Categorie archief: #firstworldproblems

Zonder smartphone ben ik een betere moeder

Ik ben bang om me te vervelen. Ik herinner me hoe vreselijk ik vakanties soms vond als kind. Ontiegelijke keren stond ik naast het bureau van mijn moeder te zeuren dat ik me VER-VEEL-DE! Vaak hoorde ze me niet. Ze was opgeslorpt door haar werk aan die lichtbak die haar computer was. Ze werkte in de living om bij ons te zijn, maar mentaal was ze niet beschikbaar. Ik verveelde me, en wat haatte ik dat: me vervelen. Ik wou dat ik me nooit meer moest vervelen.

Toen werd ik moeder. Moeder zijn, dat is verrijkend, vervullend, onvergelijkbaar, waardevol … en ongelooflijk strontvervelend. In de handleiding hadden ze vergeten te vermelden hoe tráág kinderen zijn. Het is saai en vervelend om een kind dat nog niet goed kan puzzelen te zien puzzelen. (‘Draai dat stukje dan toch om, kind!’) Het is saai en vervelend om op stap te gaan met een kind dat zich op een loopfiets of op een step nog trager voortbeweegt dan te voet op die kleine beentjes. Het is saai en vervelend om een kind sukkelend naar de glijbaan te zien klimmen. Het is saai en vervelend om een kind dingen te zien leren waarvan je vergeten bent dat je ze ooit zelf hebt moeten leren.

Ouder zijn vergt geduld, bergen geduld. Je moet bestand zijn tegen verveling. En ik ben dat niet. Gelukkig is er veel veranderd sinds ik klein was. Mijn droom is werkelijkheid geworden: ik hoef me niet meer te vervelen. Andere mensen – vermoedelijk jonge ouders – hebben iets uitgevonden dat je behoedt voor verveling. Het geeft licht, past in je handpalm en geeft toegang tot de hele wereld: de smartphone. Er is altijd wat te lezen. Er is altijd input. Zeker wanneer ik weinig geslapen heb, doet de voortdurende stroom aan indrukken de dag wat sneller vooruitgaan. Vervelen hoeft niet meer!

Ik kan nu lezen terwijl ik een kind duw op de schommel. Ik kan door Facebook scrollen, terwijl ik wacht tot een kind begrijpt dat hij zijn puzzelstukje moet omdraaien om het te doen passen. Ik volg het Twitterrelletje van de dag, terwijl ik de processie van Echternach loop naast een steppend kind. Ik kijk naar de perfecte Instagram-kinderen van andere ouders, terwijl die van mij al hun speelgoed over de grond uitstrooien. Nooit meer vervelen, hoera.

Maar is dat wel zo goed?

Vervelen is belangrijk voor een opgroeiend kind. Verveling stimuleert creativiteit. Verveling stimuleert spel. En dat geldt niet alleen voor kinderen. Verveling is goed voor ons. Alleen in verveling kom je terug naar de essentie. We vinden dat het leven te snel voorbij gaat, maar we scrollen onze tijd weg op dat kleine scherm. Ik zit dit jaar tien jaar op Facebook en negen jaar op Twitter. Ik wil niet weten hoeveel kostbare uren ik vergooid heb tijdens het scrollen door levens en meningen van een ander. En wat ik intussen gemist heb. Terwijl we naar het lichtbakje in onze handpalm staren, missen we kostbare ervaringen met de lichtpuntjes van ons leven.

Dit weekend had ik er genoeg van. Ik kreeg heel plots een degout van dat onding. Het waren mijn kinderen die me tot inzicht brachten. Mijn zoon trok aan mijn smartphonevrije hand en zei: ‘Uit. Weg. Mee pelen.’ Ik antwoordde hem dat ik nog snel dit wilde lezen en dat ik dan mee kwam spelen. ‘Nee. Mee pelen’, verhief hij zijn stem. Hij had volkomen gelijk.

