. Te schoon voor deze wereld misschien. Nog een andere vrouw raapt de roos van de grond op en begint de doornen in mijn armen te prikken. Kleine, rode druppels wellen uit mijn armen op. De geur van het bloed doet hen nu ook vergeten dat zij mensen zijn. Plots gaat het snel. Terwijl een man met scheermesjes een tekening maakt op mijn rug, hoor ik het laden van het pistool. Eén van de vrouwen komt naast me staan, zet het pistool tegen mijn hoofd en legt mijn eigen vinger op de trekker. Ik ben niet bang. Doe het dan, denk ik. Dood willen is een gevoel.

Een man duwt de arm met het pistool weg en begint te schreeuwen. Hij trekt het pistool uit de hand van de vrouw en gooit het door het open raam naar buiten. Teleurstelling. Dat is ook een gevoel.

Zondag sportdag

Beste voetbalfan, ik stel me even voor. Ik ben Sofie en ik ben een meerwaardezoeker. Ik lees een kwaliteitskrant en luister naar een radiozender voor de meerwaardezoeker. Van mijn kwaliteitskrant heb ik een breaking-newsapp op mijn gsm. Mijn gsm doet ping als er een aanslag gebeurt of als iemand belangrijks sterft. Wanneer ik ping hoor, kan ik ervan uitgaan dat het me zal interesseren. Dat ik meer zal willen weten over het belangwekkende nieuwsfeit dat mijn aandacht trekt. Behalve op zondag. Dan doet mijn gsm ook ping wanneer iemand een goal maakt of als eerste over de finish rijdt met zijn fiets. Weer een aanslag, denk ik dan. O nee, een goal. Met het grootste gemak gaat mijn kwaliteitskrant er op zondag van uit dat iedereen geïnteresseerd is in elf zotten die achter een bal lopen om hem meteen weer weg te shotten. (Dat zijn de woorden van mijn grootmoeder. Ze had het geloof ik niet zo met sport.) Met de radio is het net hetzelfde. Wanneer ik mijn radiozender voor de meerwaardezoeker opzet, kan ik ervan uitgaan dat ik de muziek zal weten te smaken of dat de gesprekken me zullen interesseren. Behalve op zondag. De monotone stem van de voetbalcommentator pleegt zijn wekelijkse putsch op mijn radiozender. De muziek wordt navenant slechter. De meerwaardezoeker mag zijn meerwaarde elders gaan zoeken. ‘Ja, en?’, hoor ik je vragen. ‘Wat komt dat mens zaniken in mijn blad?’ Of misschien noemt u me wel een wijf en gebruikt u voor zaniken een ander woord dat ook met z begint en urineren betekent. Dat kan. Het vocabulaire van de voetballiefhebber is mij als meerwaardezoeker vreemd. Maar alle gekheid op een stokje. Wat kóm ik immers doen in uw blad? Dit is eenmalig, dat beloof ik u. Ik heb slechts één voorwaarde. Een aanbod dat u me niet kunt refuseren. Namelijk dit: geef mij mijn kwaliteitskrant en mijn radio voor de meerwaardezoeker terug. En ik blijf voortaan met al mijn meerwaarde weg uit uw blad. Wat denkt u, beste voetbalfan, hebben we een deal?

 

(Opdracht literaire creatie: schrijf een column voor een sportblad)

