Auteursarchief: Sofie

Reflectie over verveling

Ik verveel me.
Het zit zo.
Voor de pandemie vond ik als introvert (of intern processende persoon, zoals Catherine, mijn favoriete psychologe op Clubhouse, het zo mooi noemde) de extraverte wereld altijd erg uitdagend. Gewoon een beetje bestaan, bracht vanzelf al enkele uitdagingen met zich mee. Ik moest immers de hele dag buiten mijn comfort zone functioneren. 

Nu is gewoon een beetje bestaan heel eenvoudig voor me. Het daagt me niet meer uit. Ik moet niet meer elke dag mijn eigen persoonlijkheid overwinnen om mee te kunnen in een wereld die gevormd werd door andere types persoonlijkheden. Mijn batterijtje gaat niet meer zo snel plat. 

Dat heeft veel positieve kanten. Ik heb voor het eerst in mijn carrière van 13 jaar een gezonde relatie met werk. Ik heb eindelijk een balans gevonden tussen de betrokkenheid die nodig is om mijn werk goed te doen en er elke weekdag 8 uur van mijn kostbare tijd aan te besteden enerzijds, en de onthechtheid die me in staat stelt om goed te slapen en in het weekend echt te deconnecteren anderzijds. Ik kan er alleen maar vol verwondering naar kijken en vaststellen dat dit jaar van totale afzondering de voorwaarde was om tot die balans te komen. Mijn empathisch vermogen wordt niet meer elke dag aangesproken door tientallen mensen, zonder dat ik er controle over heb. Mijn batterijtje loopt niet meer leeg door omstandigheden die me van buitenaf worden opgelegd. Ik hou mijn hart al vast voor wanneer de wereld weer normaler wordt, want normaal, dat is per definitie: extravert. 

Maar door die onthechting lijkt alles nu ook een beetje afgevlakt. Mijn emoties, mijn drive, mijn betrokkenheid. En daardoor blijf ook liefst in mijn comfort zone en zoek ik de uitdaging niet meer op.

Bijgevolg verveel ik me.
Loop ik toertjes in die vicieuze cirkel met een algeheel gevoel van: “Meh”. 

Verveling is natuurlijk relatief. Ik werk nog altijd 8 uur per dag op mijn betaalde job, run in mijn eentje een huishouden en zorg voor mijn kinderen. Dus het is niet zozeer dat ik niet genoeg dingen om handen heb. Maar ik kan me perfect dood vervelen terwijl ik de was plooi. Ik word zo weinig uitgedaagd. Er is zo weinig prikkeling. En hoe minder er is, hoe minder ik het zelf ga opzoeken, blijkbaar. 

Je zou verwachten dat uit verveling iets boeiends voortvloeit. Dat zoveel tijd en niets om handen ervoor zorgt dat ik eindelijk aan schrijven toekom. Maar nee. Ik lees amper. Ik schrijf niet meer. Ik verveel me alleen maar.

Ik denk dat ik een nieuwe skill moet leren. Ik wil iets leren dat me uitdaagt. Alleen kan ik maar niet bedenken wat. En blijk ik het moeilijk te vinden om iets in mijn eentje te leren. Ik heb externe druk nodig en een door iemand anders opgelegd doel, om de discipline te kunnen opbrengen om iets te leren. Anders lukt het niet om mijn aandacht erbij te houden. 

Daar sta je dan als introvert.
Blijk je toch niet zonder de anderen te kunnen

Maar dat wist ik natuurlijk al. 

Dus.
Heeft iemand een idee? 
Wie verveelt zich nog?

All the feels …

Soms ben ik bang dat ik apathisch word. Dat niets me nog iets kan schelen. Ik haal mijn schouders op bij dalende of stijgende cijfers, ik haal mijn schouders op bij alweer een persconferentie over alweer een overlegcomité.

Stappenplan

Net als zovelen ben ik al een jaar alleen. Ik werk een jaar thuis. Ik zie zo weinig mensen dat ik totaal doodop en ‘drained’ thuiskom als ik bijvoorbeeld eens met drie andere ouders heb gesproken op de speeltuin. Het lijkt wel alsof ik sociaal onaangepast ben geworden, alsof ik het allemaal niet meer zo goed aankan als vroeger. Het lijkt me ook meer moeite te kosten om dingen te regelen, omdat het niet meer zo vaak hoeft. Ik moet bij wijze van spreken een stappenplan voorbereiden om met mijn kinderen naar de tandarts te gaan, omdat ik een beetje vergeten ben hoe dat nu weer ging, naar buiten gaan. Gelukkig heb ik ook zeeën van tijd om zo’n stappenplan uit te tekenen.  

Mijn huis is dankzij mijn poetsvrouw en mijn zus (die een medaille verdienen) in de meest ordelijke staat van het afgelopen decennium. Tonnen historisch afval hebben we de afgelopen maanden buiten gedragen. Honderden babyspullen terug in de kringloop gebracht. Dat geeft me zo ontzettend veel rust. Ik hoef niet meer in de rommel te leven, met de frustratie dat ik te moe ben om de rommel ooit aangepakt te krijgen. Er is overzicht, er is beweegruimte, er is orde. Heerlijke orde. Ik heb mijn knuffelcontact bijzonder goed gekozen en ben haar eeuwig dankbaar.

Er is ook voor het eerst in een decennium niets ‘groots’ te regelen. Behalve overleven in een pandemie heb ik niets om handen. Voorlopig ben ik klaar met huizen kopen, leningen zoeken, een echtscheiding regelen, een euthanasie regelen, baby’s krijgen. Het is veel geweest de laatste jaren, maar nu is er alleen maar rust. Mijn huis en mijn leven zijn op orde. (Don’t jinx it, Sofie.)