Wat later wilde ik een artikel lezen met de titel: ‘Zet je smartphone op ouderslot‘. Hm, interessant, dacht ik. Moet ik lezen, dacht ik. Even inloggen, dacht ik. Waarom werkt die login nu niet, dacht ik.
– Mama, wil je Dikkie Dik voorlezen?
– Straks kindje, ik wil even dit lezen.
Opnieuw proberen, dacht ik. Grrrr, het werkt weer niet, dacht ik.
– Mama, lees nu Dikkie Dik voor!
En plots besefte ik waar ik mee bezig was. Ik legde de smartphone aan de kant en las Dikkie Dik voor. (Het volledige dubbeldikke voorleesboek, van cover tot cover. Saai hoor.)

Ik nam me voor om de rest van dat weekend te ‘telefominderen’. Ik ging niet voor de volledige digital detox – een mens moet klein beginnen – maar ik probeerde het lichtbakje wel zoveel mogelijk aan de kant te laten liggen. Het hielp natuurlijk dat ik genoeg geslapen had, zodat ik karakter had om aan de verleiding van het wereldwijde web te weerstaan. Na onderbroken nachten moet ik er zelfs niet aan denken. Dan zit ik gegarandeerd de hele ochtend als een zombie te scrollen in de zetel.

Maar dit weekend was ik wakker genoeg om er mentaal bij te blijven. Mijn zoon leerde steppen en ik liep me naast hem onnoemelijk te vervelen. Ik greep niet naar mijn jaszak, maar bestudeerde de blaadjes van de bomen, de vorm van de wolken en de kleine bloemetjes in het gras. Ik kleurde een prent van Dora. Ik zette Duploblokjes op elkaar. Ik las boekjes voor (oké, dat doe ik sowieso). Ik liet me verzorgen door mijn kinderen die kapster, dokter, schminkster en mijn mama waren. Niet zomaar even voor de vorm, maar een heel weekend lang. Ik leerde me vervelen. Het was onnoemelijk saai … en heerlijk.

’s Avonds bleek ik online niet veel te hebben gemist. Natuurlijk was er op Twitter het relletje van de dag geweest, en natuurlijk was er een enorm interessante discussie over opvoeding aan de gang op één of andere Facebook-mamagroep. Allemaal zaken die ook de nodige energie opslorpen. Wat had ik dus gemist? Niets. Helemaal-nougatbollen-niets. Integendeel, voor het eerst sinds lange tijd had ik op zondagavond nog bergen energie. Ik had ook de indruk – maar dat kan projectie zijn – dat ik gelukkigere kinderen had. Mijn conclusie van dit weekend: zonder smartphone ben ik een betere moeder.

 

(Opdracht literaire creatie: een lichtpuntje in sombere dagen)

8 jaar ongelukkig op mijn werk en wat dat deed met mijn zelfvertrouwen

Ik werk graag. Echt. Ergens diep in mij zit een haantje verscholen. Toen ik acht jaar geleden de arbeidsmarkt bestormde was het vol ambitie en energie. Ik kon iets en zou iets betekenen voor de cultuursector of het boekenvak. Zeker en vast.

Toen begon ik te werken. Het was 2008, het begin van de crisis. Mijn eerste job was er één met weekcontracten in een rederij. Ik heb er drie maanden gewerkt, maar verloor er zoveel illusies dat het als drie jaar aanvoelde. Ik moest ervoor zorgen dat de juiste containers op de juiste boten stonden. Administratief werk. Op mijn eerste dag zei mijn leidinggevende: ‘eerst heb je niets met containers. Maar voor je het weet, kom je er één tegen op vakantie en kan je niet wachten tot je op de bureau kan opzoeken wat erin zit en waar hij naartoe rijdt’. Ik kreeg een paniekaanval. Zou ik containers echt interessant vinden over enkele maanden? Zou ik mezelf zo snel verliezen? En zou dit mijn leven worden? Niets tegen de mensen met wie ik samenwerkte, maar ik had niets met hen en zij keken naar mij alsof ik van een andere planeet kwam. Het cultuur/boekenmeisje dat op doortocht was in de rederij. Ik deed het goed, kreeg positieve evaluaties en werd gevraagd om te blijven. Maar ik verveelde me dood en vond werkelijk niets boeiend aan het hele containergebeuren. Ik dacht: ik kan alleen maar slechter worden van hier te blijven. Ik nam ontslag – tenminste: ik ging geen nieuw weekcontract aan – en dacht: is dit het nu, werken?