Pimpampoentje

Een pimpampoentje klimt langs een grassprietje omhoog, over het puntje, en weer omlaag. Daarna klimt hij over het volgende grassprietje omhoog, over het puntje, en weer omlaag. Zo kruipt het dier dat nochtans vleugels heeft langzaam door onze tuin. Wij liggen er op onze buik naar te kijken. Ik, met twee kleine kinderen tegen me aan. Met onze neuzen tegen het gras volgen we de bewegingen van het pimpampoentje op de voet. Ik geniet van hun kleine lijfjes tegen me aan en van hun enthousiasme over het pimpampoentje, waarvan hun vader straks zal zeggen dat het een lieveheersbeestje is. Terwijl ik daar lig, vraag ik me af waarom het pimpampoentje niet begrijpt dat hij ook tússen de grassprietjes kan lopen. Of waarom hij zijn vleugels niet uitslaat om erover heen te vliegen. Efficiënt is zijn manier van voortbewegen niet. Daar staat een pimpampoentje natuurlijk niet bij stil. Een kind ook niet trouwens. De enige die last heeft van zo’n inefficiënte gedachte die de schoonheid van dat moment verstoort, ben ik. Opgegroeid. Volwassen geworden. De zaken beoordelend op hoe efficiënt ze zijn. Ik. Het maakt me triest dat ik verleerd ben om naar een pimpampoentje te kijken zonder er de wetten van onze samenleving op toe te passen. De wetten waar ik het nota bene totaal niet mee eens ben. Zou mijn dochter van vier trots op me zijn als ze wist hoe haar moeder naar een pimpampoentje keek? Ben ik er trots op? Het pimpampoentje slaat zijn vleugels pas uit wanneer kleine kinderhandjes hem bedreigen. Voor hem zijn ze niet klein natuurlijk, die grijpgrage vingertjes. ‘Pas op, je duwt hem nog plat’, roep ik. Het pimpampoentje loopt zenuwachtig in rondjes op de vinger van mijn dochter en slaat dan toch zijn vleugels uit, probeert weg te vliegen, maar valt in het gras. ‘Waar is het pimpampoentje nu’, vraag ik. Mijn zoon springt op en gaat op zoek. Hij stapt rond met zijn schoenmaat 24. ‘Pas op, Thomasje’. Het zijn de poezeligste peutervoetjes die ik ooit zag, maar niet voor dat pimpampoentje. Een dreigende schaduw doemt boven het pimpampoentje op. Thomas zet een stap opzij. Zijn voetje landt pal naast het pimpampoentje. Razendsnel baant het opgejaagde diertje zich een weg over grassprietjes heen: naar boven, naar beneden. Naar boven. Naar beneden. Ik kijk ernaar. Mijn inefficiënte gedachten ebben weg, terwijl het pimpampoentje zijn weg inefficiënt vervolgt. Ik voel me zen.

Het is niet normaal dat werk en leven combineren een kwestie van geluk is …

Het is een publiek geheim dat ik nogal fan ben van een dertigurenweek. Ik schreef een opinie die op de website van het Nieuwsblad verscheen: http://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20170428_02856598

Antwerpse mensen die zin hebben om eens van gedachten te wisselen hierover, zijn van harte welkom op een info- en babbelavond die we op dinsdag 9 mei van 20 uur tot 23 uur organiseren in ’t Werkhuys in Borgerhout. Je hoeft geen Femmalid te zijn om te komen, maar geef ons aub wel een seintje als je erbij wil zijn. Meer info vind je op het Facebookevent of op de website van Femma.

Tot op de Grote Parade (7 mei) of tot op 9 mei?

 

Zonder smartphone ben ik een betere moeder

Ik ben bang om me te vervelen. Ik herinner me hoe vreselijk ik vakanties soms vond als kind. Ontiegelijke keren stond ik naast het bureau van mijn moeder te zeuren dat ik me VER-VEEL-DE! Vaak hoorde ze me niet. Ze was opgeslorpt door haar werk aan die lichtbak die haar computer was. Ze werkte in de living om bij ons te zijn, maar mentaal was ze niet beschikbaar. Ik verveelde me, en wat haatte ik dat: me vervelen. Ik wou dat ik me nooit meer moest vervelen.

