Auteursarchief: Sofie

Zondag 9 februari – 6 jaar later

“Liefde is alles, wat er blijft wanneer de rest verloren is” (Bart Peeters)

Zondag 9 februari 2014

Ik zat in de zetel, onder een dekentje, met een boek. Het huis was opgeruimd. Op het vuur stond een grote pot paprikasoep. Boven deden mijn man en mijn baby een middagdutje. Volmaakt huiselijk geluk. Eenvoud. Alledaagsheid. Geluk op zijn dirkdewachters. Meer moest het echt niet zijn voor mij.

Toen belde mijn zus.

Mama was gevallen, maar ze herkende hen nog. Wat die mededeling betekende, drong maar traag door. Het ‘nog herkennen’ was als geruststelling bedoeld, maar benadrukte natuurlijk meteen de ernst van de situatie.

Ik heb het kookvuur dichtgedraaid – de paprikasoep zouden we enkele dagen later integraal moeten weggooien – en ben mijn man gaan wekken. ‘Mijn moeder heeft een beroerte gehad.’ Van slaap naar schrik.

We zijn vertrokken, naar Zuienkerke. Hij reed, ik panikeerde. Nu en dan vroeg hij bezorgd aan mij of het ging.

Daarna waren er dagen van onzekerheid, van lange gesprekken met elkaar en met dokters, van wapperen met het kladblaadje waarop ze haar negatieve wilsverklaring had voorbereid, van moeten beslissen of we haar lieten opereren of haar hersenen zouden laten ontploffen in haar hoofd. De neuroloog besliste om haar te opereren, maar deed ons geloven dat we er inspraak in hadden; de intensivist zei de dag nadien dat het niet ethisch was om iemand met zo’n zwaar hersenletsel nog een levensreddende operatie te laten ondergaan.

Er was schuldgevoel omdat we haar misschien veroordeeld hadden tot het leven dat ze met die negatieve wilsverklaring net wilde vermijden, er was angst voor wat komen zou, er was hoop, veel hoop, me sterk houden, de oudste dochter zijn, me sterk houden, zorgen voor mijn kind en mijn moeder, me sterk houden, samen zijn met broer en zus, me sterk houden, pas instorten wanneer mijn baby ook nog eens de waterpokken kreeg die week, hopen, hopen, hopen.

Daarna volgde nog anderhalf jaar van hoop en onzekerheid. Ze revalideerde, intensief, en vanuit wetenschappelijk oogpunt vrij succesvol. Ze leerde stappen op haar verlamde been, kon zichzelf aan- en uitkleden, kon zich middels gebaren verstaanbaar maken. Maar vanuit menselijk oogpunt had ze geen leven meer.

En toen stierf ze alsnog. Glimlachend.

Zondag 9 februari 2020

Intussen zijn we zes jaar na die fatale zondag negen februari. Ik heb geen moeder meer. Ik heb geen man meer. Ik heb twee kinderen. De baby met de waterpokken is inmiddels een zesjarige wijsneus geworden die mij op de hoogte houdt van de Brexit en het Coronavirus. Het jongetje dat toen alleen in mijn dromen bestond, is nu een lieve, slimme en o zo schattige vierjarige dromer.

Er is veel gebeurd sinds die vorige zondag 9 februari. Ik heb veel om van te herstellen en ben daar nu volop mee bezig. Het gaat moeizaam, maar ik probeer mezelf de tijd te gunnen. Tijd, dat kostbare goed waarvan er altijd te weinig is en dat je als werkende mama maar ergens bijeen moet zien te schrapen.

Ik probeer weer een beetje meer op zijn dirkdewachters te leven en mijn kinderen dat voor te leven. Er zijn weer momenten van volmaakt huiselijk geluk, in dit huis dat nooit meer helemaal opgeruimd geraakt.

De afgelopen dagen waarde de griep door dit huis. Het jongetje had hem het zwaarst te pakken, maar het meisje en ik voelden ons ook niet al te best. We hebben veel in de zetel gezeten, onder metersbrede fleece dekentjes, tegen elkaar genesteld. We keken tv, tekenden, puzzelden en lazen, met zijn drietjes. Niks ging en niks moest. Het jongetje grinnikte bij het grote boek van kleine beestjes, en droeg me na drie dagen zonder eten op om spaghetti te maken. Het meisje wilde alleen maar met mama knuffelen en kreeg een briefje van de maan, dat alleen zij en haar broertje konden zien. Een vriendin klopte op het raam, zei dat ze in de winkel aan me moest denken, en gaf me een pot paaslelies, omdat ze weet wat vandaag voor me betekent. We vieren straks de verjaardag van mijn metekindje, het dochtertje van een lieve vriendin die ik veel te weinig zie, maar die me elke dag onvoorwaardelijk steunt en graag ziet, en dat al twee decennia lang.