Het liefste wat ik doe is schrijven. Ik besloot als copywriter te solliciteren. Ik kwam terecht in een lampenbedrijf in the middle of nowhere. In putje winter fietste ik elke dag van het station van een gemeente waar ik niets te zoeken had naar een industriepark waar ik niets te zoeken had, om daar tekstjes te schrijven. Mijn opdracht: vermeld zo vaak mogelijk het woord verlichting. Ook daar zat ik niet op mijn plaats. Mijn collega’s verkochten racistische klap (’t is een zwette). Ik ergerde me stuk. Ze luisterden naar één of andere luidruchtige Kempische radiozender, en ik kreeg er koppijn van. Ik fietste in het donkere industriepark door twintig centimeter sneeuw en dacht opnieuw: is dit het nu, werken?

Maar hoera, enkele maanden later kon ik eindelijk in een bibliotheek beginnen werken. Iets met mijn diploma doen … Het was een halftijdse, dat wel, het was onder mijn niveau, dat wel, maar het was in een bibliotheek. Ik werd leidinggevende van tien dames onder wie de jongste exact dubbel zo oud was als ik. Het leukste aan werken in een bibliotheek vond ik de balie. Maar het merendeel van mijn tijd ging naar: brandjes blussen en uurroosters opstellen. Ook de bibliotheek was een desillusie. Ik dacht: is dit het nu, werken?

Vervolgens maakte ik een andere droom waar: ik ging werken in een uitgeverij. Daar ben ik, echt waar, de eerste twee jaar min of meer gelukkig geweest. Ik was doodmoe van veel te lange dagen kloppen en pendelen, maar ik leerde volop bij, en werd geapprecieerd door mijn collega’s. Ik zat in een team dat werkte zoals ik sindsdien nooit nog een team heb meegemaakt. We liepen gesmeerd en waren perfect op elkaar ingespeeld. Ik werkte hard en met plezier. Maar ook dat bedrijf had allerlei issues en werd niet zo denderend geleid. Na enkele jaren was ik ‘uitgeleerd’, viel ons team in stukken en werd ik moeder. Ik pendelde 2 uur per dag, 5 dagen per week. Dat waren 10 uren per week dat ik niet bij mijn kind was en niet aan het werken. Ik dacht: dit is het dan, werken, en het is belachelijk. Dus ik vertrok, opnieuw.

Daarna kwam ik bij die andere uitgeverij terecht, een mamavriendelijk bedrijf, mijn huidige werkgever. Het klopt. Dit ís een goede werkgever voor jonge ouders. Met wat ik de afgelopen jaren privé heb meegemaakt, was het een zegen dat ik hier werkte en niet meer in Brussel. Maar ik kan dit zeggen: het boekenvak is momenteel een plek waar je niet wil zijn. Ik voel me een nobody. Ik weet niet wat ik nog waard ben. Ik ben nochtans een uitstekende redacteur. ’t Is te zeggen: 20 jaar geleden was deze job me op het lijf geschreven. Maar het is 2016 en ik kon net zo goed een floppydisk zijn als een goede redacteur. Ik werk en ik denk: dit is het dan, werken. Werken is parttime ongelukkig zijn.