Toen werd ik moeder. Moeder zijn, dat is verrijkend, vervullend, onvergelijkbaar, waardevol … en ongelooflijk strontvervelend. In de handleiding hadden ze vergeten te vermelden hoe tráág kinderen zijn. Het is saai en vervelend om een kind dat nog niet goed kan puzzelen te zien puzzelen. (‘Draai dat stukje dan toch om, kind!’) Het is saai en vervelend om op stap te gaan met een kind dat zich op een loopfiets of op een step nog trager voortbeweegt dan te voet op die kleine beentjes. Het is saai en vervelend om een kind sukkelend naar de glijbaan te zien klimmen. Het is saai en vervelend om een kind dingen te zien leren waarvan je vergeten bent dat je ze ooit zelf hebt moeten leren.

Ouder zijn vergt geduld, bergen geduld. Je moet bestand zijn tegen verveling. En ik ben dat niet. Gelukkig is er veel veranderd sinds ik klein was. Mijn droom is werkelijkheid geworden: ik hoef me niet meer te vervelen. Andere mensen – vermoedelijk jonge ouders – hebben iets uitgevonden dat je behoedt voor verveling. Het geeft licht, past in je handpalm en geeft toegang tot de hele wereld: de smartphone. Er is altijd wat te lezen. Er is altijd input. Zeker wanneer ik weinig geslapen heb, doet de voortdurende stroom aan indrukken de dag wat sneller vooruitgaan. Vervelen hoeft niet meer!

Ik kan nu lezen terwijl ik een kind duw op de schommel. Ik kan door Facebook scrollen, terwijl ik wacht tot een kind begrijpt dat hij zijn puzzelstukje moet omdraaien om het te doen passen. Ik volg het Twitterrelletje van de dag, terwijl ik de processie van Echternach loop naast een steppend kind. Ik kijk naar de perfecte Instagram-kinderen van andere ouders, terwijl die van mij al hun speelgoed over de grond uitstrooien. Nooit meer vervelen, hoera.

Maar is dat wel zo goed?

Vervelen is belangrijk voor een opgroeiend kind. Verveling stimuleert creativiteit. Verveling stimuleert spel. En dat geldt niet alleen voor kinderen. Verveling is goed voor ons. Alleen in verveling kom je terug naar de essentie. We vinden dat het leven te snel voorbij gaat, maar we scrollen onze tijd weg op dat kleine scherm. Ik zit dit jaar tien jaar op Facebook en negen jaar op Twitter. Ik wil niet weten hoeveel kostbare uren ik vergooid heb tijdens het scrollen door levens en meningen van een ander. En wat ik intussen gemist heb. Terwijl we naar het lichtbakje in onze handpalm staren, missen we kostbare ervaringen met de lichtpuntjes van ons leven.

Dit weekend had ik er genoeg van. Ik kreeg heel plots een degout van dat onding. Het waren mijn kinderen die me tot inzicht brachten. Mijn zoon trok aan mijn smartphonevrije hand en zei: ‘Uit. Weg. Mee pelen.’ Ik antwoordde hem dat ik nog snel dit wilde lezen en dat ik dan mee kwam spelen. ‘Nee. Mee pelen’, verhief hij zijn stem. Hij had volkomen gelijk.

Wat later wilde ik een artikel lezen met de titel: ‘Zet je smartphone op ouderslot‘. Hm, interessant, dacht ik. Moet ik lezen, dacht ik. Even inloggen, dacht ik. Waarom werkt die login nu niet, dacht ik.
– Mama, wil je Dikkie Dik voorlezen?
– Straks kindje, ik wil even dit lezen.
Opnieuw proberen, dacht ik. Grrrr, het werkt weer niet, dacht ik.
– Mama, lees nu Dikkie Dik voor!
En plots besefte ik waar ik mee bezig was. Ik legde de smartphone aan de kant en las Dikkie Dik voor. (Het volledige dubbeldikke voorleesboek, van cover tot cover. Saai hoor.)