De afgelopen zes jaar ben ik veel verloren. Maar er zijn zoveel mensen in mijn leven die me optillen en dragen, die dit rommelige, onvolmaakte leven ontzettend mooi maken. Liefde is alles.

Meer moet het echt niet zijn voor mij.

Waarom we niet kunnen slapen …

Net uitgelezen: Why we can’t sleep van Ada Calhoun

Why_We_Can't_Sleep_(Ada_Calhoun)

Er zijn twee problemen met dit boek.

1. Het maakt mij opstandig. Woedend zelfs. Het maakt me nog feministischer dan ik al was, en ik was al behoorlijk overtuigd.
2. Alleen vrouwen gaan het lezen, want het gaat over vrouwen, en er zijn twee soorten boeken op de wereld: mensenboeken en vrouwenboeken.

Ik liep rond met het idee om een blogpost te schrijven over alle manieren waarop ik de afgelopen jaren slaap ben verloren en hoe ik ook op te weinig slaap toch min of meer ben blijven functioneren al die tijd. (Correctie: hoe ik AL die tijd UITSTEKEND ben blijven functioneren.) En toen kwam plots dit boek op mijn radar. Dat moest ik dan natuurlijk wel even lezen.

Strikt genomen ben ik te jong om tot Generation X te behoren en voor een midlife crisis is het nog te vroeg. Ook heb ik voorlopig gelukkig nog geen (peri)menopauze om me zorgen over te maken, al vind ik het wel goed om te weten wat me nog te wachten staat over een paar jaar. Maar ik voel me ook te oud om een millennial te zijn en veel van wat Ada Calhoun in haar boek schrijft, is wel ontzettend herkenbaar voor een vrouw die ergens tussen Generation X en Y in zweeft: sandwichen tussen zorg voor kinderen en ouders, check, te moe zijn om te werken door zwangerschap, PMS, maandstonden, maar dat verbergen, omdat we nog niet geëmancipeerd genoeg zijn om toe te geven dat vrouwen dit ritme niet kunnen volgen, check, de ene dag ontzettend opgelucht en bevrijd zijn door je scheiding, en de volgende dag verstikt worden door angst voor de toekomst, check.

Ook check: niet slapen, en toch gaan werken, blijven opstaan en doorgaan, en als je dan toch even gas terug moet nemen, omdat het even echt allemaal te veel is, je in duizend bochten wringen om daar een fysieke oorzaak op te kleven, omdat je niet de indruk wil wekken dat je niet stressbestendig bent.

Ik? Niet stressbestendig? Give me a break!

We blijven maar doorwerken aan een rotvaart, onder een steeds stijgende tijdsdruk, en intussen blijven we ook nog gewoon glimlachen en niet toegeven dat het misschien allemaal niet zo haalbaar is als we graag doen uitschijnen. En we slikken nog wat antidepressiva of slaan een paar glazen rode wijn achterover, en rennen verder mee in een wereld die op maat van mannen gesneden is, waarin van vrouwen verwacht wordt dat ze kinderen opvoeden alsof ze geen jobs hebben en werken alsof ze thuis een vrouw hebben die voor hun kinderen zorgt.

I want an American Wife, citeert Ada Calhoun ergens in het boek. Ik wil een vrouw die voor mijn kinderen zorgt, terwijl ik ga werken. Ik wil iemand die achter me opruimt en poetst en alles regelt wat geregeld moet worden. Ik doe het allemaal. En het is veel. Het is echt veel. Ik maak lijstjes en begin dan een bullet journal om die lijstjes niet te verliezen. Ik luister naar podcasts van vrouwen die andere vrouwen willen helpen om het allemaal beter de baas te kunnen. (Supergoeie podcast trouwens.) Maar het zijn allemaal lapmiddeltjes voor een ernstige systeemfout.

