Maandelijks archief: september 2016

Nationale betoging #29sept

img_20160929_151233

Twee jaar na mijn blogpost over 6 november begin ik een betogingshabitué te worden. We waren er vandaag ook weer bij, dit keer in het felroze. Als je wil weten waarom, dan kan je dit lezen. Het was gezellig en vredig. Zie hoe content dat ik was omdat ik met Femma mocht meelopen. Maar het lachen verging me snel, toen ik las wat de nieuwswebsites er weer van maakten. Op de websites van De Redactie en van De Standaard moet je al een eind naar beneden scrollen om überhaupt te zien dat er vandaag duizenden mensen door de straten van Brussel liepen. HLN en Het Nieuwsblad doen nog beter. Ze schrijven dat er vernielingen gebeurd zijn IN DE MARGE van de betoging. Sorry, maar dan is die treincrash in Hoboken ook in de marge van de betoging gebeurd. Ze schrijven ook dat betogers een ambulance tegenhielden. Die ambulance heb ik niet gezien, maar ik kwam wel een brandweerauto tegen met loeiende sirene. Ik zag honderden mensen vliegensvlug naar één kant springen. Toen bleek dat de brandweerauto moest afdraaien, sprongen al die honderden mensen vliegensvlug naar de andere kant. Niemand haalde het in zijn hoofd om hem tegen te houden. Ik was vandaag in Brussel en, beste mensen, er is niets gebeurd. Er is gewoon niets gebeurd. Er was alleen luid protest van mensen die er genoeg van hebben. Weet je wel hoe frustrerend het is om je kostbare tijd op te offeren om je stem te laten horen en om vervolgens doodgezwegen te worden? Welk belang hebben al die redacties er in godsnaam bij om te doen alsof 45.000 à 70.000 man niet bestaat?

Het waarommeisje

waarom

Ik ging zo’n moeder zijn die nooit ‘Waarom? Daarom.’ zei. Dat was toen ik nog dacht dat kinderen waarom-vragen stelden waarop ik het antwoord weet. Ik zou de antwoorden geven die ik zelf leerde in de lagere school, of zou het opzoeken op Wikipedia. Maar ‘daarom’, dat zouden ze van mij niet horen. ‘Ja, tererre’, om het op zijn West-Vlaams te zeggen. De vragen die mijn dochter stelt, begin daar maar eens aan …

Gesprek met Martha op de fiets:

– Kijk, Martha, D. loopt daar.
– Waarom loopt die daar?
– Ze gaat eerst met de grote zus naar de grote school en dan komt D. naar jouw school.
– Waarom zit haar zus al in de grote school?
– Omdat die ouder is dan jullie.
– Waarom is die ouder dan ons?
– Omdat ze eerder geboren is.
– Waarom is ze eerder geboren?
– Ja, Martha, omdat dat gewoon zo is.
– Waarom is dat gewoon zo?
– Liefje, sommige dingen kan mama niet uitleggen. Die moet je gewoon aanvaarden.
– Wat is ombaarden?
– Aanvaarden.
– Wat is aanvaarden?
– Soms zijn dingen zoals ze zijn. Soms kan je dingen niet begrijpen, of uitleggen, of veranderen en dan moet je ze gewoon aanvaarden.
– Waarom?
(…)

Ook haar juffen zijn soms helemaal uitge-waarom-d. ‘Martha, jij met je moeilijke vragen altijd, de juf is niet zo slim hoor,’ zei de vorige juf. Waarop Martha vroeg: ‘Juf, waarom ben jij niet zo slim?’ De nieuwe juf doopte Martha al op dag 3 van het nieuwe schooljaar het waarommeisje.

Gelukkig stelt ze ook wel eens normale vragen: Waarom eten giraffen blaadjes van de bomen? Waarom hebben die een lange nek én lange poten? Waarom heeft iedereen zijn eigen dingetje om te ‘onderleven’?

Maar haar moeilijkste vragen stelt ze het vaakst: waarom worden mensen soms ziek en gaan ze dan dood? Waarom is dood voor altijd? Waarom kan oma niet meer terugkomen? Dat is de laatste paar weken een thema dat haar erg bezighoudt. Ze begint soms zomaar plots heel hard te huilen. Dan zegt ze: ‘Ik ben boos op jou, omdat oma dood is. Je moet die terugbrengen met een echte toverstok.’ Of: ‘Bomma gaat een berichtje sturen, en dan komt oma terug.’ Ik probeer haar uit te leggen: ‘Liefje, dat kan niet. Was het maar zo simpel …’ En dan vraagt ze weer: ‘Waarom?’.

