Categorie archief: klein geluk

Gelukkig zijn, dat is …

Afspraken afzeggen wanneer je moe bent en nood hebt aan alleen zijn. My favourite plans are cancelled plans! Ain’t no party like an introvert party, ‘cause an introvert party don’t start. 

Niet bang zijn dat de mensen met wie je had willen afspreken, verdwenen zullen zijn wanneer je weer in buitenkommodus bent. 

Op een zetelavondje dat verdacht veel aan de nakende herfst doet denken in vijf verschillende boeken beginnen lezen, en vrezen dat je in een leesdip zit, of überhaupt niet meer kan lezen, tot het zesde boek je vanaf de eerste paar bladzijden bij je nekvel grijpt. In casu: Jaag je ploeg over de botten van de doden. Die titel alleen al …

Lezen in een stil huis met een slapende kat aan je voeten. Een kat die hier nog maar enkele dagen woont, overigens, maar blijkbaar al besloten heeft dat jij ‘good peoplez’ bent en al spinnend op je schoot springt wanneer jij in je boek aan het lezen bent. Ze heet Minoes. Die naam hebben we niet zelf gekozen, maar Martha vond ‘m mooi. En aangezien ik Crookshanks, Makreel (uit De opwindvogelkronieken), Sir-Sleep-A-Lot of een andere literaire naam niet verkocht kreeg, kan ik me wel vinden in een Annie MG Schmidt-naam. 

Zien hoe je kinderen stralen op de foto’s van het kampje waar ze door allerlei toevalligheden zowat alle kindjes kennen. Heel efficiënt carpoolen met andere ouders voor het brengen en halen van de kindjes, aangezien we elkaar dan toch allemaal kennen. Blij zijn omdat je dus ook elke ochtend en elke avond even een kort babbeltje kan doen met die ene goede vriendin. 

In de auto luisteren naar de grappige/boeiende gesprekjes van zevenjarigen over hoe ouders altijd maar naar het nieuws willen luisteren, en dat zelfs Karrewiet altijd alleen maar nieuws over grote mensen brengt, en of wij nu nog niet weten dat corona gevaarlijk is, want dat is het enige waar al het nieuws over gaat, en ‘jaha corona is gevaarlijk, we weten het al’. Stel je hier gerust het nodige oogrollen bij voor. 

Belachelijk veel dingen moeten regelen en doen, naast een werkweek van 40 uur op een job waar het ook nog eens belachelijk druk is deze periode (wij maken boeken voor het hoger onderwijs, het academiejaar start binnen … 3 … 2 … 1 …), en er dankzij een strakke planning toch in slagen om alles onder controle te hebben. Maar ook net genoeg kunnen loslaten om het niet erg te vinden wanneer je toch eens moet schuiven met het één of ander omdat de kinderen meer te vertellen hadden over hun fantastisch leuke kampje dan je in je strakke planning had ingecalculeerd. 

Trots zijn op jezelf, omdat je ondanks je ADD-chaos-kop toch zoveel onder controle hebt. Mild zijn voor jezelf over de dingen die door de mazen van het net glippen.

Een lekkere koffie maken in de middagpauze en er even bij gaan zitten, in de tuin, met een zalig zomerbriesje in je nek.

Petrichor. 

2020 ontzettend veel leuker vinden dan 2019, ondanks het feit dat het … 2020 is, you know …

Rondfietsen in Antwerpen en beseffen hoeveel je van ’t Stad houdt, zeker wanneer we door de rest van het … nee, door de parking, there, I said it, verketterd worden. Dat dit dorp met kapsones thuis is. Dat je hier graag bent.

Een minikampeertripje van één nacht doen met je bubbel, en dat de foto’s even mooi zijn als het moment zelf was. Het zonde vinden dat het maar één nacht was, maar vooral aangenaam verrast zijn over

  • hoe groot en zelfstandig en behulpzaam onze kinderen worden
  • hoe gehecht ze aan elkaar zijn, ook nadat ze elkaar maanden niet hebben gezien (damn you lockdown)
  • hoe smooth en gezellig alles verloopt

Thuiskomen van het minikampeertripje van één nacht en opgeladen zijn alsof je drie weken vakantie hebt gehad.