Ik ben 35 en voel me soms 53. Ik ben moe. En ik doe mijn best om gewoon gelukkig te zijn, om gewoon blij te zijn met wat ik wel heb. Maar dit ritme is niet vol te houden. Het is ploeteren en spartelen om boven te blijven. Het is niet eens een kwestie van ‘te veel’ willen. Het enige wat ik wil, is: een beetje tijd, een beetje zelfontplooiing en genoeg geld om drie monden van te voeden. Zoveel is dat niet, vind ik. Maar om dat beetje geld te verdienen om drie monden van te voeden, moet ik wel acht uur per dag betaalde arbeid doen, en daarnaast nog minstens drie uur per dag onbetaalde arbeid (huishouden en zorg), en zoveel tijd voor zelfontplooiing blijft er dan helaas ook niet meer over. In de ideale wereld zou ik mijn zelfontplooiing in mijn werk vinden, maar de wereld is niet ideaal, en ik heb vooralsnog nog niemand bereid gevonden om mij te betalen voor mijn sterkste competenties, namelijk mijn empathie en mijn inzicht in hoe de wereld vierkant draait.

Een prachtige metafoor in het boek is deze: als je aan een vrouw vraagt of ze liever kip of vis eet, maar de kip ligt op een berg en het regent, en de vis ligt vlak voor haar neus in een tent, kan je dat dan beschouwen als een keuze? En mag je dan echt zeggen dat vrouwen liever vis dan kip eten, omdat ze biologisch gezien gemaakt zijn om liever vis te eten?

We hebben keuzes, ja, but then again, we don’t.

Stel je eens een wereld voor waarin vrouwen niet voortdurend het gevoel hebben dat ze ‘niet genoeg’ zijn. Stel je eens een wereld voor waarin vrouwen over hun eigen grenzen waken, collectief. Stel je eens een wereld voor waarin vrouwen zich niet voortdurend schuldig voelen.

De motor van de economie is het schuldgevoel van vrouwen.

Ik vind dat het tijd is voor een vrouwenstaking, een echte. Het is godverdomme tijd om in opstand te komen.

Vluchten kan niet meer

Ik mis mijn kinderen nu al, al zaten ze vanmiddag nog tegen me aan geplakt en steek ik ze vanavond alweer in bed. Maar dat het nu echt feitelijk is, dat ze soms bij hem zijn, en soms bij mij, dat doet echt heel veel pijn. Het is een pijn waar ik door moet en die niemand voor me kan oplossen. Het is een ander soort van rouw dan het verlies van mijn moeder en toch is het ergens heel erg vergelijkbaar. Hoewel ik rationeel weet dat het gezien de omstandigheden de best mogelijke uitkomst is, weet ik soms niet waar kruipen van de pijn. Huilen kan fysiek pijn doen, ja. Ik huil in het holst van de nacht soms luid schreeuwend als een kind dat zijn moeder wil. Schrap ‘als’. Ik wil mijn moeder.

Geen wonder dat we allerlei mechanismen bedacht hebben om niet alleen te moeten zijn met onze pijn. Het is zeer onaangenaam om tegen jezelf aan te knallen. Maar het is ook de enige manier om erdoor te gaan: zelf, alleen, hard. Vluchten kan niet meer. Dus ik ga er nu bij ‘zitten’, bij die vreselijke pijn. En wanneer alle mensen van wie ik zou willen dat ze me opvangen en erkennen de revue passeren in mijn hoofd en niemand volstaat om dat gat te vullen, weet ik: ik moet het zelf doen. Dit moet ik zelf doen.

The hard way …

 

Dit schreef ik een tijdje geleden, één van de eerste keren dat zij met hun papa iets gingen doen waar ik niet bij was. Het is niet noodzakelijk hoe ik me vandaag voel. Het is wel hoe ik me soms voel. Want hoe liefdevol we ons ook omringd weten, in de donkere uren van de nacht zijn we allemaal alleen met onze angsten en verdriet. Maar ook na de donkerste nacht komt altijd weer de zon op. Zo.

Klein geluk #11 ofte hoe Bart Peeters de soundtrack van 2019 werd …

IMG_20190828_223512461

In december 2018 keken we samen naar Dag Sinterklaas. Dat het de laatste keer zou zijn dat ik met twee goedgelovige kinderen naar Dag Sinterklaas zou kijken, wist ik toen nog niet. Wie verwacht tenslotte dat een zesjarige tijdens de warmste dag ooit in ons land naar buiten zal zitten staren en plots vragen: ‘mamaaaaa, die cadeautjes die Sinterklaas brengt, koop jij die?’ Zomaar. Ik was totaal onvoorbereid, ha ja, want ze is zes, en het was 40° buiten. Bon, deze schaamteloze mamastoef even volledig terzijde.