Zelf geloof ik niet in leven na de dood, in welke vorm ook. Maar ik kan van mijn driejarige niet verwachten dat ze zich tevreden stelt met dat antwoord. Vorige week vertelde ik haar dat oma een sterretje is geworden, en dat ze nu over ons waakt. ‘Nee, ze zít op een sterretje,’ zei ze, en daarna viel ze in slaap. Voorlopig is ze tevreden met dit verhaal.

Meggie, 1985-1996

hangbrug

Lieve Meggie,

Wat ik nog weet van jou, is niet veel meer. En wordt steeds minder.

Dat schreef ik enkele jaren geleden al. Vandaag is het twintig jaar geleden dat je stierf. Dat is twee keer zo lang als je geleefd hebt.

Er was een tijd dat ik alles wat ik me nog herinnerde van jou krampachtig probeerde vast te houden. Ik kende elke foto. Ik kende elk souvenir. Het kaartje van je communie hing vier jaar naast mijn bed op kot. ‘Dank dat ik zo fijn spelen mag’, stond erop. Na een tijd gaat zoiets op in je interieur. Je ziet het niet meer. Souvenirs geven slechts een warm gevoel wanneer je ze onverwacht terugziet. Daarom heb ik later nooit ergens een foto van je opgehangen. Een foto die ergens staat of hangt, verliest betekenis en vergeelt. Of misschien wilde ik niet dat mensen me erop zouden aanspreken. Ik wilde niet over jou moeten vertellen, zonder dat het mijn eigen keuze was. Waarom niet? Na enkele jaren begon ik erover te twijfelen of het wel kon dat ik je nog steeds miste. Je was ‘maar’ een vriendinnetje. Ik voelde me een aansteller omdat ik nog zo vaak aan je dacht. Ik vroeg me af of het nog verdriet was, of de herinnering aan verdriet. Ik vroeg me af of ik wel aanspraak maakte op verdriet. Ik was tenslotte geen zus, geen broer, geen vader en geen moeder. Hadden we elkaar zelfs nog gekend als je niet was gestorven?

Maar ik bleef aan je denken. Dat doe ik nu al twintig jaar lang. Om aan mezelf te verantwoorden welke impact jou afgeven op mijn leven heeft gehad ben ik je de laatste jaren steeds meer als een zusje gaan beschouwen. Het is niet vergezocht. We waren tenslotte altijd samen, als erwtjes en worteltjes. En toch konden onze interesses en talenten niet verder uit elkaar liggen. Jij kon goed fietsen. Ik kon goed lezen. Jij danste doodgraag. Ik niet. Jij was stoer en soms een beetje stout, ik de überseut. Je moest ook wel, als nakomertje met drie oudere zussen en een oudere broer. Weet je, mijn zus en ik, we verschillen hemel en aarde van elkaar, en toch zijn we twee handen op één buik. Hetzelfde gevoel had ik met jou. Jij bent mijn verloren zusje. Alleen zo kan ik uitleggen hoe hard ik je mis.

Afgelopen zomer, op de voorlaatste dag van mijn moeder haar leven, zat ik op mijn bed. Mijn kinderen waren net met hun vader naar Antwerpen teruggekeerd, en ik wist dat ze mama voor de laatste keer gezien hadden. Dat was zo’n droevig moment dat ik even alleen moest zijn. Dus ik ging naar mijn oude kamer, en zat op mijn bed. Ik zat op het dekbed van de Troetelbeertjes waarop we altijd keukentje speelden. We deden alsof we in de potten en de pannen van de Troetelbeertjes roerden. Er is nooit een haar op mijn hoofd geweest dat eraan dacht om dat dekbed weg te gooien. Plots is het twintig jaar later en ligt het daar nog, op mijn bed in Zuienkerke, totaal afgebleekt door de zon.

Alsof die laatste dagen met mama nog niet vol genoeg symboliek en betekenis waren, ging ik door mijn oude brieven. Ik was op zoek naar brieven van mama. Woorden van mama toen ze nog woorden had. Ik vond er veel terug. Ik las ze voor aan mijn broer en zus. Ik was blij dat ik haar woorden vond.