Gewoon een beetje bestaan …

Ik voel me ook minder moe. Ik doe al een tijdje aan intermittent fasting, dus binge-eet niet meer in de zetel ’s avonds, ben bezig met een geen-alcohol-experiment (na een periode van ‘quarantiny gaat naar de glasbak’) en ik ga vaker op tijd slapen, omdat ik beter voel dat ik moe ben, doordat er weinig afleiding is daarbuiten, en ik dus alleen maar mezelf heb om op te letten.  

Ik ben onthecht van het werk doordat ik de collega’s met wie ik niet samenwerk al een jaar bijna niet meer hoor. We hebben te veel werk om elkaar ‘zomaar’ te bellen, maar daardoor kunnen we elkaar ook al een jaar niet meer opjutten met allerlei kleine en grote frustraties. Inhoudelijk doe ik mijn job graag, maar wat ik normaal meeneem naar huis, wat me normaal mijn slaapt kost, is een slechte sfeer, ongelukkige collega’s. Die dingen blijven nu al een jaar op veilige afstand.

Dat alles brengt me in een staat van kalmte en rust, waarvan ik soms bang ben dat het apathie of gelatenheid wordt. Of is het onthecht zijn en is dat net goed? Gewoon een beetje bestaan, zoals Peter De Graef het zo mooi zegt?

Hoe mijn hart van liefde overloopt

Maar soms, wanneer ik me zorgen begin te maken of ik nog wel genoeg vóel, kijk ik naar mijn kinderen. Martha, net 8 jaar geworden, van wie ik me afvraag hoe het toch mogelijk is dat ze zo hard lijkt op het kindje dat ik droomde dat ze zou worden toen ze nog in mijn buik zat, een soort van Hermelien-Matilda-meisje, maar toch gewoon mijn Martha, mijn kleine wijsneus (“Ik ben geen betweter, want betweters dénken alleen maar dat ze het beter weten.”).

Thomas, net 6 jaar geworden, en dus geen kleuter meer, zo groot al, maar tegelijk zo schattig, en zo lief, die de mond vol heeft van allerlei superhelden en me verontwaardigd aankijkt wanneer ik vraag of guardians of the galaxy en avengers niet dezelfde zijn, dan.

Ik kijk naar hoe ze samen spelen, hoe ze overleggen en debatteren, hoe ze samen in hun fantasiewereld kunnen verdwijnen, hoe dol ze op elkaar zijn, hoe veel ze aan elkaar hebben.

En dan lees ik Herman de Coninck, die schrijft

“mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt verdrietje”

of

“En allemaal samen hebben we dat zootje van zes.
(Zoontje bedoel ik, maar de schrijffout mag blijven staan.)
Vaak kan ik niet slapen
van het denken eraan.”

Dan springen de tranen in mijn ogen en voel ik hoe mijn hart van liefde overloopt.

De kracht van luisteren – over mijn nieuwe Clubhouseverslaving

Mijn dochter kan goed luisteren. Dat is haar talent. Ze luistert met een aandacht die ik lang niet meer gezien heb bij iemand. Of het nu het radionieuws is, een ambachtelijk voorgelezen verhaal, een luisterboek of gesprekken tussen volwassenen (mijn zus en ik) waar ze eigenlijk geen zaken mee heeft. Ze mist geen woord en onthoudt het bovendien. Ik heb daar bewondering voor. Door haar bezig te zien, wilde ik dat ook weer kunnen. Mijn hoge leestempo zorgde ervoor dat ik geen geduld meer had om te luisteren. Voorlezen gaat zo tenenkrommend traag in vergelijking met zelf door een tekst racen. 

Maar ik heb het mezelf opnieuw aangeleerd, geïnspireerd door mijn dochter. Het begon met podcasts, enkele jaren geleden, omdat ik die kon opzetten bij het wandelen of de afwas. Het maakte wandelingen minder lang en het huishouden minder hersendodend. Daarna ontdekte ik Storytel. In plaats van previews te lezen, luister ik nu geregeld stukjes audioboek. 

Maar nu heb ik een heel nieuwe luisterverslaving: Clubhouse.

Wat is Clubhouse?

Clubhouse is een nieuw socialemediaplatform gebaseerd op audio, alleen audio. Je kan in elke room binnenwandelen en mee luisteren naar gesprekken, die soms heel inhoudelijk zijn, en soms gewoon toogpraat. Als je zelf iets wil vertellen, steek je je handje op en kan je op het podium gaan staan. De app is verbazend intuïtief. Ik vond er ogenblikkelijk mijn weg. Clubhouse is een zeer laagdrempelige manier om sociaal contact te hebben en nieuwe stemmen te horen. Er is geen video. Er zijn alleen een profielfoto, een bio met een beetje tekst en de stem. Ik heb al verschillende mensen met telefoonangst horen zeggen dat ze Clubhouse onverwacht keitof vinden. Ik ook. Hoewel ik dat eerst niet van plan was, heb ik al verschillende keren op een podium gesproken.

Waarom ben ik zo enthousiast over Clubhouse? 

Ik ben al een jaar grotendeels alleen. Ik werk voltijds thuis en woon halftijds met en halftijds zonder mijn kinderen. Ik zie elke week dezelfde mensen (die ontzettend tof zijn, daar niet van), ik heb nog bitter weinig spontane ontmoetingen, hoor geen andere visies op het leven meer aan tafel in de middagpauze of tijdens een babbeltje aan de koffiemachine. Ik loop wat verloren in mijn eigen hoofd. Ik ben elke dag dankbaar dat ik goed alleen kan zijn, maar mijn manier van naar het leven kijken wordt nooit meer uitgedaagd. 

