Auteursarchief: Sofie

Helden: Tom Lanoye – Solo Ten Oorlog

Tom Lanoye bracht Solo Ten Oorlog. Ik heb er al tien jaar spijt van dat ik twintig jaar geleden de oorspronkelijke voorstelling niet zag, en wacht al even lang op een herneming. Toch had ik aanvankelijk geen tickets voor deze solo besteld, omdat ik niet echt geloofde dat het goed ging zijn. Maar toen mijn schrijfcollega Kantlijne liet weten dat ze kaartjes over had, kon ik daar toch geen nee tegen zeggen. En man, hoe goed was dat!

Lanoye is een performer en taalvirtuoos pur sang. Zijn ode aan de taal – die van Shakespeare en die van Lanoye – was machtig. Het ging over schrijven, in vijfvoetige jamben, al dan niet op tweeregelig rijm. Het ging over registers en over hoe de taal van elk personage zijn karakter bepaalt. Hij vermengt Engels met Nederlands, hoge met lage registers zoals niemand anders dat kan. Hij sneerde naar Guido Gezelle – ‘knapenschender par excellence’ – en de zeemzoete verzen van Alice Nahon. Hij mag dat. Zijn humor is subliem. Lanoye zet zichzelf graag in de spotlights, maar is niet te beroerd voor zelfspot. Terwijl hij in zijn eentje allerhande wufte danspasjes te berde bracht op het podium, mompelde hij: ‘Wat een mens allemaal niet moet doen vlak voor die boekenbeurs. Ziet dit eruit alsof het boekenvak dood is dan?’ Ik heb er tonnen bewondering voor dat iemand die zichzelf wel graag moet zien om zo’n show te verkopen en zo’n pen te hanteren, toch zo graag de spot drijft met zichzelf.

Ik moet wel toegeven dat het me ontzettend onzeker maakt, en dat ik na de voorstelling meteen de handdoek in de ring wilde gooien met dat hele schrijven van mij dat sowieso al maanden in het slop zit. Als ons taalgebied al een Lanoye heeft (wiens beste boek ook nog eens ging over zijn moeder die een beroerte kreeg en haar taal verloor, damn you Lanoye) wat zou om het even wie anders dan nog voor meerwaarde hebben? En als die Lanoye zo van ’t kieken durft te geven op een podium, wat zou een middelmatige schrijver met podiumvrees dan ooit kunnen bereiken?

Ach, waarom zou je schrijven als je ook kan lezen? Ik ga van deze feestdag profiteren om verder te lezen in Zuivering. Leve Lanoye!

© Filip Van Roe

Opruimen: tip van de dag

Mensen die mij een beetje kennen, fronsen voorzeker de wenkbrauwen wanneer ze de titel van deze post lezen. Gaat Sofie opruimtips delen? Er zijn geen zekerheden meer! Wees gerust, het is hier nog steeds een rommel van jewelste. Maar wanneer ik niet naar mijn sleutels aan het zoeken ben, schrijf ik wel eens een verhaal. David Troch koos mijn handpalmverhaal ‘Opruimen‘ uit als tip van de week op Azertyfactor, een schrijfplatform van Creatief Schrijven. Dit schrijft hij:

“Openingszinnen. Ik heb iets met openingszinnen. En zonder twijfel vele andere lezers met mij. Van meet af aan wil ik verrast en meegezogen worden. Dat effect heeft de eerste zin van ‘Opruimen‘. Bij het opruimen gooi je allerlei rotzooi weg, maar je oma? Heerlijke verrassing! Lekker ongewoon. Al zie ik Pipi Langkous het zo doen. De tweede zin vergroot de absurditeit alleen maar. Met overdrijvingen kun je in dit soort verhalen niet te veel overdrijven. Sofie trekt de lijn in het hele flitsverhaal dusdanig goed door dat ik haast geloof dat het allemaal waargebeurd is. Geloofwaardigheid, minstens net zo belangrijk als een openingszin die de lezer het verhaal inzuigt.”