In de periode dat we dus naar Dag Sinterklaas keken, speelde op een dag Heist-aan-Zee op de radio, en ik zei: ‘Martha, luister, dat is Bart van Dag Sinterklaas’. Ze wilde het opnieuw horen, en opnieuw, en toen wilde ze ook de andere liedjes van Bart Peeters horen, en sindsdien is dhr. Peeters by far de meest grijsgedraaide artiest op mijn Spotify, als in: in dat ene jaar heb ik meer naar Bart geluisterd, dan in het hele afgelopen decennium naar Eels, Damien Rice, Het zesde metaal en zelfs Tom Waits. Ach, er zijn ergere dingen in het leven. K3 bijvoorbeeld, of Niels Destadsbader. 

Martha kent al zijn liedjes en zingt ze woord voor woord mee. We discussieerden of de decadentie nu met natte lippen op de vloer dan wel op de loer lag, en ze vroeg wat decadentie dan wel was. Ik wees naar haar vrijwel onaangeroerde bord, en zei: dát is decadent, op restaurant gaan en maar twee happen eten. We zongen mee met ‘ik stuur je mijn hart in een bol.com-doos’, ‘ik trakteer alle clochards op bier en op drugs’ en ‘waarom de waanzin het verstand versloeg’. Ik heb voorlopig gelukkig nog niet moeten uitleggen wat ‘marina’s die al van diepgang spreken als je hen zonder boe of ba langs achter pakt’ betekent, maar ik hou mijn hart al vast.

Deze zomer wilde ik haar verrassen met een concert van the man himself, en toen ik haar vertelde dat we naar Bart Peeters zouden gaan, zei ze: ‘mama, dat is het beste cadeau dat ik ooit gekregen heb!’ Dus wij op een mooie zomeravond naar het mooiste openluchttheater van ’t land, een meer idyllische locatie voor je eerste grotemensenconcert bestaat er niet, denk ik. We waren een uur te vroeg, zodat we een plekje hadden met goed zicht op het podium en het eerste uur dat we er waren, vroeg Martha minstens om de 20 seconden hoe lang we nog moesten wachten. Zenuwachtig wipte ze heen en weer op mijn schoot. Tot plots de meester op het podium verscheen, en Martha met grote bewonderende ogen naar hem keek, en meezong met de liedjes die ze al honderden keren heeft gehoord.

Kijk, ik dans niet gemakkelijk op andere plekken dan mijn eigen living en bij andere mensen dan mijn eigen kinderen, maar stilzitten wanneer díe man op een podium staat, is zelfs voor mij geen optie. Wat een show, wat een avond. En zo romantisch ook, met mijn meisje van zes in dat prachtig verlichte Rivierenhof. Een avond om nooit te vergeten. En ik denk niet dat ik er de volgende zomers mee weg kom om níet te gaan.

Er zit hoop in puinhoop

Mijn leven is een beetje een puinhoop momenteel. Ik heb er goede hoop op dat ik die weldra opgeruimd krijg, maar hoop alleen zorgt nog niet voor een goed leven. Ook wanneer je bijna geen invloed hebt op je omstandigheden, heb je nog altijd invloed op hoe je met die omstandigheden omgaat. Emotioneel volwassen zijn, dat is: zelf verantwoordelijkheid nemen voor hoe je je voelt. 

Dat betekent niet dat ik geloof in de dictatuur van het positieve denken, ‘smile or die’. Ik vind absoluut niet dat je alle leed van de wereld moet kunnen dragen, zonder er ooit over te mogen klagen. Integendeel, ik voel me net gedragen en geliefd omdat ik mensen om me heen heb tegen wie ik naar hartenlust mag klagen, en die weten dat zij dat ook tegen mij mogen. Ik geloof ook niet dat elke ochtend in de spiegel naar jezelf glimlachen één of ander geheim recept voor geluk is, al kan het ook geen kwaad, en is het zeker goed om jezelf te trainen in positiever over jezelf denken. En er zullen ook altijd mensen zijn die je kwetsen en die je raken, hoe je ook je best doet om je eigen grenzen te bewaken. 

Maar ik geloof wel dat je het verdriet kan accepteren als deel van het leven. Dat pijn gewoon  eigen is aan menszijn. Als je met mildheid en acceptatie naar zowel pijn als naar vreugde kan kijken, dan leef je volgens mij echt. Zo kan ik soms huilen alsof het nooit meer zal ophouden, maar dan zeg ik niet meer tegen mezelf: stop nu met trunten, Sofie. Ik huil gewoon tot het op is. En het volgende moment kan ik even goed oprecht genieten van een koffie, het herfstzonnetje en twee spelende kinderen, zonder te denken: geniet maar niet te hard, Sofie, want voor je het weet, gaat alles weer om zeep.