Maar wat ik ook vond, was een briefje van jou. Een briefje waarvan ik niet vergeten was dat het bestond, dat niet, maar waar ik wel al enkele jaren niet meer aan had gedacht. Een briefje van op kamp. Ook het communieprentje vond ik toen terug. Het gevoel dat ik kreeg toen ik die dingen terugvond, kan ik – die nochtans niet slecht ter taal ben – niet omschrijven. Een warm, nostalgisch en geborgen gevoel. Meer troost dan tristesse. Souvenirs zijn maar waardevol wanneer je ze kan terugvinden.

Meer tristesse dan troost overviel me echter de volgende dag, en alle maanden daarna. Ik dacht altijd dat ervaring met verdriet het de volgende keer makkelijker maakte. Ik dacht: het enige voordeel aan jou te hebben moeten verliezen, is dat een volgend verlies makkelijker verteerbaar zal zijn. Ik heb tenslotte een deel van het werk al gedaan. Maar oud verdriet maakt nieuw verdriet niet zachter, integendeel. Oud verdriet strooit zout in verse wonden. Het verdriet om jou is aanweziger dan ooit, het komt bovenop of middenin mijn nieuwe rouwproces. Het maakt het nog rauwer en harder. Het besef dat dit nooit voorbijgaat. Dat er momenten van vreugde kunnen zijn, maar dat verdriet altijd zal blijven sluimeren onder de oppervlakte. Dat vreugde nooit meer ondubbelzinnig vreugde zal zijn.

Alleen de allerkleinste herinneringen aan jou zijn blijven hangen. Niet aan de bel kunnen en dan maar door jullie brievenbus roepen. Iets moeten halen in het cafeetje enkele huizen verder en een snoep krijgen. Samen de waterpokken krijgen en aan de trap poseren. Ik kan je lach nog steeds horen. Meerdere keren per maand schud ik het hoofd in ongeloof, dat het al twintig jaar is. Ik denk dat ik me er soms niet eens van bewust ben hoe vaak ik nog aan je denk.

Elke dag geef ik Thomas soep met brood. Ik scheur zijn brood in stukjes, gooi ze in de soep en lepel ze weer op. Zo at jij je soep het liefst, herinner ik me. Elke dag zit jij mee aan tafel met Thomas en mij, terwijl we soep met brood eten.

Martha steekt voortdurend haar tong uit. Bij alles wat ze doet, hangt die tong uit haar mond. Mijn mama zei daarover: ‘Met je lang blad’. Het moet dus zijn dat ze dat ook als baby al deed, want van zodra Martha 10 maanden was, kon mijn mama niet meer spreken. Maar ook jij kon je tong niet in je mond laten zitten wanneer je een inspanning deed. Ik zie je nog zitten in de klas, aan het zwoegen op een oefening, met je tong tussen je tanden geklemd.

Martha eet verschrikkelijk graag rozijntjes. Ze wil er elke dag. De rozijntjes stonden in de hoekkast van jullie keuken. Ik zie je nog op het werkblad klimmen om de rozijntjes uit de kast te halen. Ik, de überseut, vroeg: ‘Mag dat wel van je mama?’ Jij trok het je niet aan. Je wilde rozijntjes en je wist ze staan. Wat hield je nog tegen?

Wanneer ik een pil niet doorgeslikt krijg, denk ik aan die keer dat ze ons op cm-kamp uit ons bed haalden om ons een pilletje tegen hersenvliesontsteking te geven. Jij kon geen pillen slikken, zei je mama, maar het was je toch gelukt (terwijl ik het mijne door de lavabo heb gespoeld, ik heb dat nooit aan iemand durven toegeven). Je was apetrots.

Weet je nog hoe je lachte met Wendy’s tattoo op haar schouder? Je zei dat het belachelijk zou zijn, wanneer ze als oud vrouwtje met een verrimpelde tattoo zou moeten rondlopen. Ze heeft het helaas nooit tot oud vrouwtje geschopt. Samen met jou, veel en veel te jong, gestorven. Wanneer ik ergens een roos op een schouder zie, denk ik aan Wendy als oud vrouwtje.

Zo zijn er 1001 dingen die me elke dag nog aan jou doen denken. Je zit in mijn hart. Je bent een deel van mijn leven. Ik ben wie ik ben omdat ik jou gekend heb.