Nu hoor ik weer stemmen, andere stemmen, met andere levens, met andere visies. Ik hoor verhalen zonder ze te hoeven lezen. Ik praat met mensen (al blijf ik meestal in het publiek zitten. Maar dat is oké. Een publiek is altijd nodig. Ik ben graag het publiek). Ik leer bij, aan de lopende band. Omdat we nog met zo weinig zijn, kan ik mijn vragen rechtstreeks stellen aan mensen van wie ik vroeger naar lezingen ging of van wie ik boeken las. Ik moet vaak lachen. Ik ben vaak ontroerd. De verhalen die je op CH hoort, zijn echt en puur. De trollen zijn nog niet gearriveerd, dus mensen verschillen er meestal constructief en respectvol van mening. Op Clubhouse luisteren mensen naar elkaar en dat is zo ontzettend fijn. 

Stemhonger

Ik moet toegeven dat ik het ook wel fijn vind om nog eens ergens deel van uit te maken. Er zitten nog niet zo heel veel Belgen op. Het is een beetje als Twitter in het begin, toen het daar nog gezellig was en niet een arena van over elkaar vallende ego’s die om ter luidst roepen. Ik ben erbij, ik vind dat tof, en ik merk dat de meeste mensen in de Club dat enthousiasme over dit nieuwe dingetje delen. Een journalist van De Tijd bedacht het mooie begrip stemhonger. Wel, blijkbaar ben ik niet de enige met een enorme stemhonger na één jaar corona. 

Ik weet niet wat er met Clubhouse gaat gebeuren eens we weer naar échte cafés mogen en er met échte mensen mogen praten. Ik weet niet wat er met Clubhouse gaat gebeuren eens de trollen de app ontdekken. Maar for now is het reuzegezellig. Kom er gerust bij. Ik heb nog enkele invites staan voor wie wil (voorlopig alleen iPhone weliswaar). Opgelet, het is ontzettend verslavend, ge geraakt er niet meer weg …

Van witte mannen en boeken van vrouwen om niet aan voorbij te gaan – Mijn leesjaar 2020

Dit jaar heb ik 54 boeken (uit)gelezen, ondanks enkele langere leesdips. Daar zat heel wat schoons bij. Enkele hypes heb ik schaamteloos aan me laten voorbijgaan, omdat ik beslist heb om nog zo weinig mogelijk witte mannen te lezen. Ik let daarop, om de simpele reden dat je, als je er niet op let, alléén maar witte mannen leest. Heus waar. Je kan niet alles lezen, en als ik dan kan kiezen, lees ik liever een meesterwerk van een mij tot nog toe onbekende schrijfster dan van bepaalde gevestigde waarden die 20 jaar geleden al op mijn leeslijsten op school stonden. Ik heb overigens, vóór ik hier aandacht voor had, genoeg witte mannen gelezen voor een heel leven.

Girl, Woman, Other – Bernardine Evaristo *****

Zo kwam het dat ik tijd had om Girl, Woman, Other van Bernadine Evaristo te ontdekken, voor mij het Absoluut Allerbeste Boek dat ik dit jaar las. Volgens mij een klassieker in wording. Een heel belangrijk boek. Ik schreef een review van dit boek op Antwerpenleest, nu ik ook stadslezer ben.

Badass woman ook, die Bernadine. Ze heeft Martin Amis, wiens Time’s Arrow ik nog altijd tot mijn lievelingsboeken reken, condescending genoemd, omdat hij vond dat haar boek een prijs won uit politieke en niet uit literaire overwegingen. Als je meer wil weten over het relletje, Google it. Ik ben het eens met Evaristo en beslist niet met Amis. Dit boek is echt Literatuur, neem het maar aan van een kenner.

The Appointment – Katharina Volckmer *****

Dit boekje kwam op mijn radar door mijn favoriete FB-groep Iedereen Leest. Ik beluisterde het op Storytel, maar zal het nog eens moeten herlezen met het potlood erbij. Cynisch, grappig, wreed, choquerend, intelligent, schaamteloos, compromisloos. Hoeveel briljante gedachten kan je in een novelle van een slordige 100 blz. proppen? Ontzettend vaak hardop gelachen met dingen die ik zelf in geen 1000 jaar zou durven uitspreken, laat staan opschrijven. Heerlijk schandaalboek.

Varkensribben – Amarylis De Gryse ****

Een speciale vermelding voor het debuut van mijn oude vriendin Amarylis, waarover ik hier al schreef. Ik ben nu al benieuwd naar haar volgende boek!

Middlemarch – George Eliot (Mary Anne Evans) – nog niet uitgelezen 

Het fijne aan mijn leestempo van dit jaar is dat ik tijd had om zowel mee te zijn met wat dit jaar verscheen als om enkele klassiekers te (her)lezen. Vreemd genoeg kan eens aan een ambitieuze klassieker beginnen me soms uit een dramatische leesdip sleuren. Dit jaar had ik dat bijvoorbeeld met Middlemarch, dat ik nog lang niet uit heb en dat me dus nog vele uren plezier zal bezorgen in 2021. Ik beluister het boek op Storytel, voorgelezen door Juliette Stevenson, die stemmetjes doet zonder dat het ooit grotesk wordt. Hoe ze die vervelende Casaubon laat praten: geniaal gewoon. Ik begrijp helemaal waarom Virginia Woolf dit één van de enige boeken geschreven voor volwassenen noemde en kijk ook erg uit naar de aflevering van Boeken FM die eraan gewijd zou worden. 

De opwindvogelkronieken – Haruki Murakami ****

De opwindvogelkronieken is gedurende 1,5 jaar zo’n beetje mijn ‘safe place’ geweest, mijn favoriete (en minst destructieve) vorm van escapisme. Even vluchten naar die vreemde wereld van vermiste katten en opgedroogde waterputten gaf me altijd weer een beetje adem om met het echte leven om te kunnen. Zelfs wanneer ik er soms een maand niet in gelezen had, zat ik meteen weer in het verhaal als ik het opnieuw oppakte.  