En als je een half minuutje tijd hebt, kan je mijn verhaal hier lezen:

Opruimen

Nadat ik een boek over opruimen las, waarin stond dat ik alleen moest houden waar ik blij van werd, gooide ik per ongeluk mijn oma weg. Het duurde wel twee weken voor we het merkten. Papa was niet blij. Hij zei dat ik oma moest gaan zoeken. In de kringwinkel en het containerpark herinnerden ze zich niets van een binnengebrachte oma. ‘Maar eigenlijk missen we haar toch ook niet,’ zei ik. ‘Daar heb je gelijk in’, zei hij. ‘Zie je wel dat je van opruimen blij wordt’, zei ik, en ik gooide hem bij het grofvuil.

Peter De Graef, ik verklaar u de liefde

Er zijn maar weinig liefdes die standhouden van je 17de tot je 32ste. Ik heb er vier: Leonardo DiCaprio, Harry Potter, Tom Lanoye en Peter De Graef. Vorige week heb ik de laatste twee live aan het werk gezien. Het was een goede week. Op dinsdag zag ik mijn favoriete taalvirtuoos Lanoye bezig op de voorstelling van zijn nieuwe boek. Die man horen spreken, is een genot. Wat hij vermag met taal … het is weinigen gegeven. En vrijdag ging ik naar de première van ‘Twee zielen, drie levens, zes mensen’ in CC Berchem, van die andere taalvirtuoos en misschien wel de grootste mijner oude liefdes: Peter De Graef. Ik wil al jaren iets over die liefde schrijven, maar elke keer ik eraan begin, komen er alleen krakkemikkige zinnen uit mijn vingers. Maar ik moet toch eens gezegd hebben wat ik wil zeggen, al is het dan maar in krakkemikkige zinnen.

‘Want weet ge… Principes, overtuigingen, visies, theorieën, bewijzen …. Ach, ach, ach …. Dat is allemaal maar speelgoed. Dat is voor kinderen. En speelgoed sterft als ge ouder wordt. Ge kunt op uw twintigste uwen beer nog wel’s vastpakken en hem wat recht zetten, Maar hij leeft niet meer. Hij heeft nooit geleefd. Dat hebt ge zelf gedaan. We hebben vroeger een eerste minister gehad en die zei: Principes die moet ge uiteindelijk lossen … En dan moet ge dat doen zoals ge op een receptie een wind lost. Behoedzaam. En zonder al te veel… Herrie. Dat was een wijze mens.’ (Uit Niks, Peter De Graef)

‘Niks’ moet één van de eerste stukken zijn die ik ooit zag. We moesten voor Nederlands naar het theater gaan en recensies schrijven. Als 17-jarige was het theater totaal nieuw voor mij. Net als de meeste klasgenoten koos ik ‘Niks’ uit de lijst van de leerkracht. Ik zie ons daar nog zitten in dat kleine zaaltje in De Werf in Brugge. Ik herinner me nog flarden van het stuk, maar wat me vooral nog glashelder voor de geest staat, is het gevoel dat ik erbij had. Ik was totaal overdonderd. Dat zoiets bestond. Dat iemand zoiets kon schrijven. Dat iemand zoiets op een podium kon brengen. En dat ik ernaar mocht kijken. Jaren nadien citeerden mijn beste vriendin A. en ik nog zinnen uit dat stuk. ‘Wij zijn twee zebra’s in een veld vol ezels’, werd onze persoonlijke lijfspreuk. We dweepten zoals alleen 17-jarigen dat kunnen. Nu, vooral ik dweepte. A. was altijd minder dweperig van aard.  Maar ik was een 17-jarige germaniste-in-spe. Dwepen was mijn plicht.