In mijn jaren op de arbeidsmarkt kwam ik heel wat mensen tegen van wie ik vermoed dat ze zot zijn. Not in a good way. Zot of slecht, ik weet het niet, maar alleszins incompetente klootzakken (m/v). Ik noem geen namen, want ik wil niemand aan de schandpaal nagelen. Het doet er ook niet toe, want incompetente klootzakken vind je overal. Het frustreert me. Ik ben competent, en geen klootzak, maar blijkbaar is dat niet voldoende. Ik leerde dat het niet uitmaakt wat je kan, zolang je jezelf kan verkopen. Ik leerde dat hoog van de toren blazen belangrijker is dan je werk goed en plichtsgetrouw doen.

Ik werk nu acht jaar en het is nog steeds crisis. Ik heb nog nooit ergens gewerkt waar het goed ging. Ik heb nog nooit op een plek gewerkt die me gelukkig maakte. Al acht jaar ben ik degene die áltijd wat te klagen heeft, die áltijd aan het solliciteren is en die nooit goed lijkt te weten wat ze wil.

Ik weet dat het (veel) erger kan. Ik kijk naar mijn poetsvrouw die een bachelor in de chemie heeft in een ver land, maar hier mijn poetsvrouw is. Ik kijk naar de dames op leeftijd aan de kassa van de supermarkt. Ik prijs me gelukkig. Ik weet dat ik niet moet klagen. Maar ik had zoveel meer verwacht van werken. Thuis heb ik nooit iets anders gezien dan een moeder die vol passie opging in haar werk. Het leek me een evidentie dat zoiets voor mij was weggelegd.

De waarheid is: werken is één grote desillusie. Het idee dat ik nog 35 jaar moet ploeteren zoals ik nu ploeter, maakt me moe. Ik zie zoveel mensen in mijn omgeving die in hetzelfde schuitje zitten als ik. Daar staan ze, met al hun energie en al hun ambitie. Niemand die op hen zit te wachten.

Ik onderneem dingen om het beter te maken. Er ging sinds 2008 geen jaar voorbij dat ik niet minstens twee keer solliciteerde. Om vaak als tweede te eindigen. Ik volgde loopbaanbegeleiding, maar kreeg daar vooral bevestigd wat ik al wist. Ik ben gestart met een bijberoep als copywriter/journalist, omdat schrijven het liefste is wat ik doe. Ik schrijf voor Femma en de Gezinsbond, en ga dit najaar de koe bij de hoorns vatten om daar een stuk of wat opdrachtgevers aan toe te voegen. Ik engageerde me als vrijwilliger in de Raad van Bestuur van Femma om in mijn vrije tijd te betekenen wat ik professioneel niet kan.

Ik zie mensen om me heen die zelfvertrouwen krijgen van hun werk, terwijl het mijne beetje per beetje afbrokkelt. Ik weet dat het bestaat: werk waar je gelukkig van wordt. Ik heb goesting om mijn tanden te zetten in een uitdagende job die mij als gegoten zit. Ik heb goesting om er voluit voor te gaan. Maar arbeidsmarkt, o arbeidsmarkt, waarom hebt gij geen zin in mij?

Vinden jullie voldoening of geluk in jullie werk? Of ploeteren jullie ook maar verder zoals ik? En wie o wie heeft een droomjob voor mij liggen?

Het is een fase …

“Oei, ik groei” is de bijbel voor de babytijd. Het grootste probleem met dat boek is dat het ophoudt op 18 maanden. De conclusie is: nu is je baby een peuter, en face it, het leven is vanaf nu één heel lang sprongetje. Dat is soms al eens erger dan op andere momenten. Vraagje aan collega-ouders: bestaat er ook een sprongetje op 22 maanden? En hoe lang duurt dat ongeveer? Of heet dat gewoon de peuterpuberteit, van onbepaalde duur?

Alle symptomen zijn er: huilerig, hangerig, humeurig. Dat laat zich als volgt samenvatten: ‘Mama, mama, mamaaaa, mamaaaaa, maaaaamaaa, maaaaaaaaamaaaaaaaaaaa …’ en ‘Neeeeeeee! Stop mama! Stop papa! Neeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeee! ‘. Alsook: ‘Martha doen’. Ook voor dingen die ze helemaal nog niet kan, zoals schoenen aandoen, haar schoenen, mijn schoenen.