Ik nam me voor om de rest van dat weekend te ‘telefominderen’. Ik ging niet voor de volledige digital detox – een mens moet klein beginnen – maar ik probeerde het lichtbakje wel zoveel mogelijk aan de kant te laten liggen. Het hielp natuurlijk dat ik genoeg geslapen had, zodat ik karakter had om aan de verleiding van het wereldwijde web te weerstaan. Na onderbroken nachten moet ik er zelfs niet aan denken. Dan zit ik gegarandeerd de hele ochtend als een zombie te scrollen in de zetel.

Maar dit weekend was ik wakker genoeg om er mentaal bij te blijven. Mijn zoon leerde steppen en ik liep me naast hem onnoemelijk te vervelen. Ik greep niet naar mijn jaszak, maar bestudeerde de blaadjes van de bomen, de vorm van de wolken en de kleine bloemetjes in het gras. Ik kleurde een prent van Dora. Ik zette Duploblokjes op elkaar. Ik las boekjes voor (oké, dat doe ik sowieso). Ik liet me verzorgen door mijn kinderen die kapster, dokter, schminkster en mijn mama waren. Niet zomaar even voor de vorm, maar een heel weekend lang. Ik leerde me vervelen. Het was onnoemelijk saai … en heerlijk.

’s Avonds bleek ik online niet veel te hebben gemist. Natuurlijk was er op Twitter het relletje van de dag geweest, en natuurlijk was er een enorm interessante discussie over opvoeding aan de gang op één of andere Facebook-mamagroep. Allemaal zaken die ook de nodige energie opslorpen. Wat had ik dus gemist? Niets. Helemaal-nougatbollen-niets. Integendeel, voor het eerst sinds lange tijd had ik op zondagavond nog bergen energie. Ik had ook de indruk – maar dat kan projectie zijn – dat ik gelukkigere kinderen had. Mijn conclusie van dit weekend: zonder smartphone ben ik een betere moeder.

 

(Opdracht literaire creatie: een lichtpuntje in sombere dagen)

As we speak #4

Dit is mijn vierde As we speak. In dit rubriekje – geïnspireerd door tales from the crib – vertel ik over allerhande dingen die me bezighouden, maar waarmee ik geen volledige post kan vullen.

Lezen

Veel en veel te weinig. Nadat ik Elena Ferrante heb ge-binge-lezen (bestaat dat?), heb ik zes weken over een nochtans uitstekend boek van nog geen 200 blz. gedaan, met name Nutshell van Ian McEwan. Nu zit ik ‘tussen boeken’. Ik twijfel over The Handmaid’s Tale van Margaret Atwood, Purple Hibiscus en Half of a Yellow Sun van Chimamanda Ngozi Adichie, Zout op mijn huid van Benoîte Groult of toch maar die laatste Harry Potter

Schrijven

Door een sinusitis die ongeveer zeven weken heeft aangesleept, zat ik met een letterlijke en figuurlijke writer’s block. Ik schreef wekenlang zo goed als niets. Gelukkig heb ik intussen weer de moed gevonden om enkele blogposts te schrijven en de verjaardagsbrieven aan mijn kindjes.

Kijken

Ik ben begonnen met The Crown op een avond dat ik ongeveer zes wasmanden was te plooien had. Ik kijk toch graag naar kostuumdrama’s, zeker als ze gebaseerd zijn op waargebeurde feiten. Het enige nadeel daarvan is dat ik tijdens het kijken voortdurend op mijn tweede scherm vanalles zit op te zoeken op Wikipedia. MUST. LEARN. ALL. THE. THINGS. Niet echt ontspannende televisie dus voor mij. Dat compenseer ik dan weer door – vertel het niet verder, want mijn imago – naar Blind Getrouwd en Temptation Island te kijken. En daar dan kwaad over te zijn op mezelf, want ik heb toch helemaal geen tijd voor zo’n troep.