Gelijkmoedig leven, zonder de pieken na te streven en er de dalen dan maar bij te nemen. Mildheid. Acceptatie. Mens zijn.

Maar ook blijven hopen. Uiteraard.

Ik ben tenminste geen ezel

Praat je soms met je moeder, vraagt ze.
Soms, zeg ik, maar altijd per ongeluk.

Vorige week wandelde ik naar de broodautomaat. Op de heenweg stapte ik middenin een diepe regenplas en kletste het water vol in mijn schoen. Aaargh, riep ik, en ik vervolgde mijn weg met één natte en één droge voet. Toen ik tien minuten later, diep in gedachten verzonken en met een brood voor morgenvroeg in mijn handen, weer aan dat plein passeerde, zette ik mijn andere, nog droge voet middenin in exact diezelfde plas. Aaargh, riep ik, en toen zei ik hardop: “maar ik ben tenminste geen ezel hé, mama”, waarop ik angstig om me heen keek of er niemand in de buurt was die gehoord kon hebben dat ik tegen mezelf sprak. Er was geen levende ziel te bekennen op het donkere, natte plein; alleen ik, met twee natte voeten en een brede grijns.

Wonden likken

Ik ben ‘wettelijk gescheiden’. Zo schreeuwt mijn loonbrief me voortaan elke maand toe, tot ik het ‘wettelijk gescheiden’ zijn ‘opgelost heb’, wat geenszins mijn eerste prioriteit is. Alsof de wonde nog niet diep genoeg is zonder dat er zout in wordt gestrooid.

Wonden likken. Dat is wat ik de eerstkomende tijd zal doen. Mezelf oprapen en van de grond weer opbouwen. Het was mijn beslissing, en dus heeft het me veel tijd en moeite gekost om aan mezelf te erkennen dat ik diepe wonden te likken heb, dat het me zoveel verdriet doet. Want dat doet het, altijd. Zeker als er kinderen zijn, want welke ouder wil zijn kinderen nu verdriet doen? Het was mijn beslissing, maar het was niet mijn keuze. Dat legt zij heel mooi uit. Niemand kiest hiervoor, echt niet. Maar ik moest wel.

Ik was mezelf kwijt. Ik kon niet meer met mezelf door één deur. En als ik mijn kinderen wil voorleven dat ze het recht hebben om zichzelf graag te zien, kon ik niet anders dan het hen ook effectief voor te leven.

Maar het doet pijn. O ja.

Mijn leven is een puinhoop. Het ligt in de lappenmand. Er is verwaarlozing all around. Niet de kinderen, geen zorgen. Maar het huis en ikzelf. Twee ruïnes die ik steentje per steentje terug moet opbouwen nu. Maar ook, misschien wel voor het eerst, het gevoel dat ík het waard ben om die ruïne voor op te bouwen.

Wonden likken.
Mezelf weer opbouwen.
En dan: voorleven wat ik mijn kinderen wil meegeven.
Hou van jezelf.
Kies voor je eigen geluk.
Leg dat niet in iemand anders zijn handen.
Je bent het waard.
You do you.

“Vanavond weet hij het. Mensen zouden uit elkaar moeten gaan voordat ze op dit punt belanden. Waar zij zijn beland. Want anders blijft er te veel verdriet achter.
Dat gebeurt echter niet. Je gaat tot het uiterste, je gooit alle shit eruit, ook de shit die jullie niet ten deel valt, die uit de afvoerkanalen stroomt van een heel gebouw, van een hele stad, van alle stellen die voor jullie uit elkaar zijn gegaan, tegelijkertijd met jullie. Want in die ondergrondse kanalen praat al die shit met elkaar en vraagt elkaar om raad. Alle stellen die uit elkaar gaan kruipen in hetzelfde gat, maken hetzelfde rondje door het spookhuis.”

Uit: Margaret Mazzantini, Niemand overleeft alleen

Mandarijnen na Sinterklaas

Ik ben het eens met Maarten Boudry. Het kost me enige moeite om dat op te schrijven. Ik vind Maarten Boudry eigenlijk maar een filosoofke van niks, een prutsfilosoofke. Zo één die aan de zijlijn van het leven staat met niks om handen en heel veel tijd om de zaken te overschouwen, maar die er dan nog niet in slaagt om met originele ideeën te komen, en wiens ideeën bovendien vaak grossieren in kortzichtigheid en blinde vlekken. Maar nu ben ik het eens met hem. Hij zegt dat liegen over de goedheilig man uit Spanje een schending is van het vertrouwen van kinderen in hun ouders en alle andere volwassenen. Kort samengevat. Hij maakt er natuurlijk heel veel meer woorden aan vuil.