Voor mijn recensie kreeg ik 9,5 op 10. De lerares had een half punt afgetrokken voor een dt-fout die ik mezelf nooit vergeven heb. Ik sloot mijn recensie af met de woorden die Peter De Graef uitspraak terwijl hij zich kletsnat liet regenen: ‘Maar vanbinnen word ik toch niet nat’. En ik ben er dus in geslaagd om ‘wordt’ te schrijven, zo onder de indruk van Peter De Graef was ik. Intussen heb ik al twee keer mijn zolder ondersteboven gekeerd op zoek naar die recensie, waarvan ik zeker weet dat ik hem nog lange tijd bewaard heb, maar ik vind hem niet meer terug. Zo spijtig.

‘Waarom moeten wij allemaal ons hele leven wankelend op een overmaatse surfplank staan gillen dat we ons amuseren? Waarom mogen wij niet gewoon ademen en That’s it. Ik adem! Ik zit hier en ik adem.’ (Uit Niks, Peter De Graef)

Daarna heb ik jarenlang niets van hem gezien. ‘Niks’ was voor mij zo’n unieke belevenis dat het niet in me opkwam dat Peter De Graef misschien nóg mooie dingen maakte. Tot ik hem jaren geleden heel toevallig en ik weet zelfs niet meer hoe herontdekte, met ‘Zielsverwanten’ of ‘Stanley’, denk ik, en ik dacht: hé, was hij dat niet, en ik de tekst van ‘Niks’ terugvond en ik tranen met tuiten huilde bij de herontdekking van dat moois. Sindsdien heb ik bijna alles gezien. Ik nodigde eerst drie, dan vijf, dan tien mensen mee uit, tot ik voor ‘Onze Koen’ vergat tickets te bestellen omdat ik inmiddels vijftien mensen uitnodigde. Nu neem ik er nog maar drie en mijn man mee, op voorwaarde dat ze binnen het uur reageren wanneer ik vraag: ‘Ga je meer naar Peter De Graef, ik bestel nu tickets’. En zo zaten we daar vrijdag, met zijn vijven, in het zachte, rode pluche van CC Berchem om opnieuw totaal overdonderd te worden door woord en beeld en ideeën en muziek. En ondanks het zachte pluche zat ik ademloos op het puntje van mijn stoel tot het voorbij was. Peter De Graef raakt me nog steeds even hard als hij dat een half leven geleden deed. Die man is een genie.

Nu ben ik 32 en ik dweep nog steeds als een 17-jarige. Maar het is niet dwepen als het goed is. Als je de kans krijgt om ‘Twee zielen, drie levens, zes mensen’ te gaan zien, doe het. Ge zult er geen spijt van krijgen.

 

© www.janmarchand.be

 

Wake me up when September ends

De eerste opdracht van het nieuwe schrijfschooljaar was: vertaal een songtekst met aandacht voor metrum en ritme. Het regent en het is koud en het is die tijd van ’t jaar dat iedereen weer een jaar langer dood is en mijn moeder weer een verjaardag niet viert, dus ik vertaalde ‘Wake me up when September ends’ van Green Day. Als iemand zich geroepen voelt om het te zingen, be my guest.

Wek me weer wanneer het winter wordt

De zomer, die kwam en ging
Onschuldige herinnering
Wek me weer wanneer het winter wordt
Zeven jaar ging nu voorbij
Maar vader, jij blijft mij nabij
Wek me weer wanneer het winter wordt

Daar komt de regen al
De lucht is grijs als as
Ik wentel me weer in pijn
En word wie ik al was
Rust nu, herinnering
Maar ik onthou wat ik verloor
Wek me weer wanneer het winter wordt

De zomer, die kwam en ging
Onschuldige herinnering
Wek me weer wanneer het winter wordt
Luid nu de klokken weer
Alsof het nog steeds lente is
Wek me weer wanneer het winter wordt

Daar komt de regen al
De lucht is grijs als as
Ik wentel me weer in pijn
En word wie ik al was
Rust nu, herinnering
Maar ik onthou wat ik verloor
Wek me weer wanneer het winter wordt