En verder …

– Hebben we een ontzettend leuk verjaardagsfeest gehad voor de kinderen die resp. vier en twee zijn geworden. Ze voerden zelfs een show op, Martha, Thomas en nichtje Lore, compleet met bisnummers en al. Het was schitterend.

– Heb ik veel moeten denken aan toen we twee jaar geleden Martha’s tweede verjaardag vierden enkele dagen voor Thomas geboren werd en dat mama daar nog bij was, maar dat het haar laatste maanden waren.

– Hebben we het park opgeruimd dat vier jaar onafgebroken in onze living heeft gestaan. Ons park verging het zoals het alle parken op een gegeven moment vergaat: het werd een opbergbak voor rommel. Heel af en toe zette ik Thomas er nog eens in om in de kelder een was te gaan insteken, maar hij kan stilaan veilig de trap af en vaak zat er toch te veel rommel in het park om er nog een kind bij te zetten. Ik vond het toch een emotioneel moment. Afscheid van de babyperiode. Ik probeer al mijn babygerief zoveel mogelijk uit te lenen, omdat ik er nog niet aan toe ben om er definitief afscheid van te nemen. Het lijkt nog maar gisteren dat ik het verschil niet kende tussen een wieg, een babybed en een park, en vandaag heb ik al die dingen al niet meer nodig. Stop de tijd!

Over die keer dat ik van de trap donderde …

Jolig huppelend verliet ik vrijdagavond mijn bureau. Een uurtje later had ik afgesproken met twee vriendinnen die ik heel graag maar te weinig zie. Het was lente, het was weekend, ik was blij. Ik twijfelde een seconde over de lift, maar de trap nemen is beter voor het milieu en mijn conditie en nog sneller ook. Snel was het zeker deze keer! Ik struikelde of gleed uit op de bovenste trede en een koprol of drie later lag ik beneden met mijn kop tegen de muur en overal pijn. Het anders zo drukke gebouw was bijna verlaten op vrijdag om kwart na vijf. Drie mensen kwamen uit hun bureaus toegesneld. Of ik bij bewustzijn was? Ja, bracht ik aarzelend uit. Ze gaven me een zak bevroren spinazie voor de buil op mijn hoofd en belden naar het ziekenhuis. Ik belde M. die gelukkig ook nog in Brussel was – de eerste keer dat ik het een voordeel vind dat we allebei in Brussel werken.

Terwijl we op hem wachtten, begon ik me zorgen te maken over die gigantische buil en de druk die ik voelde wanneer ik mijn hoofd bewoog. Ik dacht aan mijn tante die na de val met haar fiets alleen nog haar naam zei en daarna nooit meer iets. Ik dacht aan het hersenletsel van mijn moeder. Ik wilde niet hysterisch doen, maar vroeg toch aan één van de lieve mensen bij me om met me mee te wandelen naar het ziekenhuis. Ik ging te voet, op mijn benen vol blauwe plekken en een kapotte schoen. Voor de deur van het ziekenhuis stond M. al op me te wachten. De spoedafdeling was zo goed als verlaten, dus ik verwachtte dat we snel weer buiten zouden zijn. Helaas. We waren om 18 uur in het ziekenhuis. Het duurde tot 21 uur voor ik een dokter te zien kreeg.