Komt daarbij dat ik zelf precies ook last heb van een sprongetje, op zeven maanden zwangerschap. Gelukkig is er nog die andere bijbel: “Relax mama!” en daaruit deze prent:

fase

Scholenzoektocht deel 1

Scholenzoektocht: deel 1. Het avontuur –  de derde keuze

Het avontuur is onze derde keuze. Vrij dichtbij, maar niet op wandelafstand zoals onze eerste twee keuzes. Ik heb al goede dingen gehoord van Het avontuur. Maar het is Freinet, en ik weet daaar weinig van. Ik vond het dus absoluut nuttig om eens te gaan luisteren.

Het belangrijkste is dat ze het PPGO en de leerplannen van het GO! volgen. Op het einde van het zesde leerjaar hebben de kindjes dezelfde eindtermen bereikt als kinderen in het reguliere onderwijs. Alleen is de manier waarop ze daar geraken anders. Ze werken vanuit de interesses van het kind en zetten onderzoekjes en projecten op n.a.v. wat kinderen meebrengen of vertellen in de klas. Ze proberen zoveel mogelijk klasdoorbrekend te werken. Dat betekent dat ze veel op uitstap gaan, zonder daarbij echter de maximumfactuur uit het oog te verliezen.

Bij Freinet hoort ook heel veel ouderparticipatie. Het angstzweet breekt me altijd uit als ik dat hoor. De reden: ik kan eigenlijk helemaal niets. Als ouder van een lagereschoolkind zal ik definitief door de mand vallen. Ze vragen ouders om een kinderopera te componeren, muziek te spelen, decors te maken, kostuums te ontwerpen, taarten te bakken of een avontuurlijke speelplaats te bouwen. Ik zie niet goed in wat ik in dat alles zou kunnen bijdragen. Maar goed, ook in het reguliere onderwijs wordt er wellicht aan DIY gedaan door ouders. Door de mand val ik sowieso.

Mijn indruk van de school en van de leerkrachten was erg positief. Ik dacht meteen: hier wil ik Martha wel inschrijven. Hier zou ze wel gelukkig kunnen worden. Dat had ook te maken met het uitstekende ‘verkoopspraatje’ van de directrice en de leerkrachten. Dat ze hun school warm wilden en konden aanbevelen, was wel duidelijk. Een uur lang werden alle voordelen van de school en van Freinet opgesomd, als om ons ouders helemaal te verlekkeren op een plaatsje in Het avontuur. Om op het einde af te sluiten met: “Ik zeg het maar meteen, want anders krijg ik straks toch van iedereen die vraag: er zijn 24 plaatsen in het instapklasje, waarvan er al 12 gereserveerd zijn voor broertjes en zusjes.”

12 vrije plaatsen dus. Ik heb de koppen geteld. Op de eerste van de twee infomomenten zaten daar ouders van minstens 13 verse kleutertjes. The battle has begun …

winterkind

Ik heb een déja vu. Sneeuw en een bolle buik. Het is geen weer om een hond door te sturen, maar er is geen eten in huis. Ik durf alleen maar te voet naar de winkel en alleen maar met mijn bottines, om de kans op uitglijden tot een minimum te beperken. Maar ik krijg mijn bottines niet meer goed aan, omdat mijn dikke buik in de weg zit.

Ik kies bewust voor de dichtste winkel: den aldi. In den aldi hebben ze tenslotte ook brood. Maar den aldi is niet de beste winkel om zwanger en met een trolly naartoe te gaan. Zwanger omdat de helft van die winkel bestaat uit snoep die minstens even lekker is als the real stuff én belachelijk goedkoop. Met een trolly, omdat de kassiersters van den aldi veel en veel te snel zijn. Het is de bedoeling dat de klant aan de einde van de band alles bliksemsnel in zijn karretje gooit, om er dan op een ander tijdstip op een andere plaats wat orde in aan te brengen. Ik heb best een ruime trolly, zo één van de Ikea. Daar konden echter dubbel zo veel boodschappen in toen de dichtste winkel nog de Carrefour van de Groenplaats was.