Ik mis je, Meggie, al twintig jaar. Ik weet nu ook dat ik je over twintig jaar nog steeds even hard zal missen.

10 januari: Sofie & Meggie
18 oktober: Meggie & Sofie

februari-88feb-88

februari-88-kopie

En de winnaar is …

Gisterenavond was er de langverwachte prijsuitreiking van de columnwedstrijd van This is how we read waarvoor ik genomineerd was. (Met deze column.) Ik was de hele dag op van de zenuwen. Niet zozeer over het al dan niet winnen, eerder over de mogelijkheid dat ik zou winnen en dat ik dan vooraan moest gaan staan en iets zeggen voor een volle zaal. Daar had ik misschien aan moeten denken voor ik deelnam. Verder had ik nog geen praktische oplossing bedacht voor het thuis krijgen van een cupcaketoren met de trein. De belangrijkste reden waarom ik wél wilde winnen: Katrijn Van Bouwel zou de winnende column voorlezen.

Ik zat daar dus een beetje te sterven tijdens het eerste deel van de avond. Voor en achter me zat véél meer volk dan zich op het Facebookevent had aangemeld. Er waren meer mensen dan stoelen. Eerst was er een huiskamertoneel, gebaseerd op een tekst van Paul Verrept. Daarna een interview met de man zelf. ‘Ik ken die naam, ik ken die naam’, dacht ik tijdens het toneel. Ik wist niet waarvan, tot de cover van dit boekje me plots voor de geest kwam.

dscf1932

Dit boekje deed ik cadeau aan een stuk of wat jarige kinderen, want hé, je kan niet vroeg genoeg beginnen met Paul Van Ostaijen. In die filosofie trakteer ik mijn kinderen bijna elke avond op Berceuse nr. 2.

Soit, dit alles terzijde. Paul Verrept zei enkele mooie dingen die me inspireerden.

Dat hij het absurde opzoekt in zijn teksten omdat het een illusie is te denken dat we zelf aan het stuur van ons leven zitten. Dat er dingen gebeuren waar we niets aan kunnen doen, goede dingen maar ook slechte dingen. En dat absurditeit voor hem een manier is om daarmee om te gaan. Omdat er in het leven ook gewoon vaak absurde dingen gebeuren. Daar kan ik me natuurlijk erg in vinden. Hij zei het met zo’n diepe blik in zijn ogen dat ik me prompt afvroeg wat er hem misschien recent overkomen was.

Daarna ging het over het verschil tussen kinder- en grotemensenboeken. Hij zei dat hij wel gelooft dat sommige zaken taboe moeten blijven in kinderboeken, én in grotemensenboeken for that matter. Daar was ik het ook mee eens. Ik heb lang gedacht dat kinderen kleine grote mensen zijn en dat je hen niet te veel van de echte wereld mag beschermen, maar ik begin daarvan terug te komen. Sommige dingen zijn gewoon te complex om in kindertaal te kunnen uitleggen.

Tot slot zei hij nog dat theater schrijven veel voldoening geeft, omdat je zo je publiek kan ontmoeten. ‘Als schrijver wil je mensen raken. Misschien raak je wel ergens iemand met je tekst, maar je ziet het niet.’ Dan is theater inderdaad dankbaar. Die suggestie hou ik in gedachten.

Toen was het tijd. De spanning bouwde op. Naast me en voor me zag ik mensen zenuwachtig schuifelen op hun stoel. En ik, ik schuifelde mee.

*Tromgeroffel*

De winnaar werd deze column. Een terechte winnaar! Helaas werd mijn tekst dus niet voorgelezen.

Ik heb misschien niet gewonnen, maar ik heb wel al een nieuwe fiets. Tweedehands op de kop getikt. (Na tien minuten platte band gereden en kosten aan gehad, op de eerste verjaardag van mijn moeder haar overlijden bovendien, maar dat is weer een ander verhaal.)

En content dat we ermee zijn!

img_20160923_102142

Deeltijds werken: waar zitten die vaders?

20160916_094757

Opnieuw in het nieuws: deeltijds werkende vrouwen ervaren meer tijdsdruk.
Als deeltijds werkende vrouw verbaast dit me niet. Als feministe op de barricaden voor arbeidsduurvermindering al helemaal niet.