Jane Eyre – Charlotte Bronte *****

Ik herlas ook Jane Eyre, ongeveer een half leven nadat ik het de eerste keer las. De eerste keer was ik de leeftijd van Jane, inmiddels ben ik even oud als de ‘oude man’ Rochester. Dat zorgt ervoor dat ik heel anders naar dit verhaal kijk als toen, maar het blijft absoluut één van mijn lievelingsboeken. Een iets uitgebreidere review schreef ik hier. Aan het schrijven van die review heb ik zelf veel plezier beleefd en dat is eraan te merken.

De meeste mensen deugen – Rutger Bregman *****

Ik heb dit jaar ook best boeiende non-fictie gelezen. Dit boek van Rutger Bregman was een terechte hype begin dit jaar. Ik heb het heel graag gelezen, want het bevestigde mijn mensbeeld. Joepie, ik ben niet naïef. De meeste mensen deugen echt.

Why we can’t sleep – Ada Calhoun ****

Dit boek maakte me erg opstandig, zoals je hier kan herlezen. Opnieuw een review die ik héél graag geschreven heb.

Notes to self  – Emilie Pine ****

Dit boekje zit in de categorie ‘boeken waarvan ik wilde dat ze al bestonden toen ik 14 was’, en ‘boeken die ik al in gedachten hou voor wanneer mijn dochter oud genoeg is’. Mijn dochter, die nu zelf ook leest, overigens. Zien lezen, doet lezen, zeggen ze. Dit beeld is letterlijk hoe ik me het moederschap gedroomd heb voor ik kinderen had:

Hamnet – Maggie O’Farrell – nog niet uitgelezen

Momenteel lees ik een boek dat in heel veel eindejaarslijstjes opduikt en ook bij mij kans maakt om het laatste vijfsterrenboek van dit jaar te worden. Ik zit bijna in de helft en voel nu al dat er traantjes gaan vloeien.

Ik heb natuurlijk nog veel meer goeie dingen gelezen dan wat ik hierboven heb opgesomd. Ik schrijf het hele jaar door reviews op Goodreads en nu en dan ook op Antwerpen Leest. Als je inspiratie zoekt, kan je me daar dus volgen. 

2020 was een goed leesjaar, zoveel is zeker. Naast de mooie momenten met mijn knuffelcontact en de talrijke wandelbabbels met vriendinnen zal ik me van 2020 toch vooral die heerlijke leesuren, in de tuin, in de zetel, in bed, in bad, … herinneren en dat mijn kinderen me soms mijn Kobo komen brengen als ze zien dat ik gewoon ergens zit zónder te lezen.

Op naar een even goed leesjaar 2021 …

De dreiging van normaal

Mijn zoontje kijkt naar de roze wolken en de ondergaande zon: “Wij zijn gelukzakken hé, mama, dat wij dat kunnen zien.” 

Het is eind november. Ze hebben weer een woensdagnamiddag zonder jas kunnen buiten spelen en in de bomen klimmen. We kunnen van 2020 veel zeggen, maar ‘t is heel vaak heel schoon weer geweest. De zon is vele malen prachtig op- en ondergegaan en ik heb er vaker bij stilgestaan. Terwijl ik dit schrijf, valt er weer een magistraal licht op de bomen in de tuin. Zolang de zon blijft shinen zoals ze dat al miljoenen jaren doet, komt alles goed. 

Winterslaap

Mijn jaarlijkse herfstvermoeidheid is erger dan ooit. Ik heb dit jaar te hard gewerkt, me te veel in haarspeldbochten gewrongen om al mijn rollen te combineren. Corona heeft mijn leefritme niet vertraagd, integendeel. Als de village to raise a child helemaal wegvalt, is de druk op de gezinnen hoger dan ooit. We combineren ons een ongeluk, maar alle leuke dingen die de druk van de ketel kunnen halen, zijn geschrapt. Dat eist zijn tol, en dan spreek ik zeker niet alleen voor mezelf.  

Ik wil in winterslaap en niet meer moeten buitenkomen. Dit jaar is het nog verleidelijker om me in de allenigheid te wentelen dan andere jaren. Ik begrijp niet veel van fysica, maar wel dat een lichaam dat in rust is in rust wil blijven en dat een lichaam dat ligt te vegeteren in de zetel, wil blijven vegeteren. Hoe langer de eenzaamheid duurt, hoe moeilijker ze te verbreken. 

Silver blessings …

Het sociaal contact dat ik kan krijgen, grijp ik met beide handen. Ik ben blij dat mijn vriendinnen me naar buiten sleuren, ook als het regent, en dat een avond wandelen, giechelen en schaterlachen me toch weer energie geeft om de volgende dag aan te kunnen. Ik ben blij met mijn wijs gekozen knuffelcontact en de zalige dagen die we al samen hebben doorgebracht. Silver blessings, count your linings … Of zoiets. 

2020 heeft me geleerd om de kleine dingen meer te appreciëren: speeltuinen die open zijn, een glas rode wijn op café, dat soort dingen. Ik dacht dat ik dat al geleerd had door de afgelopen jaren: het verliezen van mijn mama, mijn scheiding en het verliezen van een kerngezin … Maar die zaken zijn individueel, en je kan daar wel dingen uit leren, maar je moet ook gewoon blijven functioneren in een wereld die die wijsheid nog niet verworven heeft. 

Moral fatigue en de dreiging van normaal

2020 is anders. We zijn allemaal collectief en mondiaal in rouw. We zijn allemaal collectief en mondiaal tot in elke vezel vermoeid. Op een podcast hoorde ik een uitstekende uitleg over moral fatigue. Dat pakweg een brood gaan kopen nu veel meer denkwerk vergt dan vroeger: heb ik mijn mondmasker bij, zijn mijn handen ontsmet, hoe lang zal de rij bij de bakker zijn … Wanneer we thuiskomen met ons brood zijn we uitgeput. Dat is normaal, dat hebben we allemaal. De gewone dingen zijn niet meer gewoon. 