Alleen, ook dit is weer geen origineel idee, want terwijl het filosoofke aan de zijlijn van het leven dat briljante ideetje staat te ontwikkelen, lopen moeders aller landen (ja, vaders ook, ja) tegen het concrete probleem aan, en ze lossen dat op. We hebben het er inderdaad moeilijk mee, want we willen onze kinderen onvoorwaardelijk opvoeden, met zo weinig mogelijk ge-‘als-dan’, zonder straffen en belonen. Maar dan is er dat verhaaltje van die goedheilig man die alleen maar cadeautjes brengt ALS je flink bent. Het is overigens niet waar, want er is geen kind dat altijd flink is, en ze krijgen toch allemaal cadeautjes. En dat je zus of zo moet doen, want ANDERS, ho maar, anders komt de Sint misschien niet.

Wij ouders dus, wij lopen tegen dat probleem aan. We willen helemaal niet dat onze kinderen in het gareel lopen omdat anders – ANDERS! (denk hier vooral een dreigende vinger bij) – een oude bisschop zich zal wreken. We geloven in intrinsieke motivatie en zelfsturing. We geloven dat kinderen vooral moeten doen wat ze zelf willen doen, en dat ze zich niet moeten onderwerpen aan wat anderen van hen verwachten, en al helemaal niet als die anderen oude, witte mannen zijn, die zich in een ivoren toren ver weg van het echte leven ophouden. We willen niet dat ze even braaf zijn als wijzelf, want we ondervinden daar elke dag de negatieve gevolgen van. We hopen vooral dat onze kinderen leren om een beetje meer hun eigen goesting te doen dan wij dat doen. We hopen dat onze kinderen vooral niet té flink zijn.

Dus we vertellen een ander verhaal. De Sint brengt gewoon cadeautjes omdat dat leuk is. Punt.

Er zijn ouders van kinderen die zelfs meteen open kaart spelen, omdat ze merken dat de angstcultuur rond het Sinterklaasgebeuren meer kwaad dan goed doet. En opgelucht dat die meestal heel gevoelige kinderen dan zijn, wanneer ze horen dat er niets is om bang voor te zijn, want dat alle volwassenen gewoon aan het liegen waren, wat op zich iets is om veel banger voor te zijn.

Maar ook horen we onszelf alle onvoorwaardelijkheid ten spijt wel eens dreigen met het Spiekpietje op de kast wanneer we weer eens te laat dreigen te komen op school, omdat het kind niet luisteren wil. Want zo is het leven, complex. En als je in het echte leven staat, is het onmogelijk om consequent te zijn. Dat zouden die oude, witte bisschoppen nog van ons kunnen leren. Ook als volwassene is het onmogelijk om altijd flink te zijn. En ook dat willen we onze kinderen leren. Dat wij zelf fouten maken. En dat dat mag. Dat we niet geloven in Spiekpietjes op de kast, maar dat we ze soms toch niettemin als hulplijn inroepen wanneer we ons machteloos voelen, omdat een kind zijn schoenen niet wil aandoen.

Niet flink, mama, maar dat is oké, je krijgt toch een cadeautje.

Thuiskomen bij jezelf

Ik zie de toekomst optimistisch tegemoet, maar het heden is niet altijd gemakkelijk, en soms zelfs verdomd moeilijk. Niettemin probeer ik van elk moment het beste te maken. Door heel hard te werken aan mezelf en mezelf te leren accepteren zoals ik ben en niet zoals ik denk te moeten zijn, heb ik de rusteloosheid die ik al mijn leven lang meezeul, en die volgens mij het probleem van een hele generatie is, min of meer onder controle gekregen. Ik verlies me niet meer in allerlei verslavingsgedrag. Verslavingsgedrag, het klinkt zo zwaar … Ik heb het niet eens over alcohol of sigaretten, maar over sociaal geaccepteerd verslavingsgedrag, zoals hersenloos scrollen door andermans levens en meningen. En chocolade. Dat ook.