 © An Ghysel

Blij zijn met hoe goed de kinderen zich voelen en trots zijn op ons om hoe wij het co-ouderschap aanpakken en hoe we hiermee omgaan, alle vier. Natuurlijk blijft de optimale situatie een kerngezin met twee ouders die elkaar graag zien, maar als dat niet kan, dan is wat wij hebben the next best thing. 

Met een vriendin uit de buitenbubbel een fles bubbels kraken en klinken op het goede post-divorce life. 

Buitenbubbels en bubbels tout court … 

Enzovoort.

Wanneer je kniehoog in de echtscheidingsmodderpoel staat en de overkant amper zichtbaar is, geloof je het niet wanneer mensen je verzekeren dat je weer gelukkig zal worden. Maar het is waar. Je wordt weer gelukkig. 

Verdwalen in de regen

Moederdag vandaag. De zoveelste – ik tel ze niet meer ­­– zondermoederdag. De eerste zonder kindjes. Die waren bij hun papa vandaag. Toch had ik het minder lastig met moederdag dan andere jaren, zolang ik de sociale media wat meed. Ik kocht een meringue voor mezelf en at ‘m lezend op in de tuin onder een waterachtig lentezonnetje. Ik verdronk in het prachtige verhaal van het moerasmeisje, waarin naast haar ook de natuur een hoofdrol speelt. Toen ik bijna moest huilen van ontroering besloot ik dat ik het boek niet in één ruk zou uitlezen, maar even zou gaan fietsen alvorens het alsnog vandaag uit te lezen. Donkere wolken pakten zich dreigend samen aan de hemel, maar dat deerde niet. Fietsen in de regen is heerlijk als je weet dat daarna een warme douche op je wacht. Ik was op zoek naar een rozenautomaat waar ik al tientallen keren ben langsgefietst op mijn ritjes naar Borsbeek, Mortsel, Boechout en Hove, maar die ik nog altijd niet kan vinden als ik hem zoek. Ik volgde mijn gevoel en sloeg af waar de bomen het mooist waren en de vogels de mooiste melodietjes floten. Een man riep me iets toe en wees naar de lucht. Ik weet het, dacht ik, het gaat regenen. Toen kwam ik plots in een wandelzone terecht die ik nog niet kende. Ik was benieuwd, zou dat wandelpad niet uiteindelijk ook richting mijn huis leiden? Ik besloot even te negeren dat mijn oriëntatiegevoel me altijd de verkeerde richting uitstuurt en volgde de paadjes naar weer een bos dat ik nog niet kende. Het begon te regenen, steeds dikkere druppels en dan zelfs hagel. Ik trok mijn regenjas aan en verdwaalde verder, aan de rand van een bos in de gietende regen. Als ik de spoorweg volgde, zou ik uiteindelijk wel thuis uitkomen, dacht ik. Alleen wist ik totaal niet meer aan welke kant van het spoor ik me bevond. Het regende steeds harder en ik was doornat, maar de regen geurde heerlijk en het felle lentegroen stak prachtig af tegen een donkergrijze hemel. Ik volgde de spoorweg tot die een andere en weer een andere kruiste en ik echt geen idee meer had waar ik was, behalve dat het niet heel ver van huis kon zijn. Toen zag ik een bekend punt. De weg naar huis was eenduidig, rechtdoor en kort. Maar ik koos toch weer een andere omweg, want eenmaal je doorweekt bent, kan je niet nog natter worden. Ik fietste nog een ommetje om mijn favoriete fort heen en verbaasde me weer eens over al het groen dat deze plek te bieden heeft. Onder bruggetjes stonden mensen te schuilen, gezwind fietste ik hen voorbij, terwijl het water van mijn regenjas naar beneden gutste. Eenmaal thuis trakteerde ik mezelf op een warme douche en dito chocomelk. Verdwalen in de regen, op een plek waar je eigenlijk niet echt kan verdwalen, is het dichtste bij geluk dat een mens kan komen.