Wat me wel blijft verbazen: het zijn wéér de vrouwen die het gedaan hebben. Opnieuw krijgen vrouwen de vraag waarom ze die keuze maken. Of ze dan niet weten dat het slecht is voor hun carrièrekansen en pensioen? Of ze hun dochters dan niet willen tonen dat de moderne vrouw niet alleen voor de kinderen zorgt? Of ze dan niet vinden dat het glazen plafond eraan moet? Opnieuw wordt tegen vrouwen gezegd dat ze het maar moeten kunnen loslaten, het huishouden. Alsof al die individuele vrouwen hun keuze maken in een maatschappelijk vacuüm. We gaan al te gemakkelijk voorbij aan het feit dat vrouwen gemiddeld 21 % minder verdienen en dat genderstereotypen al in de speelgoedwinkel worden ingeprent. Het ‘keukentafelgesprek’ over de combinatie arbeid-gezin begint niet met gelijke wapens. Er is veel kans dat de vrouw minder verdient. Hoe vrij is vrije keuze dan nog?

En zeggen we dan ‘maatschappij, neem je verantwoordelijkheid’? Nee, we zeggen: ‘moeders, doe er iets aan’. Blijven buiten schot: de vaders. En ze roeren zich ook niet. (Behalve hij dan, waarvoor dank.) Vrouwen worden op hun verantwoordelijkheid gewezen, maar het zijn zoals altijd ook vrouwen en vrouwenorganisaties die het probleem zien en oplossingen aandragen. Logisch, het zijn de vrouwen die de genderkloof voelen waar het zeer doet, namelijk in hun portemonnee. Als ik een man was, zou ik misschien ook bij het biologisch determinisme zweren. Ik zou namelijk meer verdienen en meer vrije tijd hebben. Goeie deal, dus ik zwijg. Of ik zeg: de band tussen moeder en kind, daar kom je niet tussen. Alsof die symbiose wanneer ze acht zijn nog steeds zo relevant is.

Maar hoe kunnen we mannen dan wel wakker krijgen om mee op de barricaden te gaan staan voor een andere samenleving? We moeten hen pakken waar het zeer doet: hun dochters. Serieus, mannen, wat vinden jullie ervan dat jullie dochters, die misschien wel de slimste van de klas zijn, gedetermineerd zijn om later te ploeteren met de was en de plas. Dat jouw dochter later misschien hemden strijkt voor een kind dat nu nog niet tot haar enkels komt als het gaat over rekenen en taal? Dat ze daarvoor haar carrière aan de kant gaat schuiven of zich een burn-out combineert. Vaders, hoe lang zullen we onze dochters nog een roze speelstofzuiger in handen duwen en onze zonen vertellen dat ze niet met poppen mogen spelen? Samen kunnen we iets veranderen. Laten we er vandaag mee beginnen.

Klein geluk #3 – de zomer

dscf1894

September is mijn maand niet. Vandaag is het twintig jaar geleden dat een klasgenoot stierf na een jarenlange strijd tegen leukemie. Hij was 12. Twee weken later verongelukte mijn beste vriendinnetje samen met haar zus. Ze was (net geen) 11. Morgen zou mijn moeder 60 zijn geworden.

Ik heb veel om melancholisch over te zijn deze maand. Septemberblues kan me plots overvallen. Dat gebeurde toen het plots al herfst was op 2 september. Het regende, verdorde bladeren kraakten onder de wielen van mijn fiets en de wereld had een herfstige gloed. Maar amper een week later was het weer hoogzomer. In de tuin hing de was te drogen terwijl mijn blote kindjes in hun zwembadje speelden. Ik kies ervoor om de zomer vast te houden en de herfst nog even te negeren.

Want de zomer, de zomer. Wat was hij mooi. Barstensvol leuke dagen en momenten van klein geluk. De vorige zomer was er geen. Dat maakte deze zomer eens zo bijzonder. De oceaan bij zonsondergang, een terrasje in Brugge met broer en schoonzus, de Harry Potter Exhibition met zus. Gewoon, zomaar, alsof het vanzelfsprekend is. Ómdat het vanzelfsprekend is, terwijl dit soort momenten vorig jaar simpelweg niet bestond. Ik geniet. Ik kijk naar mijn kindjes in de tuin, aan het strand, op de speeltuin, in het zwembad, op de kermis, op de fiets, en koester de momenten die nooit meer terugkomen. ‘I live deep and suck out all the marrow of life’. Met volle teugen zuig ik die mooie momenten in me op samen met alle vitamine D die ik vorige zomer gemist heb. Ik heb een kleurtje, ook dat is jaren geleden. Dit is het, ik ben gelukkig, het leven is goed.