De zomer, die kwam en ging
Onschuldige herinnering
Wek me weer wanneer het winter wordt
Vader, jij blijft mij nabij
Maar twintig jaar ging zo voorbij
Wek me weer wanneer het winter wordt
Wek me weer wanneer het winter wordt
Wek me weer wanneer het winter wordt

Brieven aan mama #12 – De stilte

Je hield van de stilte. Als wij naar bed gingen, deed je de radio uit. Ik begreep dat niet. Zoveel mooie liedjes op de wereld en jij wilde alleen maar de stilte horen. Ooit zei ik tegen je dat ik liever blind zou zijn dan doof, omdat ik al die mooie muziek niet wilde missen. En boeken hadden ze ook in braille. Dat begreep jij niet. Je sprak het niet uit, maar ik vermoed dat je het een aantrekkelijk idee vond: al het lawaai van de wereld buitensluiten. Het was maar een fase, een korte zelfs, dat ik dacht dat ik klanken meer zou missen dan kleuren. Nu ik zelf kinderen heb, begrijp ik hoe waardevol de stilte is. Waarom jij niets meer wilde horen nadat je een dag naar ons geluisterd had. Soms als ik ’s avonds buiten zit, na een dag in het lawaai van de kinderen, de stad en het leven, wordt zelfs het fluiten van de vogels en het ruisen van de wind in de boom van de buren me te luid. Dan ga ik naar binnen. Ik zet de radio en de televisie af. En ik luister naar de stilte. Mama, ik lijk steeds meer op jou.

’t Zit ollemolle goed in mekaar: 10 jaar West-Vlaming in Antwerpen

Tien jaar woon ik hier. West-Vlaming in Antwerpen. Inmiddels Antwerpenaar met West-Vlaamse roots. Het is een haat-liefde verhouding. Soms vloek ik op mijn stad (die ring, dat fijn stof, die luchthaven, die burgemeester …), maar vaker ben ik blij en trots dat ik deel mag uitmaken van een stad waar zoveel leeft, gebeurt en bruist. Vandaag vierden we bijvoorbeeld het begin van de zomervakantie op Circus Boelaere. We spraken met wat mensen af, maar kwamen er nog zoveel meer tegen. Overal waar ik keek, zag ik bekende gezichten. Deze stad is een dorp met kapsones. Ik hou van A. Maar zoals de meeste West-Vlamingen blijf ik een enorme zwak hebben voor waar ik vandaan kom, onze zee, ons dialect. De afgelopen dagen kwam het allemaal mooi samen.

Als je moet kakken, moet je kakken

Op mijn laatste voorleeswoensdag van dit schooljaar in het klasje van Martha had ik een probleem. De juf had een boekje klaargelegd over … een pimpampoentje. Behalve Martha is er in heel die klas natuurlijk geen enkel kind dat al ooit van een pimpampoentje gehoord heeft. Maar ik kon toch mezelf niet verloochenen en voorlezen over een lieveheersbeestje? Ik ben voor het compromis gegaan, want dat is wat West-Vlamingen doen, en zei: dit is een boekje over een lieveheersbeestje, maar ik noem dat een pimpampoentje.

Dinsdag had ik tijdens het oudercontact een grappige discussie met de juf van Martha over wie haar nu de uitdrukking: ‘als je moet kakken, moet je kakken’ geleerd had. Ik weet zeker dat het de juf was. Martha kwam op een dag namelijk thuis met ‘als ge moe kakken, moe ge kakken’. Ik heb haar gezegd: ‘Martha, je moet dat wel juist uitspreken. Zeg me na: ‘aj moe ka’n, moej ka’n’.’ Schoolvoorbeeld van een gezamenlijk pedagogisch project tussen de school en de ouders.