Rationeel aankopen dan maar. Patatten, brood, yoghurt, kaas, groenten en nep ferrero rocher. Daar moeten we toch wel mee toekomen voor de rest van de dag. En nu een beetje vanuit mijn zetel naar de dwarrelende sneeuw kijken en nadenken over kindjes die geboren worden in Echte Winters. Winterkindjes.

Goodbye rijangst

Wat met mama gebeurd is, is klote. Maar als ik probeer naar het positieve te kijken, kan ik wel enkele dingen bedenken. Ik heb beseft hoe sterk de band met mijn broer en zus is. Hoe sterk ik zelf ben als het nodig is. Hoeveel draagkracht een mens eigenlijk heeft. Dat zijn uiteraard allemaal dingen die je liever op een andere manier of helemaal niet had moeten ontdekken. Maar kijk, we proberen altijd het positieve te zien.

Er is nog één iets heel concreets dat dit jaar grondig veranderd is in mijn leven. Ik durf met de auto te rijden! Big deal? Ja, voor mij wel. 

Ik heb namelijk jaren last gehad van verlammende rijangst.

Mijn moeder heeft me verplicht om te leren rijden. Ze vond dat belangrijk. Ik absoluut niet. Ik heb het uitgesteld zo lang ik kon. Maar de eerste keer dat ik er in eerste zit door was op ’t unief had ik het vlaggen. In de zomer van mijn eerste lic ging ik onder niet zo zachte dwang naar mijn eerste rijles. Ik had kaken in alle kleuren van de regenboog en heel veel pijn, omdat mijn wijsheidstanden enkele dagen ervoor getrokken waren. Ik was vast van plan om aan de rijinstructeur te vragen om die dag alleen op het oefenterrein te blijven. Maar nog voor ik iets kon zeggen, stuurde ze me de baan op. Mijn rijinstructeur was een gemene mevrouw die dingen zei als: “Toen ik jong was, had ik ook geen uitstraling, zoals jij.” Wat dat in een rijles ter zake deed, weet ik tot op heden niet.

Na de rijlessen heb ik vele maanden aarzelend en tegen mijn zin geoefend. Mama met haar ene hand aan de handrem en de andere aan de deurklink. Julie in het midden van de achterbank met alledrie de gordels aan (alledrie!). Enkele builen in de Mazda van mijn ouders gereden. Papa boos, mama stiekem aan het lachen.

Vervolgens het rijexamen dat dermate traumatiserend was dat ik – nochtans principieel voorstander van alle maatregelen die de verkeersveiligheid ten goede kunnen komen – nog altijd stiekem hoop dat ze nooit invoeren dat je dat om de zoveel tijd opnieuw moet doen. Na twee pogingen was ik officieel bekwaam om te rijden. Maar ik deed het vrijwel nooit. Ik zat op kot en had in het weekend nooit een auto nodig. Hoe minder ik reed, hoe hoger de drempel werd.

Enkele jaren later leerde ik Mehdi kennen. In een kortstondige vlaag van zelfvertrouwen, vermoedelijk aangewakkerd door de prille verliefdheid, dacht ik dat ik wel goed genoeg kon rijden om ons naar Parijs te brengen voor ons eerste romantische weekendje met twee. Met de auto van zijn ouders. In Mons ging ik uit de bocht. Sindsdien hebben die mensen nog maar één auto.

Daarna durfde ik uiteraard helemaal niet meer rijden, en zeker niet met de auto van iemand anders. Ik dacht: ik leer wel weer rijden wanneer ik zelf een auto heb. Maar waarom zou je nu een auto kopen als je niet durft te rijden? Het was een vicieuze cirkel. Ik geraakte niet meer van mijn verlammende rijangst af. We woonden in het centrum van Antwerpen, dus een groot probleem was het niet. Behalve wanneer mensen trouw- en andere feesten gaven in Tutterewuttere en wij altijd diegenenen waren die een lift moesten schooien.