Vorig jaar verlangde ik naar de herfst. Nu zou ik willen dat de zomer nooit eindigt. Voorlopig is hij dat gelukkig ook nog niet van plan.

8 jaar ongelukkig op mijn werk en wat dat deed met mijn zelfvertrouwen

Ik werk graag. Echt. Ergens diep in mij zit een haantje verscholen. Toen ik acht jaar geleden de arbeidsmarkt bestormde was het vol ambitie en energie. Ik kon iets en zou iets betekenen voor de cultuursector of het boekenvak. Zeker en vast.

Toen begon ik te werken. Het was 2008, het begin van de crisis. Mijn eerste job was er één met weekcontracten in een rederij. Ik heb er drie maanden gewerkt, maar verloor er zoveel illusies dat het als drie jaar aanvoelde. Ik moest ervoor zorgen dat de juiste containers op de juiste boten stonden. Administratief werk. Op mijn eerste dag zei mijn leidinggevende: ‘eerst heb je niets met containers. Maar voor je het weet, kom je er één tegen op vakantie en kan je niet wachten tot je op de bureau kan opzoeken wat erin zit en waar hij naartoe rijdt’. Ik kreeg een paniekaanval. Zou ik containers echt interessant vinden over enkele maanden? Zou ik mezelf zo snel verliezen? En zou dit mijn leven worden? Niets tegen de mensen met wie ik samenwerkte, maar ik had niets met hen en zij keken naar mij alsof ik van een andere planeet kwam. Het cultuur/boekenmeisje dat op doortocht was in de rederij. Ik deed het goed, kreeg positieve evaluaties en werd gevraagd om te blijven. Maar ik verveelde me dood en vond werkelijk niets boeiend aan het hele containergebeuren. Ik dacht: ik kan alleen maar slechter worden van hier te blijven. Ik nam ontslag – tenminste: ik ging geen nieuw weekcontract aan – en dacht: is dit het nu, werken?

Het liefste wat ik doe is schrijven. Ik besloot als copywriter te solliciteren. Ik kwam terecht in een lampenbedrijf in the middle of nowhere. In putje winter fietste ik elke dag van het station van een gemeente waar ik niets te zoeken had naar een industriepark waar ik niets te zoeken had, om daar tekstjes te schrijven. Mijn opdracht: vermeld zo vaak mogelijk het woord verlichting. Ook daar zat ik niet op mijn plaats. Mijn collega’s verkochten racistische klap (’t is een zwette). Ik ergerde me stuk. Ze luisterden naar één of andere luidruchtige Kempische radiozender, en ik kreeg er koppijn van. Ik fietste in het donkere industriepark door twintig centimeter sneeuw en dacht opnieuw: is dit het nu, werken?

Maar hoera, enkele maanden later kon ik eindelijk in een bibliotheek beginnen werken. Iets met mijn diploma doen … Het was een halftijdse, dat wel, het was onder mijn niveau, dat wel, maar het was in een bibliotheek. Ik werd leidinggevende van tien dames onder wie de jongste exact dubbel zo oud was als ik. Het leukste aan werken in een bibliotheek vond ik de balie. Maar het merendeel van mijn tijd ging naar: brandjes blussen en uurroosters opstellen. Ook de bibliotheek was een desillusie. Ik dacht: is dit het nu, werken?

Vervolgens maakte ik een andere droom waar: ik ging werken in een uitgeverij. Daar ben ik, echt waar, de eerste twee jaar min of meer gelukkig geweest. Ik was doodmoe van veel te lange dagen kloppen en pendelen, maar ik leerde volop bij, en werd geapprecieerd door mijn collega’s. Ik zat in een team dat werkte zoals ik sindsdien nooit nog een team heb meegemaakt. We liepen gesmeerd en waren perfect op elkaar ingespeeld. Ik werkte hard en met plezier. Maar ook dat bedrijf had allerlei issues en werd niet zo denderend geleid. Na enkele jaren was ik ‘uitgeleerd’, viel ons team in stukken en werd ik moeder. Ik pendelde 2 uur per dag, 5 dagen per week. Dat waren 10 uren per week dat ik niet bij mijn kind was en niet aan het werken. Ik dacht: dit is het dan, werken, en het is belachelijk. Dus ik vertrok, opnieuw.