Diezelfde dinsdag liet een lieve vriendin van vroeger me weten dat ze in september naar Antwerpen verhuist. Al tien jaar wacht ik tevergeefs op het moment dat al mijn vriendinnen begrijpen dat ze nergens gelukkiger kunnen worden dan in Antwerpen en me volgen. Helaas denken ze zelf dat ze gelukkiger zijn in Zuienkerke, Varsenare, Brugge, Leuven, Gent, Brussel en heel de rest van de parking. Jammer voor mij. En nu, exact tien jaar na mij, komt uitgerekend díe vriendin in Antwerpen wonen. En schrijven bovendien. Eindelijk! ‘Achter zoveel jaar’!

Spinvis en Het zesde metaal

Oók dinsdag gingen we naar het Openluchttheater in het Rivierenhof, een plek die minstens zo poëtisch is als de naam doet vermoeden, voor een optreden van Spinvis én Het zesde metaal. Op één avond. Allebei. Wat een cadeau. En het was magisch. Op één van de mooiste plekken van de stad die ik al tien jaar mijn thuis noem, mocht ik eerst naar die wonderlijke poëzie van Spinvis en daarna naar die prachtige liedjes in mijn geliefde West-Vlaams luisteren. Ik kan er bijlange niet zo schoon over schrijven als het was, maar ik wil er toch íets over schrijven. Want het was machtig.

Ik luisterde naar Wannes Cappelle die zong ‘grote liefde lieft oes in’ en ‘aje stillestoat, goa j’achteruut’ en dat het ‘nog oal nie nor de wuppe’ is. Hij vertelde dat hij na 16 jaar weggaat uit ’t Stad en ik dacht: oké, nog zes jaar en ’t is aan mij, maar dat sloeg nergens op, want ik werd daar op dat moment gewoon helemaal opnieuw verliefd op mijn stad, mijn Antwerpen. De eerste regendruppels in weken vielen op onze gezichten, en op de bomen van het Rivierenhof die kurkdroog waren tot in in hun wortels en ik dacht: ik ben hier wortel geschoten. Hij zong van ‘maar de woarheid is, ’t leven loat em niet stoppen, ier bie oes is ’t goed’ en ik dacht: ‘joat, ’t is woa, ier bie oes is ’t goed. ’t Zit ollemolle goed in mekaar!’

(En na dat fantastische optreden wil ook ik mijn geld naar de zanger gooien.)

Rhythm 0

(Voor het examen van repertoirestudie (literaire creatie) mochten we kiezen uit alle onderwerpen die dit jaar aan bod kwam en er iets mee doen. Ik schreef een monoloog over Rhythm 0 van Marina Abramovic)

Hier sta ik. Ze kijken me aan. Verbaasd. Lachend. Onverschillig. Eentje komt dichterbij. Hij ademt in mijn gezicht. Verschraalde koffie en een sigaret. Zo rook de adem van mijn moeder ook. Het is een stank die me nostalgisch maakt. Mijn moeder. Hoe komt het dat ik nu aan mijn moeder moet denken? Ze zei dat ik gek was. Ze had misschien gelijk, maar niet gekker dan zij was. Hij raakt me niet aan. Staat daar alleen maar in mijn gezicht te ademen. De anderen kijken. Onwennig. Hij buigt voorover en kust me, pal op mijn lippen, met die vreselijke adem van hem. Ik voel dingen. Nostalgie is een gevoel. Afkeer van deze man is een gevoel. Mijn blijdschap over het voelen zelf is een gevoel. Ik voel meer dan ik het afgelopen jaar gevoeld heb. Sinds het ongeval heb ik niets gevoeld en niets gedacht. Daarom sta ik hier. En om een punt te maken. De mens is een wreed wezen. Je zal zien hoe wreed de mens is, het zal niet lang duren. Haat is een gevoel.