Opnieuw enkele jaren later werd ik zwanger. Ik heb tonnen respect voor mensen die kinderen grootbrengen zonder auto, maar ik zag het mezelf niet doen. Al was het maar om naar mijn ouders te gaan, die in the middle of some very far place wonen. Mehdi moest dus maar eens werk maken van dat rijbewijs en ik moest opnieuw leren rijden. We hebben een auto gekocht, oorspronkelijk met het plan om die auto na twee jaar weg te doen en een Cambio-abonnement te nemen. Een goede vriend heeft na de aankoop die auto met ons erin naar huis gereden, omdat we allebei niet bekwaam genoeg waren om te rijden.

Vervolgens heeft die auto enkele weken voor de deur gestaan, onder een dikke pak sneeuw. Tot ik op een dag te hoogzwanger was om door de sneeuw met de fiets naar de gynaecoloog te rijden en ik uiterst voorzichtig met de auto ben gegaan. Small step, giant leap. Daarna heb ik geleidelijk aan weer leren rijden. De eerste keren dat we naar mijn ouders reden gingen we langs de E34 of bleef ik aan 90 per uur op de eerste rijstrook tussen de camions tuffen, omdat ik niet durfde in te halen. Maar het ging steeds beter.

Maar dit jaar is het pas echt goed beginnen gaan. Ik moest plots drie à vier keer per week van Antwerpen naar Brugge en weer terug rijden. Enkele keren moest ik door wegenwerken langs Kortrijk om. Soms kwam ik van het werk en moest ik zelfs over de Brusselse ring. Uren heb ik in die auto gezeten dit jaar. Ik ben er een vrij goede chauffeur van geworden, al zeg ik het zelf. En eentje met zelfvertrouwen. Net genoeg, niet te veel. Want ik zeg altijd: “Het probleem is niet dat wij bang zijn in het verkeer, het probleem is dat de meeste andere mensen dat niet zijn.

Gezocht: geboortekaartje

Iets met uiltjes en een boom. En dat gedicht van Herman de Coninck.

Het geboortekaartje van Martha zat klaar in mijn hoofd. Ik moest alleen maar iemand zoeken die het eruit kon halen en op papier kon zetten.

Zo geschiedde.

front Martha
Wat vond ik dat kaartje mooi.

Maar nu is er niets. Geen idee en geen gedicht. Het mag al een mirakel heten dat Herman de Coninck één iets geschreven heeft dat op een geboortekaartje past, laat staan dat ik er een tweede zou vinden. Google biedt meestal een afdoend antwoord op al je levensvragen, maar niet als het gaat over ‘gedicht geboortekaartje’. Probeer het maar eens. Ik heb dan maar al mijn dichtbundels van de zolder gehaald en ben er al dagen in aan ’t bladeren. Tevergeefs.

De beste optie momenteel: ‘May all your days be gold my child’. Ik hoorde eens iemand op de radio vertellen dat ze dat op het geboortekaartje van haar zoon had gezet. Ik vind het prachtig. Maar misschien vindt ‘iemand van de radio’ het niet zo fijn dat ‘iemand die toevallig naar de radio aan het luisteren was’ haar idee steelt. Bovendien zou het nogal wat voeten in de aarde hebben om Mehdi warm te maken voor Sparklehorse. Niettemin: veel andere pistes zie ik niet. Tenzij ik het gedichtje van Herman de Coninck gewoon opnieuw gebruik. Kan dat?

o, ik weet het niet,
maar besta, wees mooi.
zeg: kijk, een vogel
en leer me de vogel zien
zeg: het leven is een brood
om in te bijten en de appels zien rood
van plezier, en nog, en nog, zeg iets.
leer me huilen, en als ik huil
leer me zeggen: het is niets.