Ik ben heel aandachtig voor het hier en nu, en dat betekent bijvoorbeeld dat ik met mijn volle aandacht een gesprek met mijn kinderen kan voeren. Het alomtegenwoordige gevoel dat ik iets mis, elders, wanneer ik hier ben, is weg. Ik hoef niet meer te scrollen of te vluchten. Wanneer ik bij mijn kinderen ben, zijn zij het belangrijkste. Ik wil hen tonen dat ik hen zie, dat ik hen accepteer en dat ik hen waardevol genoeg vind om hen mijn volle aandacht te geven. Niet alleen wil ik hen dat tonen, het is ook gewoon zo. Ze zijn uitstekend gezelschap. We voeren de beste gesprekken. Hoeveel energie moederen ook vraagt, tegenwoordig overheerst de energie die ik van het moederen krijg. (En dat schrijf ik na een dag waarop ik op mijn knieën blauwe bessen van de supermarktvloer heb zitten oprapen, omdat ‘even snel gaan winkelen’ met een overprikkelde vermoeide vierjarige op woensdagnamiddag zelden een goed idee is.)

Het is zo gemakkelijk opgeschreven, maar het is zo moeilijk voor zovelen onder ons om zo te leven. Ik ben best trots op het traject dat ik al heb afgelegd, al zijn er ook dagen waarop ik denk dat ik helemaal nog nergens sta. Wanneer ik misselijk ben, omdat mijn bodemdrang zich op een zak M&M’s heeft gestort. Wanneer ik toch weer een uur heb zitten scrollen door Instagramstories over andere kinderen die net hetzelfde doen als mijn eigen kinderen in mijn eigen leven van dat moment. Maar ik kan daar steeds makkelijker afstand van nemen, en tegen mezelf zeggen: Sofie, je hebt jezelf weer liggen, maar het is oké, alleen, stop er nu maar weer mee. En dan doe ik dat, dan leg ik mijn telefoon aan de kant. En soms zelfs die zak M&M’s. En dan koester ik mijn eigen leven.

Er is een truc voor, om dat te bereiken. En de truc is: graag bij jezelf leren zijn. Je eigen beste vriend zijn. Jezelf de erkenning geven die we allemaal zoeken, maar die we toch vooral bij anderen hopen te vinden. Bij jezelf leren thuiskomen. Of zoals Peter De Graef het zo mooi verwoordt in dit filmpje:”Als ge bijvoorbeeld na een week lang en hard werken, terug bij uw geliefde komt. En in de zetel naast haar tegen haar aan ineenzakt, met een goeie film op, en ge hebt een pintje opengetrokken, en dan is er zoiets: aaah, home, ontspannen. Kijk, dat gevoel kan ik dus zonder lief, zonder pintje, zonder goeie film, achterin een buske.”

Misschien moet je eens met iemand praten? #worldmentalhealthday

Het is vandaag World Mental Health Day en ik heb zopas een heel tof boek uitgelezen dat over therapie gaat, met name Maybe you should talk to someone (vertaald als Misschien moet je eens met iemand praten?). Ik denk niet dat ik het al ooit eerder met een non-fictie-boek had dat ik niet kon stoppen met lezen, mijn Kobo meenam in de middagpauze op het werk en op een doordeweekse maandag doorlas tot een stuk in de nacht om het boek toch maar te kunnen uitlezen. Het leest dan ook als een roman, het is – vreemd genoeg – spannend, en ondanks de zware materie best grappig en luchtig geschreven. Ik hield van de ‘personages’, van Lori, van Charlotte, van Wendell, van Julie, van Rita, en zelfs van John. Dat is wellicht omdat de schrijfster zo liefdevol over hen schrijft. Veel reminders voor mezelf gelezen. Veel onderlijnd. Alleen had ik op het einde wel wat vragen bij het feel-good-sausje. Het zal vast niet altijd allemaal zo mooi samenkomen en zo goed aflopen, toch? Niettemin een heerlijk én hoopgevend boek.

Het boek heeft me bovendien geïnspireerd om zelf iets te schrijven over therapie, want als Lori Gottlieb zich zo kwetsbaar durft op te stellen ten overstaan van heel de wereld, dan durf ik dat ook wel ten overstaan van het kleine stukje van de wereld dat mijn blog leest.

Besluiteloosheid als diagnose

Ik had niet zo’n duidelijk beeld van wat ik met therapie wilde bereiken toen ik ermee startte in 2015 in de nasleep van het overlijden van mijn mama. Ik dacht dat ik hulp zocht om met die rouw om te gaan, maar de gesprekken bleken telkens over andere zaken te gaan dan wat ik gepland had te bespreken. Niettemin stuurde de eerste therapeute me na vijf keer wandelen in de veronderstelling dat ik mijn zaakjes prima op orde had en het verder wel alleen aan kon. Een jaar of twee later was de nood opnieuw hoog, en ging ik langs bij mijn huisarts die me doorverwees naar een andere psycholoog. Ook hij had na een paar keer de indruk dat ik het allemaal wel onder controle had. Net als de volgende therapeute die zei: eigenlijk is er niets mis met jou, behalve dat je nood hebt aan een goede babbel met je moeder en dat dat niet meer kan.