De zon die opkomt boven de luchthaven op een willekeurige schoolochtend …

Waar ik het bangst voor ben, nu, is dat we uiteindelijk niks geleerd zullen hebben. Dat we de speeltuinen en dat glas rode wijn op café binnen de kortste keren weer for granted zullen nemen eens dat vaccin er is. Dat we collectief zonder nadenken weer in die rush zullen stappen en de op- en ondergaande zon niet meer zullen zien. Hoezeer ik ook verlang naar een leven waarin ook de leuke dingen weer kunnen en waarin de dreiging van dat virus weg is, ik voel nu ook een enorme dreiging van normaal. En ik heb geen idee wat ik daar als individu tegen kan beginnen. 

Ik neem me alvast één iets voor: blijven kijken naar de roze wolken en de ondergaande zon. 

Wij zijn gelukzakken hé, dat we dat kunnen zien!

Over leesdipjes en Varkensribben

Over leesdipjes

Ik heb dit jaar al 49 boeken uitgelezen. Ik zou het aan de lockdown kunnen danken, maar daar heeft het eigenlijk weinig mee te maken. Nadat ik de eerste maanden van het jaar in een uitstekende leesflow zat, kreeg ik bij het begin van de lockdown net mijn eerste leesdipje. Plots waren alle boeken die nog op mijn to read stonden irrelevant geworden, want wat konden schrijvers tót maart 2020 nu voor zinvols vertellen over de wereld vanáf maart 2020. Het dipje duurde gelukkig niet lang, en natuurlijk blijft alles wat vooraf geschreven is even zinvol. En dan heb ik niet eens alleen over De pest van Camus, het boek dat een ware revival kende voorjaar 2020. 

Die leesdipjes overvallen me om de zoveel maanden en intussen heb ik genoeg levens- en leeservaring om te weten dat ze ook altijd weer voorbijgaan. Er is altijd weer een boek dat me eraan herinnert waarom ik lees. Ik zit momenteel trouwens weer in een dipje. Ik geraak niet door ‘Jaag je ploeg over de botten van de doden’, al vind ik het mooi (maar die astrologie …). Ik geraak niet vlot door ‘The silence of the girls’, al vind ik de premisse goed en stelt de uitwerking geenszins teleur. Ik geraak moeilijk door ‘Mannen die deugen’ van Ivan Jablonka, al is het heel interessant. Ik begon de afgelopen dagen al met ‘Ask again, yes’ en ‘Blue nights’ en ‘Stille sneeuwval’, stuk voor stuk boeken waarvan ik zeker ben dat ik ze goed zal vinden. Ik ben op zoek naar een exemplaar van ‘Geheel de uwe’ van Connie Palmen (iemand?) dat niet meer verkrijgbaar is bij de reguliere boekhandel, en voor mijn nieuwe leesclub moet ik ‘Radetskymars’ beginnen lezen. Nu ik dat zo allemaal opschrijf, besef ik dat het vooral een gebrek aan focus is dat me parten speelt. Mijn springerige, rusteloze brein laat zich weer eens niet vastpinnen op één boek, waardoor ik helaas géén boek lees.

… en Varkensribben

Maar er is één boek dat ik vorig weekend, middenin die leesdip, op een halve dag uitlas. Mijn 49ste boek van 2020. Dat is een heel bijzonder boek. Het is een boek dat ik al wilde lezen toen de auteur en ik elk jaar op 1 september vriendschapsijsjes gingen smullen in Da Vinci, briefjes naar elkaar stuurden via de binnenpost op kamp en giechelden over gele broeken. Mijn lieve, oude vriendin Amarylis De Gryse heeft een boek geschreven! Varkensribben is een veelbelovend debuut over het ‘weg eten’ van emoties, afwezige vaders en de besparingslogica in de zorgsector. 

Ik moest al lachen vanaf de eerste zin (“Zo gaat het leven: je wordt het huis uit gegooid net wanneer je de was zou moeten doen.”) en werd ondergedompeld in een melancholisch sfeertje vanaf de tweede. Zoals ik had verwacht, heeft dit boek de typische tristesse van een Vlaamse roman. Dat is niet slecht, integendeel. Het is tegelijk ook een heel universeel verhaal. Het portret dat Amarylis van de zorgsector schetst is ongemeen hard, maar – helaas – ook realistisch.

Doordat ik het veel te snel uitlas, bleven sommige beelden ‘s nachts door mijn hoofd spoken. Maar wat een beelden! En ook: geuren en smaken. Ik hoorde het sissen van de boter en het ‘applaudiseren’ van de uien. Ik rook de gesmolten boter en het gebraden vlees. Ik waste samen met het hoofdpersonage het rauwe gehakt van tussen mijn vingers. Sommige beelden kwamen heel erg binnen, zoals de wegdrijvende chocolade en wat het hoofdpersonage daar dan bij denkt.

Op het einde bleef ik wat op mijn honger zitten (spoiler alert: je krijgt écht honger van dit boek). Ik had Marieke graag nog wat beter leren kennen. Ik had haar de ‘Vlaamsigheid’ graag zien ontgroeien. Maar dat betekent alleen maar dat ik graag nog veel meer van Amarylis wil lezen. 

Het is misschien niet echt mijn plek om trots te zijn op Amarylis, maar ik ben het toch! En als haar oude leidster mag het misschien ook wel een beetje. Ik ben zo blij dat zij heeft waargemaakt waar we samen van droomden toen we giecheltrutjes waren. Ze is een échte schrijfster geworden, en nog een goede ook.