IMG_20200510_162040877_BURST001

Op verlof in mijn hof

Er zijn de dagen dat ik moet werken …

Die zijn waanzin. Als je met cortisol elektriciteit kon opwekken, kon ik de hele straat van licht voorzien.

Hoe langer dit duurt, hoe minder mijn kinderen, en zeker mijn jongste, het kunnen verdragen dat ik aanwezig ben maar niet beschikbaar. Ik kan me daarin inleven, natuurlijk kan ik dat. Zo’n moeder die met een doodse blik naar een lichtbak zit te staren terwijl jij loopt te mekkeren dat je je verveelt, ik herinner me nog exact hoe frustrerend dat was. Mijn werk vergt een zekere concentratie, maar een tekst lezen over het Belgische en Europese mededingings-, consumenten- en handelspraktijkenrecht, terwijl er in dezelfde ruimte strijkparels worden rondgestrooid en er ruziegemaakt wordt over wie het eerst dit of dat vormpje wilde gebruiken, dat is op zijn zachtst gezegd een uitdaging. Elke ochtend neem ik me voor om vandaag RUSTIG te blijven. Elke avond troost ik mezelf met de gedachte: morgen een nieuwe dag, een nieuwe kans … Ik heb maar één meeting van ongeveer een uurtje per week (hashtag ilovemyjob), maar ‘mama moet nu even vergaderen’ lijkt voor mijn jongste de trigger te zijn om al zijn kleren uit te doen en te roepen dat ik hem NU weer moet aankleden of om op endless repeat om een snoepje te komen zeuren. De muteknop in MS Teams weet ik staan met mijn ogen dicht; die van het kind heb ik helaas nog niet gevonden. Op het einde van zo’n werkdag ben ik waarlijk uitgeput. Die spreidstand is niet uit te houden. Maar op één of andere manier blijven we het toch maar doen.

 

En er zijn de dagen dat ik niet moet werken …

Die zijn heerlijk. Ik gedij goed in lockdown. Het is introvert heaven. Ik ben op verlof in mijn eigen hof.

Ik zag het lente worden in de tuin. Een grote, oude berk in de tuin van de buren van mijn buren was enkele weken geleden nog kaal. Op slechts enkele nachten kreeg hij een dikke kruin van frisse groene blaadjes die met volle overgave ruisen in de wind. In de boom in onze tuin zoekt een koolmees zingend een vriendje; we kijken ernaar tot onze nek er pijn van doet. We zien blauwe, witte en oranje vlinders. We zien en horen eksters, duiven, koolmeesjes en merels. We picknicken bijna elke dag, vaak buiten, soms binnen. Vanop het dak kijken we naar de maan en naar Venus. Ik zag starlink al twee keer passeren, maar wist pas de tweede keer wat het was. Ik ging fietsen en zag de zon ondergaan in de Schelde. (“De zon gaat niet onder, dat is gewoon de aarde die draait, mama”, zegt mijn wijsneus-dochter dan.) Ik maakte een dauwtrip en zag de zon opkomen in het natuurgebied op enkele kilometers van mijn voordeur. Terwijl het lente werd in de tuin maakten we van een troosteloze buitenmuur heel impulsief een kleurig kunstwerk dat me elke dag weer vrolijk maakt. We tekenen en schilderen en kleuren erop los. Het huis ligt vol stiften, potloden, pennen en penselen. Alles wat ik ooit niet heb weggegooid, komt plots van pas. De muren zijn museumwanden geworden. Ik vind elke dag nieuwe tekeningen. Ik heb het puzzelen herontdekt, hoewel dat sinds mama’s laatste week zoiets beladen is. Terwijl mijn dochter en ik over een puzzel gebogen zitten, vertelt ze honderduit. Mijn zoon en ik hebben samen een hondje gestrijkpareld. Ze stellen me 1001 vragen per dag, over de sterren, de planeten, de vogels en Kulderzipken; de meeste kan ik niet beantwoorden. Niettemin leren we elke dag ontzettend veel bij. We leven ons uit. We leven. We zijn intens verbonden met elkaar. Ik ben nooit eerder zo in het reine met mezelf geweest als nu. De creativiteit en de leergierigheid die heersen in dit huis, die wil ik nooit meer kwijt.