We kregen te maken met de TRAAGSTE spoedarts ooit. Hij schreef al zijn bevindingen op papier op om ze vervolgens te gaan uittikken MET 1 VINGER. Maar hij deed zijn werk wel grondig. Hij liet me allerhande proefjes doen die me geruststelden over de staat van mijn hersenen: armen in de lucht, glimlachen, benen in de lucht, neus aanraken … Hij gaf me een brace voor mijn nek. Na zijn onderzoek moest er alleen nog een CT-scan gebeuren. Ik vroeg hem of dat snel kon gaan, want dat we nog een trein moesten halen. Hij verzekerde me dat hij zich zou haasten. Vriendelijk was hij wel. Wat later werd ik met een rolstoel naar de scanner gebracht. Ik zei dat ik wel kon lopen, maar dat mocht niet. Na de scan zei de verpleger dat de resultaten er over een kwartier zouden zijn. Ik hoopte dat we de trein van half elf nog zouden halen en misschien zelfs nog iets oppikken om te eten onderweg. Maar het bleef maar duren. Ik ging nu en dan eens spieken om te zien wat mijnheer doktoor aan het doen was: beelden bekijken. Nog beelden bekijken. Nog beelden bekijken. Doktersbriefje schrijven. Voorschrift schrijven. Attest voor de verzekering schrijven. Dat alles duurde nog tot 23 uur. Hij excuseerde zich voor het lange wachten, zo vriendelijk dat ik onmogelijk kwaad op hem kon zijn. Uiteindelijk waren we om half één thuis.

Ik heb al fijnere vrijdagavonden beleefd, maar ik heb zo veel geluk gehad! Ik had mijn benen of mijn nek kunnen breken. Ik had een hersenschudding- of bloeding kunnen hebben. Maar ik ben er van af gekomen met wat blauwe plekken, wat nekpijn en hoofdpijn. Dankjewel, engelbewaarder!

Jeugdboekenmaand M/Prinses/X

Na mijn eerste werkdag in de vrouwenbeweging kwam ik thuis en vertelde mijn dochter van vier me dat ze op school over ridders en prinsessen had geleerd. ‘Wat heb je dan geleerd,’ vroeg ik. Zij: ‘dat ridders prinsessen redden.’ Ik heb haar verteld dat prinsessen geen ridders nodig hebben om hen te redden, en dat ook meisjes ridders kunnen zijn en ook jongens prinsessen. ‘Dat weet jij niet mama, want je zit niet in mijn klas.’ Dat was twee dagen vóór Internationale Vrouwendag en pal in Jeugdboekenmaand met als thema M/V/X. Op hetzelfde moment ging dit filmpje viraal.

Ik lees enthousiast voor over brandweermannen en -vrouwen en over piloten, en als ik vervolgens vraag wat zij later wil worden, zegt ze overtuigd: ‘prinses’. Voor mij geen probleem. Dat groeit er wel uit. Maar erger vind ik het om te horen dat in haar klas álle meisjes prinsessen zijn en álle jongens ridders, want zo is dat nu eenmaal, mama. Het breekt mijn feministisch hart om te moeten horen dat meisjes van vier al denken dat ze alleen prinses kunnen worden later, omdat er geen andere rolmodellen zijn voor kleine meisjes.

Op Vrouwendag moest ik gaan voorlezen in dat klasje vierjarigen. Nu had ik hoegenaamd geen goesting om rolbevestigende boekjes voor te lezen. Dus ben ik dinsdagavond nog in allerijl naar de bib gefietst om enkele boekjes te gaan halen die me werden aangeraden na een wanhopige oproep op Facebook alsook door Femma en Jeugdboekenmaand.

En zo was mijn eigen kleine actie voor Vrouwendag: vierjarigen vertellen over bange ridders, over prinsessen die met prinsessen trouwen en over honden die ondanks alle vooroordelen uitstekende balletdanseressen kunnen zijn.

Dit zijn onze toppers van deze jeugdboekenmaand:

Prinses Nina

Over een prinses die niet met een prins wil trouwen, maar met een prinses.

Over een hond die denkt dat hij een balletdanseres is.

Prins Assepoets

Over Assepoester maar dan anders. Van dezelfde auteur lazen we ook Prinses Wijsneus, over een prinses die onder geen beding wil trouwen met een prins.

Naar dit boekje ben ik erg benieuwd, maar ik heb het helaas nog niet te pakken gekregen

En ik kan vooral niet wachten tot ze groot genoeg zijn om kennis te maken met mijn absolute heldin van mijn jeugd.

Afbeeldingsresultaat voor matilda boek