Gelukkig zijn, dat is …

Afspraken afzeggen wanneer je moe bent en nood hebt aan alleen zijn. My favourite plans are cancelled plans! Ain’t no party like an introvert party, ‘cause an introvert party don’t start. 

Niet bang zijn dat de mensen met wie je had willen afspreken, verdwenen zullen zijn wanneer je weer in buitenkommodus bent. 

Op een zetelavondje dat verdacht veel aan de nakende herfst doet denken in vijf verschillende boeken beginnen lezen, en vrezen dat je in een leesdip zit, of überhaupt niet meer kan lezen, tot het zesde boek je vanaf de eerste paar bladzijden bij je nekvel grijpt. In casu: Jaag je ploeg over de botten van de doden. Die titel alleen al …

Lezen in een stil huis met een slapende kat aan je voeten. Een kat die hier nog maar enkele dagen woont, overigens, maar blijkbaar al besloten heeft dat jij ‘good peoplez’ bent en al spinnend op je schoot springt wanneer jij in je boek aan het lezen bent. Ze heet Minoes. Die naam hebben we niet zelf gekozen, maar Martha vond ‘m mooi. En aangezien ik Crookshanks, Makreel (uit De opwindvogelkronieken), Sir-Sleep-A-Lot of een andere literaire naam niet verkocht kreeg, kan ik me wel vinden in een Annie MG Schmidt-naam. 

Zien hoe je kinderen stralen op de foto’s van het kampje waar ze door allerlei toevalligheden zowat alle kindjes kennen. Heel efficiënt carpoolen met andere ouders voor het brengen en halen van de kindjes, aangezien we elkaar dan toch allemaal kennen. Blij zijn omdat je dus ook elke ochtend en elke avond even een kort babbeltje kan doen met die ene goede vriendin. 

In de auto luisteren naar de grappige/boeiende gesprekjes van zevenjarigen over hoe ouders altijd maar naar het nieuws willen luisteren, en dat zelfs Karrewiet altijd alleen maar nieuws over grote mensen brengt, en of wij nu nog niet weten dat corona gevaarlijk is, want dat is het enige waar al het nieuws over gaat, en ‘jaha corona is gevaarlijk, we weten het al’. Stel je hier gerust het nodige oogrollen bij voor. 

Belachelijk veel dingen moeten regelen en doen, naast een werkweek van 40 uur op een job waar het ook nog eens belachelijk druk is deze periode (wij maken boeken voor het hoger onderwijs, het academiejaar start binnen … 3 … 2 … 1 …), en er dankzij een strakke planning toch in slagen om alles onder controle te hebben. Maar ook net genoeg kunnen loslaten om het niet erg te vinden wanneer je toch eens moet schuiven met het één of ander omdat de kinderen meer te vertellen hadden over hun fantastisch leuke kampje dan je in je strakke planning had ingecalculeerd. 

Trots zijn op jezelf, omdat je ondanks je ADD-chaos-kop toch zoveel onder controle hebt. Mild zijn voor jezelf over de dingen die door de mazen van het net glippen.

Een lekkere koffie maken in de middagpauze en er even bij gaan zitten, in de tuin, met een zalig zomerbriesje in je nek.

Petrichor. 

2020 ontzettend veel leuker vinden dan 2019, ondanks het feit dat het … 2020 is, you know …

Rondfietsen in Antwerpen en beseffen hoeveel je van ’t Stad houdt, zeker wanneer we door de rest van het … nee, door de parking, there, I said it, verketterd worden. Dat dit dorp met kapsones thuis is. Dat je hier graag bent.

Een minikampeertripje van één nacht doen met je bubbel, en dat de foto’s even mooi zijn als het moment zelf was. Het zonde vinden dat het maar één nacht was, maar vooral aangenaam verrast zijn over

  • hoe groot en zelfstandig en behulpzaam onze kinderen worden
  • hoe gehecht ze aan elkaar zijn, ook nadat ze elkaar maanden niet hebben gezien (damn you lockdown)
  • hoe smooth en gezellig alles verloopt

Thuiskomen van het minikampeertripje van één nacht en opgeladen zijn alsof je drie weken vakantie hebt gehad.

 © An Ghysel

Blij zijn met hoe goed de kinderen zich voelen en trots zijn op ons om hoe wij het co-ouderschap aanpakken en hoe we hiermee omgaan, alle vier. Natuurlijk blijft de optimale situatie een kerngezin met twee ouders die elkaar graag zien, maar als dat niet kan, dan is wat wij hebben the next best thing. 

Met een vriendin uit de buitenbubbel een fles bubbels kraken en klinken op het goede post-divorce life. 

Buitenbubbels en bubbels tout court … 

Enzovoort.

Wanneer je kniehoog in de echtscheidingsmodderpoel staat en de overkant amper zichtbaar is, geloof je het niet wanneer mensen je verzekeren dat je weer gelukkig zal worden. Maar het is waar. Je wordt weer gelukkig. 

A day in the lockdown life …

Gelukkig zijn er prachtige zonsondergangen …

Gisterenavond was ik er voor het eerst in wat als vele, lange weken aanvoelt, in geslaagd om de vaatwasser in te laden vóór ik de kinderen in bed stak, zonder dat hier of daar nog een pot bleef staan die er niet meer bij kon. Dat heb ik dan toch al onder controle, dacht ik, niet zonder enige trots. Resten me nog de 1001 andere huishoudelijke karweitjes die ik wel eens zal doen … als ik dood ben ofzo. Maar de afwas heb ik toch al onder controle …

Toen ik een uur later weer beneden kwam van kinderen in slaap te strelen en de dag te overlopen met hen, stelde ik vast dat de keukenvloer een schuimtapijt was geworden. Ik had het laatste restje van de fles afwasmiddel in een bekertje laten lopen, en per ongeluk dat bekertje met afwasmiddel in de vaatwasser gestoken. Moet je dus niet doen. Overal schuim, overal water …

De moedeloosheid overviel me. Ik haalde de nog vuile afwas uit de machine, schepte het water en schuim op met potjes en handdoeken, veel handdoeken, ik hing de handdoeken buiten te drogen, in de hoop dat de zon de volgende dag tenminste dat werk van me zou overnemen (alle beetjes helpen), liet de vuile afwas staan onder het motto: ‘future Sofie will solve this’, en schonk me een glas wijn uit om nog even van de rust in de tuin te genieten.