Ik ben tevreden. En ik wil niet meer terug naar het gewone leven.

 

Klein geluk #11 ofte hoe Bart Peeters de soundtrack van 2019 werd …

IMG_20190828_223512461

In december 2018 keken we samen naar Dag Sinterklaas. Dat het de laatste keer zou zijn dat ik met twee goedgelovige kinderen naar Dag Sinterklaas zou kijken, wist ik toen nog niet. Wie verwacht tenslotte dat een zesjarige tijdens de warmste dag ooit in ons land naar buiten zal zitten staren en plots vragen: ‘mamaaaaa, die cadeautjes die Sinterklaas brengt, koop jij die?’ Zomaar. Ik was totaal onvoorbereid, ha ja, want ze is zes, en het was 40° buiten. Bon, deze schaamteloze mamastoef even volledig terzijde.

In de periode dat we dus naar Dag Sinterklaas keken, speelde op een dag Heist-aan-Zee op de radio, en ik zei: ‘Martha, luister, dat is Bart van Dag Sinterklaas’. Ze wilde het opnieuw horen, en opnieuw, en toen wilde ze ook de andere liedjes van Bart Peeters horen, en sindsdien is dhr. Peeters by far de meest grijsgedraaide artiest op mijn Spotify, als in: in dat ene jaar heb ik meer naar Bart geluisterd, dan in het hele afgelopen decennium naar Eels, Damien Rice, Het zesde metaal en zelfs Tom Waits. Ach, er zijn ergere dingen in het leven. K3 bijvoorbeeld, of Niels Destadsbader. 

Martha kent al zijn liedjes en zingt ze woord voor woord mee. We discussieerden of de decadentie nu met natte lippen op de vloer dan wel op de loer lag, en ze vroeg wat decadentie dan wel was. Ik wees naar haar vrijwel onaangeroerde bord, en zei: dát is decadent, op restaurant gaan en maar twee happen eten. We zongen mee met ‘ik stuur je mijn hart in een bol.com-doos’, ‘ik trakteer alle clochards op bier en op drugs’ en ‘waarom de waanzin het verstand versloeg’. Ik heb voorlopig gelukkig nog niet moeten uitleggen wat ‘marina’s die al van diepgang spreken als je hen zonder boe of ba langs achter pakt’ betekent, maar ik hou mijn hart al vast.

Deze zomer wilde ik haar verrassen met een concert van the man himself, en toen ik haar vertelde dat we naar Bart Peeters zouden gaan, zei ze: ‘mama, dat is het beste cadeau dat ik ooit gekregen heb!’ Dus wij op een mooie zomeravond naar het mooiste openluchttheater van ’t land, een meer idyllische locatie voor je eerste grotemensenconcert bestaat er niet, denk ik. We waren een uur te vroeg, zodat we een plekje hadden met goed zicht op het podium en het eerste uur dat we er waren, vroeg Martha minstens om de 20 seconden hoe lang we nog moesten wachten. Zenuwachtig wipte ze heen en weer op mijn schoot. Tot plots de meester op het podium verscheen, en Martha met grote bewonderende ogen naar hem keek, en meezong met de liedjes die ze al honderden keren heeft gehoord.