Toen ik een half jaar later weer huilend bij mijn huisarts zat, maakte zij een haarscherpe analyse van wat mijn probleem was: een combinatie van een uitstekend zelfinzicht en het extreem goed kunnen verwoorden. Ik leg uit aan therapeuten wat mijn probleem is en welke oplossingen ik zie. Ze sturen me buiten in de veronderstelling dat ik het ook wel zal oplossen. Maar ik ga naar huis en ik blijf in de chaos en de besluiteloosheid hangen. Mijn huisarts zei: maar ik ken je al wat langer dan die therapeuten, en vanaf nu blijf je naar mij komen tot ik het gevoel heb dat je wél dingen hebt opgelost. Een half uur bij de huisarts had me een inzicht gegeven dat geen enkele therapeut me tot dat moment gegeven had. (Al die therapeuten hebben me elk op hun beurt overigens wel geholpen en elk van hen heeft me inzichten gegeven, en me een duwtje in de juiste richting gegeven, dus ik wil zeker niet gezegd hebben dat ze hun job niet goed deden, integendeel. Het is alleen dat ik zelf ook hun job te goed deed.)

Mildheid en acceptatie als remedie

Daarna verwees een vriendin me naar haar psychologe, die nu al bijna een jaar mijn psychologe is. En zij is goed. Ze stelt de juiste vragen, ze geeft me erkenning en accepteert me zoals ik ben, waardoor ze me motiveert om dat ook voor mezelf te doen. Op een milde, vriendelijke manier doorprikt ze mijn denkfouten. Ze geeft me vrijblijvend advies, zonder te pushen: ‘ik denk dat het beter is om…’. Soms duurt het maanden voor ik haar advies opvolg, maar altijd moet ik toegeven dat ze gelijk had. Ze is wat ik nodig heb.

Nochtans had ik in het begin het gevoel dat ik nergens geraakte met die hele therapie. Ik ratelde maar het hele uur vol, en op het einde was ik geen millimeter dichter gekomen bij de essentie. Toen ze op het einde van dat uur vroeg: wil je nog een volgende afspraak maken, meende ik er altijd een oordeel in te horen in de zin van: heeft dit wel zin? Dat oordeel had zij niet, dat lag volledig bij mij, want zij oordeelt niet. Ik dacht zelf: wat is het nut hiervan? Waarom doe ik dit? Waarom betaal ik hier zoveel voor*?

Maar de laatste tijd merk ik elke dag aan mezelf wat het effect is van therapie. De mildheid die ik al jaren predik, kan ik eindelijk, eindelijk, toepassen op mezelf. Ik kan mezelf accepteren zoals ik ben. Als ik verdriet heb, heb ik verdriet. Ik zeg niet meer tegen mezelf dat ik geen reden heb om verdrietig te zijn, of dat mijn verdriet niets voorstelt in vergelijking met dit of dat verdriet. (“There’s no hierarchy of pain. Suffering shouldn’t be ranked, because pain is not a contest”, herinnert Lori Gottlieb zich als één de belangrijkste dingen die ze leerde tijdens haar opleiding). Als ik boos ben, ben ik boos. Ik hoef geen erkenning meer te krijgen van de persoon op wie ik boos ben om mijn eigen boosheid terecht te vinden. Als ik blij ben, ben ik ook echt blij, en is er geen stemmetje dat in mijn oor fluistert dat ik maar beter niet te blij kan zijn want voor je het weet gaat alles weer om zeep.

Ik zou schrijven dat mildheid en acceptatie de sleutels tot een gelukkig leven zijn, maar ik ben inmiddels ook een beetje #teamdirkdewachter geworden, en ik oefen mezelf in de kunst van het ongelukkig te zijn. Maar mildheid en acceptatie zijn in elk geval wel sleutels tot een rijk, vol en écht leven. Het is verdomd hard werken om die mildheid en acceptatie te bereiken, maar het is tegelijk het nuttigste werk dat ik ooit heb gedaan.

* Ik besef wel dat ik de immense luxe heb om dat te kúnnen betalen. Therapie is echt pokkeduur en het is totaal schandalig dat niet iedereen er toegang toe heeft, en dat er nog steeds geen deftig terugbetalingssysteem is voor iets zo basic als het mentale welzijn van mensen. Ook dat vind ik toch belangrijk om even te vermelden op World Mental Health Day.