Nu ja, rust. De ring overstemt sinds een week of twee weer het ruisen van de wind, en de sirenes herinneren me er weer elke avond aan dat ik echt wel in ’t stad woon, hoe groen mijn eigen tuintje ook moge zijn. De voordelen van de lockdown zijn opgeheven in naam van de Heilige Economie. De nadelen mogen we houden, bedankt en tot ziens.

Zelfs telewerken met kinderen in huis went op den duur, al vraag ik me af of het de gewenning is van de kikker in het water dat langzaam aan de kook wordt gebracht. We doen dit al 11 weken. Werken, eten maken, tafel dekken, eten geven, tafel afruimen, werken, endless repeat … De micro tijdens een vergadering snel op mute zetten, vlak voor het kind roept: ‘ik heb kaka gedaaaaaaan’. Je afvragen waar ze in godsnaam die blokfluit vandaan hebben die je nog nooit hebt gezien en die ze tijdens een andere meeting uitgebreid uittesten. En waarom ze altijd net van een stoel af vallen of tegen de tafel knallen wanneer er een collega belt. Gooi er dan nog wat preteaching tegenaan, en vraag dan nog eens waarom we moe zijn… 11 weken overleven, 11 weken ter plekke trappelen, in overdrive. 11 weken!

Ik lever elke dag vrij goed werk af en ben elke dag een lieve, aandachtige, empathische moeder voor mijn kinderen. (En soms ook niet.) Ik geef ze eten en beredder het huishouden. Ik blijf maar gaan. Stoppen is gevaarlijk, want ik ben bang voor wat er gebeurt als ik toegeef aan de vermoeidheid. Ik doe mijn best om er ook wat rustmomenten en zelfzorg tussen te proppen, maar als die 24 uur op zijn, zijn ze op.

Ik koester nog steeds de mooie momenten. Dat mijn kinderen elkaar na 11 weken samen spelen nog niet beu zijn, integendeel. Dat ze dingen blijven verzinnen. Dat ze blijven leren. De vrijheid om ’s avonds om 20 uur nog een wandeling bij zonsondergang te maken met ons drietjes. Samen een film kijken met vers gepofte popcorn. Na schooltijd ijsjes scheppen voor mijn eigen kinderen, het ‘bubbelgenootje’ van mijn oudste en haar zus, de kinderen horen spelen op de stoep, terwijl ik nog even kan werken. De verbondenheid met mijn kinderen. De kleine gesprekjes die me elke dag doen lachen. Ik koester ze. Echt. Maar ik ben ook moe. Heel moe.

Ik heb vakantie nodig. Ik moet nog anderhalve maand wachten voor mijn twee weken zomervakantie. En ik heb niet meer genoeg verlof om zomaar eens een dag te nemen.

Ik wil niet klagen. Maar ik weet ook dat ik niet de enige ben die uitgeput is, integendeel. Als ik klaag, is het niet omdat ik medelijden wil van mensen die niet in deze situatie zitten momenteel. Ik klaag, omdat ik aan de vele mensen die wél in deze situatie zitten, wil zeggen: je bent niet alleen. We zijn moe. We zijn overspannen. Het is normaal. Het is oké. En we doen het toch maar! Goed bezig, jij, ik, wij!

En nu maar hopen dat volgende week ook de kleuters weer naar school kunnen en dat ik mijn vloer misschien eens strijkparel- en Legovrij genoeg krijg om de poetsvrouw terug te laten komen …

Hoop doet leven. Ofzo.

Verdwalen in de regen

Moederdag vandaag. De zoveelste – ik tel ze niet meer ­­– zondermoederdag. De eerste zonder kindjes. Die waren bij hun papa vandaag. Toch had ik het minder lastig met moederdag dan andere jaren, zolang ik de sociale media wat meed. Ik kocht een meringue voor mezelf en at ‘m lezend op in de tuin onder een waterachtig lentezonnetje. Ik verdronk in het prachtige verhaal van het moerasmeisje, waarin naast haar ook de natuur een hoofdrol speelt. Toen ik bijna moest huilen van ontroering besloot ik dat ik het boek niet in één ruk zou uitlezen, maar even zou gaan fietsen alvorens het alsnog vandaag uit te lezen. Donkere wolken pakten zich dreigend samen aan de hemel, maar dat deerde niet. Fietsen in de regen is heerlijk als je weet dat daarna een warme douche op je wacht. Ik was op zoek naar een rozenautomaat waar ik al tientallen keren ben langsgefietst op mijn ritjes naar Borsbeek, Mortsel, Boechout en Hove, maar die ik nog altijd niet kan vinden als ik hem zoek. Ik volgde mijn gevoel en sloeg af waar de bomen het mooist waren en de vogels de mooiste melodietjes floten. Een man riep me iets toe en wees naar de lucht. Ik weet het, dacht ik, het gaat regenen. Toen kwam ik plots in een wandelzone terecht die ik nog niet kende. Ik was benieuwd, zou dat wandelpad niet uiteindelijk ook richting mijn huis leiden? Ik besloot even te negeren dat mijn oriëntatiegevoel me altijd de verkeerde richting uitstuurt en volgde de paadjes naar weer een bos dat ik nog niet kende. Het begon te regenen, steeds dikkere druppels en dan zelfs hagel. Ik trok mijn regenjas aan en verdwaalde verder, aan de rand van een bos in de gietende regen. Als ik de spoorweg volgde, zou ik uiteindelijk wel thuis uitkomen, dacht ik. Alleen wist ik totaal niet meer aan welke kant van het spoor ik me bevond. Het regende steeds harder en ik was doornat, maar de regen geurde heerlijk en het felle lentegroen stak prachtig af tegen een donkergrijze hemel. Ik volgde de spoorweg tot die een andere en weer een andere kruiste en ik echt geen idee meer had waar ik was, behalve dat het niet heel ver van huis kon zijn. Toen zag ik een bekend punt. De weg naar huis was eenduidig, rechtdoor en kort. Maar ik koos toch weer een andere omweg, want eenmaal je doorweekt bent, kan je niet nog natter worden. Ik fietste nog een ommetje om mijn favoriete fort heen en verbaasde me weer eens over al het groen dat deze plek te bieden heeft. Onder bruggetjes stonden mensen te schuilen, gezwind fietste ik hen voorbij, terwijl het water van mijn regenjas naar beneden gutste. Eenmaal thuis trakteerde ik mezelf op een warme douche en dito chocomelk. Verdwalen in de regen, op een plek waar je eigenlijk niet echt kan verdwalen, is het dichtste bij geluk dat een mens kan komen.