Kijk, ik dans niet gemakkelijk op andere plekken dan mijn eigen living en bij andere mensen dan mijn eigen kinderen, maar stilzitten wanneer díe man op een podium staat, is zelfs voor mij geen optie. Wat een show, wat een avond. En zo romantisch ook, met mijn meisje van zes in dat prachtig verlichte Rivierenhof. Een avond om nooit te vergeten. En ik denk niet dat ik er de volgende zomers mee weg kom om níet te gaan.

Klein geluk #10 – Zolang er zon, muziek en kinderen zijn …

Ik ben geen ochtendmens. Ik ben echt geen ochtendmens. Ik vind mijn bed ’s ochtends altijd zachter en warmer dan ’s nachts, en ik vind het wreed dat scholen en werkdagen beginnen op een uur dat ik me eigenlijk nog eens zou willen omdraaien. Dus vaak moeten wij ons ’s ochtends ontzettend haasten om overal op tijd te geraken.

Maar soms ook niet. Soms staan we vroeg genoeg op om rustig te kunnen ontbijten en te praten met elkaar. En soms is er dan zelfs nog wat tijd over om te dansen. Dan zetten we Bart Peeters op, waar Martha ontzettend grote fan van is. Of zingen we luidkeels mee met ‘Naar de wuppe’, ‘Leef‘ (dé schlager van hun lagereschooltijd) of ‘Mooi, ’t leven is mooi‘ (dé schlager van mijn lagereschooltijd). We dansen als gek, zij springen op en neer in de zetel, wat ze eigenlijk niet mogen, maar ach. En Martha zegt: mama, je danst als een tornado die de hik heeft, en dan dans ik nog wat gekker tot ik totaal buiten adem maar wel heel blij ben. Ik zing luidkeels mee: mooi, ’t leven is mooi, ondanks de tegenslagen, zorgen en pijn …

Dat kan zomaar. Dat je je het ene moment waanzinnig slecht voelt, en het volgende moment als een waanzinnige staat te dansen in je living. Gisteren was ik boos, morgen ben ik misschien verdrietig, maar hier en nu dans ik als een tornado die de hik heeft, en vind ik het leven mooi.

Zolang er zon, muziek en kinderen zijn!

Pak alles wat je ka-a-an …

#kleingeluk #miraclemornings

Klein geluk #9 – Kijk, daar gaat hij met zijn drang …

Een dikke spin valt van de keukenkast naar beneden, recht in de lege emmer van de jelly beans die ik op twee dagen tijd naar binnen heb gewerkt (PMS much?) en valt met een plof neer. ‘We moeten Seppe bellen,’ zegt Thomas, ‘die durft spinnen wegdoen.’ Seppe is drie jaar en woont in Brugge. Hij is ontzettend stoer, maar we gaan het deze keer toch zelf moeten oplossen, vrees ik.

Ik zeg: ‘deze spin heeft geluk dat hij ons huisje heeft uitgekozen voor het weven van een web, want in ons huisje worden spinnen buiten gezet in plaats van opgeveegd.’ (Om mani padme hum*)

Enkele dagen ervoor had ik de Spin Sebastiaan voorgelezen en vervolgens geparafraseerd in mijn platste West-Vlaams, in een versie waarbij de andere spinnen klonken als roddelende ‘oede wuvetjes’, die de spin Sebastiaan achter zijn rug een koppige ezel noemden. Mijn kinderen luisterden aandachtig naar me en keken me verwonderd aan: wat een vreemd wezen is die moeder van ons toch, en wat praat ze raar. Toen het verhaaltje uit was, riepen ze: ‘nog een keer in ’t West-Vloms, mama!’

Ik zet het deksel op de emmer en draag de dikke spin naar buiten. ‘Wel naar de overkant van de straat hé,’ roept Martha me na. Ik schud de emmer uit in het gras. Wanneer ik weer binnen kom, vraagt Thomas vol bewondering: ‘heb je het gedurfd, mama? Heeft Bastiaan gebeten?’. Ik heb het gedurfd, liefje, bedankt, en nee, Bastiaan heeft niet gebeten.