Daarna kwam ik bij die andere uitgeverij terecht, een mamavriendelijk bedrijf, mijn huidige werkgever. Het klopt. Dit ís een goede werkgever voor jonge ouders. Met wat ik de afgelopen jaren privé heb meegemaakt, was het een zegen dat ik hier werkte en niet meer in Brussel. Maar ik kan dit zeggen: het boekenvak is momenteel een plek waar je niet wil zijn. Ik voel me een nobody. Ik weet niet wat ik nog waard ben. Ik ben nochtans een uitstekende redacteur. ’t Is te zeggen: 20 jaar geleden was deze job me op het lijf geschreven. Maar het is 2016 en ik kon net zo goed een floppydisk zijn als een goede redacteur. Ik werk en ik denk: dit is het dan, werken. Werken is parttime ongelukkig zijn.

In mijn jaren op de arbeidsmarkt kwam ik heel wat mensen tegen van wie ik vermoed dat ze zot zijn. Not in a good way. Zot of slecht, ik weet het niet, maar alleszins incompetente klootzakken (m/v). Ik noem geen namen, want ik wil niemand aan de schandpaal nagelen. Het doet er ook niet toe, want incompetente klootzakken vind je overal. Het frustreert me. Ik ben competent, en geen klootzak, maar blijkbaar is dat niet voldoende. Ik leerde dat het niet uitmaakt wat je kan, zolang je jezelf kan verkopen. Ik leerde dat hoog van de toren blazen belangrijker is dan je werk goed en plichtsgetrouw doen.

Ik werk nu acht jaar en het is nog steeds crisis. Ik heb nog nooit ergens gewerkt waar het goed ging. Ik heb nog nooit op een plek gewerkt die me gelukkig maakte. Al acht jaar ben ik degene die áltijd wat te klagen heeft, die áltijd aan het solliciteren is en die nooit goed lijkt te weten wat ze wil.

Ik weet dat het (veel) erger kan. Ik kijk naar mijn poetsvrouw die een bachelor in de chemie heeft in een ver land, maar hier mijn poetsvrouw is. Ik kijk naar de dames op leeftijd aan de kassa van de supermarkt. Ik prijs me gelukkig. Ik weet dat ik niet moet klagen. Maar ik had zoveel meer verwacht van werken. Thuis heb ik nooit iets anders gezien dan een moeder die vol passie opging in haar werk. Het leek me een evidentie dat zoiets voor mij was weggelegd.

De waarheid is: werken is één grote desillusie. Het idee dat ik nog 35 jaar moet ploeteren zoals ik nu ploeter, maakt me moe. Ik zie zoveel mensen in mijn omgeving die in hetzelfde schuitje zitten als ik. Daar staan ze, met al hun energie en al hun ambitie. Niemand die op hen zit te wachten.

Ik onderneem dingen om het beter te maken. Er ging sinds 2008 geen jaar voorbij dat ik niet minstens twee keer solliciteerde. Om vaak als tweede te eindigen. Ik volgde loopbaanbegeleiding, maar kreeg daar vooral bevestigd wat ik al wist. Ik ben gestart met een bijberoep als copywriter/journalist, omdat schrijven het liefste is wat ik doe. Ik schrijf voor Femma en de Gezinsbond, en ga dit najaar de koe bij de hoorns vatten om daar een stuk of wat opdrachtgevers aan toe te voegen. Ik engageerde me als vrijwilliger in de Raad van Bestuur van Femma om in mijn vrije tijd te betekenen wat ik professioneel niet kan.

Ik zie mensen om me heen die zelfvertrouwen krijgen van hun werk, terwijl het mijne beetje per beetje afbrokkelt. Ik weet dat het bestaat: werk waar je gelukkig van wordt. Ik heb goesting om mijn tanden te zetten in een uitdagende job die mij als gegoten zit. Ik heb goesting om er voluit voor te gaan. Maar arbeidsmarkt, o arbeidsmarkt, waarom hebt gij geen zin in mij?

Vinden jullie voldoening of geluk in jullie werk? Of ploeteren jullie ook maar verder zoals ik? En wie o wie heeft een droomjob voor mij liggen?