IMG_20200510_162040877_BURST001

Op verlof in mijn hof

Er zijn de dagen dat ik moet werken …

Die zijn waanzin. Als je met cortisol elektriciteit kon opwekken, kon ik de hele straat van licht voorzien.

Hoe langer dit duurt, hoe minder mijn kinderen, en zeker mijn jongste, het kunnen verdragen dat ik aanwezig ben maar niet beschikbaar. Ik kan me daarin inleven, natuurlijk kan ik dat. Zo’n moeder die met een doodse blik naar een lichtbak zit te staren terwijl jij loopt te mekkeren dat je je verveelt, ik herinner me nog exact hoe frustrerend dat was. Mijn werk vergt een zekere concentratie, maar een tekst lezen over het Belgische en Europese mededingings-, consumenten- en handelspraktijkenrecht, terwijl er in dezelfde ruimte strijkparels worden rondgestrooid en er ruziegemaakt wordt over wie het eerst dit of dat vormpje wilde gebruiken, dat is op zijn zachtst gezegd een uitdaging. Elke ochtend neem ik me voor om vandaag RUSTIG te blijven. Elke avond troost ik mezelf met de gedachte: morgen een nieuwe dag, een nieuwe kans … Ik heb maar één meeting van ongeveer een uurtje per week (hashtag ilovemyjob), maar ‘mama moet nu even vergaderen’ lijkt voor mijn jongste de trigger te zijn om al zijn kleren uit te doen en te roepen dat ik hem NU weer moet aankleden of om op endless repeat om een snoepje te komen zeuren. De muteknop in MS Teams weet ik staan met mijn ogen dicht; die van het kind heb ik helaas nog niet gevonden. Op het einde van zo’n werkdag ben ik waarlijk uitgeput. Die spreidstand is niet uit te houden. Maar op één of andere manier blijven we het toch maar doen.

 

En er zijn de dagen dat ik niet moet werken …

Die zijn heerlijk. Ik gedij goed in lockdown. Het is introvert heaven. Ik ben op verlof in mijn eigen hof.

Ik zag het lente worden in de tuin. Een grote, oude berk in de tuin van de buren van mijn buren was enkele weken geleden nog kaal. Op slechts enkele nachten kreeg hij een dikke kruin van frisse groene blaadjes die met volle overgave ruisen in de wind. In de boom in onze tuin zoekt een koolmees zingend een vriendje; we kijken ernaar tot onze nek er pijn van doet. We zien blauwe, witte en oranje vlinders. We zien en horen eksters, duiven, koolmeesjes en merels. We picknicken bijna elke dag, vaak buiten, soms binnen. Vanop het dak kijken we naar de maan en naar Venus. Ik zag starlink al twee keer passeren, maar wist pas de tweede keer wat het was. Ik ging fietsen en zag de zon ondergaan in de Schelde. (“De zon gaat niet onder, dat is gewoon de aarde die draait, mama”, zegt mijn wijsneus-dochter dan.) Ik maakte een dauwtrip en zag de zon opkomen in het natuurgebied op enkele kilometers van mijn voordeur. Terwijl het lente werd in de tuin maakten we van een troosteloze buitenmuur heel impulsief een kleurig kunstwerk dat me elke dag weer vrolijk maakt. We tekenen en schilderen en kleuren erop los. Het huis ligt vol stiften, potloden, pennen en penselen. Alles wat ik ooit niet heb weggegooid, komt plots van pas. De muren zijn museumwanden geworden. Ik vind elke dag nieuwe tekeningen. Ik heb het puzzelen herontdekt, hoewel dat sinds mama’s laatste week zoiets beladen is. Terwijl mijn dochter en ik over een puzzel gebogen zitten, vertelt ze honderduit. Mijn zoon en ik hebben samen een hondje gestrijkpareld. Ze stellen me 1001 vragen per dag, over de sterren, de planeten, de vogels en Kulderzipken; de meeste kan ik niet beantwoorden. Niettemin leren we elke dag ontzettend veel bij. We leven ons uit. We leven. We zijn intens verbonden met elkaar. Ik ben nooit eerder zo in het reine met mezelf geweest als nu. De creativiteit en de leergierigheid die heersen in dit huis, die wil ik nooit meer kwijt.

Ik ben tevreden. En ik wil niet meer terug naar het gewone leven.