Hij loopt naar de tafel, monstert de voorwerpen die erop liggen en kiest de veer uit. Hij komt terug en steekt de veer in mijn haar. Onschuldig, nu nog. Een andere man komt dichterbij. Hij tilt mijn armen op en slaat ze met kracht tegen mijn lijf. Het begint al. Sneller dan ik dacht. Hij neemt de veer uit mijn haar en streelt mijn hals, mijn schouders, mijn borsten. De veer valt. Hij grijpt mijn borsten met beide handen vast en knijpt er zachtjes in. Dan loopt hij terug naar de anderen. Ik sta hier tien minuten en ze zijn al vergeten dat ik een mens ben. De mens is een wreed wezen. Nu komen ze met meer. Twee vrouwen en één man blijven bij de tafel staan. Ze bekijken de voorwerpen die erop liggen. De man neemt een roos en reikt me die aan. Ik blijf bewegingsloos staan. Hij neemt mijn hand vast en vouwt mijn vingers behoedzaam om de steel van de roos heen. Hij kijkt naar me, knippert met zijn ogen en klemt daarna mijn hand met de roos vast met zijn beide handen. De doornen prikken. Pijn is een gevoel.

Bruut trekt hij de roos tussen mijn vingers vandaan. Hij gooit ze op de grond, trapt erop en slaat vervolgens met vlakke hand in mijn gezicht. De mens is een wreed wezen. De mens is een wezen dat een kind doodrijdt en niet achterom kijkt. De twee vrouwen beginnen mijn kleren van mijn lijf te rukken. Ach, ze mogen het hebben, mijn lijf, mijn kleren, alles. Zouden ze moeders zijn? Hij was zo schoon, mijn kind. Een engeltje, met zijn dikke billen, blonde krullen en grote blauwe ogen. Te schoon voor deze wereld misschien. Nog een andere vrouw raapt de roos van de grond op en begint de doornen in mijn armen te prikken. Kleine, rode druppels wellen uit mijn armen op. De geur van het bloed doet hen nu ook vergeten dat zij mensen zijn. Plots gaat het snel. Terwijl een man met scheermesjes een tekening maakt op mijn rug, hoor ik het laden van het pistool. Eén van de vrouwen komt naast me staan, zet het pistool tegen mijn hoofd en legt mijn eigen vinger op de trekker. Ik ben niet bang. Doe het dan, denk ik. Dood willen is een gevoel.

Een man duwt de arm met het pistool weg en begint te schreeuwen. Hij trekt het pistool uit de hand van de vrouw en gooit het door het open raam naar buiten. Teleurstelling. Dat is ook een gevoel.

Zondag sportdag

Beste voetbalfan, ik stel me even voor. Ik ben Sofie en ik ben een meerwaardezoeker. Ik lees een kwaliteitskrant en luister naar een radiozender voor de meerwaardezoeker. Van mijn kwaliteitskrant heb ik een breaking-newsapp op mijn gsm. Mijn gsm doet ping als er een aanslag gebeurt of als iemand belangrijks sterft. Wanneer ik ping hoor, kan ik ervan uitgaan dat het me zal interesseren. Dat ik meer zal willen weten over het belangwekkende nieuwsfeit dat mijn aandacht trekt. Behalve op zondag. Dan doet mijn gsm ook ping wanneer iemand een goal maakt of als eerste over de finish rijdt met zijn fiets. Weer een aanslag, denk ik dan. O nee, een goal. Met het grootste gemak gaat mijn kwaliteitskrant er op zondag van uit dat iedereen geïnteresseerd is in elf zotten die achter een bal lopen om hem meteen weer weg te shotten. (Dat zijn de woorden van mijn grootmoeder. Ze had het geloof ik niet zo met sport.) Met de radio is het net hetzelfde. Wanneer ik mijn radiozender voor de meerwaardezoeker opzet, kan ik ervan uitgaan dat ik de muziek zal weten te smaken of dat de gesprekken me zullen interesseren. Behalve op zondag. De monotone stem van de voetbalcommentator pleegt zijn wekelijkse putsch op mijn radiozender. De muziek wordt navenant slechter. De meerwaardezoeker mag zijn meerwaarde elders gaan zoeken. ‘Ja, en?’, hoor ik je vragen. ‘Wat komt dat mens zaniken in mijn blad?’ Of misschien noemt u me wel een wijf en gebruikt u voor zaniken een ander woord dat ook met z begint en urineren betekent. Dat kan. Het vocabulaire van de voetballiefhebber is mij als meerwaardezoeker vreemd. Maar alle gekheid op een stokje. Wat kóm ik immers doen in uw blad? Dit is eenmalig, dat beloof ik u. Ik heb slechts één voorwaarde. Een aanbod dat u me niet kunt refuseren. Namelijk dit: geef mij mijn kwaliteitskrant en mijn radio voor de meerwaardezoeker terug. En ik blijf voortaan met al mijn meerwaarde weg uit uw blad. Wat denkt u, beste voetbalfan, hebben we een deal?

 

(Opdracht literaire creatie: schrijf een column voor een sportblad)

Pimpampoentje

Een pimpampoentje klimt langs een grassprietje omhoog, over het puntje, en weer omlaag. Daarna klimt hij over het volgende grassprietje omhoog, over het puntje, en weer omlaag. Zo kruipt het dier dat nochtans vleugels heeft langzaam door onze tuin. Wij liggen er op onze buik naar te kijken. Ik, met twee kleine kinderen tegen me aan. Met onze neuzen tegen het gras volgen we de bewegingen van het pimpampoentje op de voet. Ik geniet van hun kleine lijfjes tegen me aan en van hun enthousiasme over het pimpampoentje, waarvan hun vader straks zal zeggen dat het een lieveheersbeestje is. Terwijl ik daar lig, vraag ik me af waarom het pimpampoentje niet begrijpt dat hij ook tússen de grassprietjes kan lopen. Of waarom hij zijn vleugels niet uitslaat om erover heen te vliegen. Efficiënt is zijn manier van voortbewegen niet. Daar staat een pimpampoentje natuurlijk niet bij stil. Een kind ook niet trouwens. De enige die last heeft van zo’n inefficiënte gedachte die de schoonheid van dat moment verstoort, ben ik. Opgegroeid. Volwassen geworden. De zaken beoordelend op hoe efficiënt ze zijn. Ik. Het maakt me triest dat ik verleerd ben om naar een pimpampoentje te kijken zonder er de wetten van onze samenleving op toe te passen. De wetten waar ik het nota bene totaal niet mee eens ben. Zou mijn dochter van vier trots op me zijn als ze wist hoe haar moeder naar een pimpampoentje keek? Ben ik er trots op? Het pimpampoentje slaat zijn vleugels pas uit wanneer kleine kinderhandjes hem bedreigen. Voor hem zijn ze niet klein natuurlijk, die grijpgrage vingertjes. ‘Pas op, je duwt hem nog plat’, roep ik. Het pimpampoentje loopt zenuwachtig in rondjes op de vinger van mijn dochter en slaat dan toch zijn vleugels uit, probeert weg te vliegen, maar valt in het gras. ‘Waar is het pimpampoentje nu’, vraag ik. Mijn zoon springt op en gaat op zoek. Hij stapt rond met zijn schoenmaat 24. ‘Pas op, Thomasje’. Het zijn de poezeligste peutervoetjes die ik ooit zag, maar niet voor dat pimpampoentje. Een dreigende schaduw doemt boven het pimpampoentje op. Thomas zet een stap opzij. Zijn voetje landt pal naast het pimpampoentje. Razendsnel baant het opgejaagde diertje zich een weg over grassprietjes heen: naar boven, naar beneden. Naar boven. Naar beneden. Ik kijk ernaar. Mijn inefficiënte gedachten ebben weg, terwijl het pimpampoentje zijn weg inefficiënt vervolgt. Ik voel me zen.