Een kwartier later loopt hij door het huis met een speelgoedgsm aan zijn oor en hoor ik hem dit gesprekje voeren:

– Hallo Bastiaan, is alles goed met jou?
– Hallo, ja, alles is goed, omdat jullie me buiten hebben gezet, dus het gaat goed met mij. Daaaaag.

Je kan míj nu wel opvegen.
#kleingeluk #gewonigheid #ommanipadmehum

(*Dat is een boeddhistische mantra die je kan interpreteren als ‘respect voor al wat leeft’, maar die ik toch vooral toepas op zij die muggen eten.)

Juli

Twee keer twee kinderen spelen doktertje en ik ben hun patiënt. Ze pakken mijn handen en voeten in met verband, meten mijn koorts en mijn bloeddruk, luisteren naar mijn hart. “En nu een spuitje,” zegt hij, “een spuitje om dood te gaan.” “Het is er de tijd van het jaar voor”, zeg ik grijnzend. Gelukkig kan mijn zus ermee lachen. We weten zeker dat ook mama ermee had kunnen lachen.

We fietsen de stad in en halen ijsjes bij Da Vinci. Dit jaar bevinden we ons aan de zonnige kant van de wrede julimaand. De kinderen spelen. Ze zijn blij dat we samen zijn. Wij ook. We lachen en vieren het leven. Het is er de tijd van het jaar voor.

Klein geluk #8 – Zoon

‘Mag dat jongetje al alleen op stap?’, vraagt hij over zijn schaduw die veel langer is dan hij. ‘Zo’n grote jongens mogen alleen op stap, maar dit jongetje kan dat niet, want die zit vast aan jouw voeten, kijk maar’, zeg ik. Hij lacht. ‘Nee, dat is gewoon mijn schaduw, mama.’

‘Pas op, die mensen gaan op ons trappen,’ zeg ik. Een vrouw zet haar voet neer op mijn schaduw en ik roep zachtjes: ‘au, au au’. De vrouw schrikt, kijkt om en lacht dan luid. Mijn jongetje schatert. Hij kijkt naar me op met een twinkeling in zijn helderblauwe ogen. Ooit zal hij ze rollen om mijn domme moppen, maar nu vindt hij mij nog grappig.

(#kleingeluk #gewonigheid)

Klein geluk #7 – Max, Mischa & het tet-offensief

“Mens zijn is een fulltime baan, Max.”
(Max, Mischa en het tet-offensief)

Het is zaterdag, twee uur. Zoon slaapt in het grote bed. Dochter speelt in haar kamer met een vriendinnetje. Ze zijn inmiddels op een leeftijd gekomen dat het gemakkelijker is wanneer er iemand komt spelen, dan dat ik de hele dag dingen moet verzinnen om hen bezig te houden. Ik zit in de zetel, lees ‘Max, Mischa en het tet-offensief’ en luister naar de bijbehorende soundtrack op Spotify. Buiten vallen dikke regendruppels op het terras dat, hoewel het al januari is, nog steeds bedolven is onder herfstbladeren. Andere volwassenen hadden dat vast al opgeruimd, bedenk ik me, wanneer ik van mijn boek opkijk en naar buiten staar. Maar het is zo mooi: die bruine bladeren op ons terras en in het groene gras, de regen en de droevige gloed die over de tuin hangt … De muziek die door de boxen klinkt, raakt me, past bij het boek en de regen. Het zijn Charles Mingus en Cannonball Adderley. Mooi, zo mooi. Dit boek gaat over alles, en het gaat diep. Ik geniet. Eigenlijk zou ik moeten: de was ophangen, de was plooien, de tafel afruimen, de boodschappen in de kasten leggen, opzoeken welke droogkast we gaan kopen en waar, het speelgoed opruimen … Maar eigenlijk moet ik ook niets. Ik moet niet meer naar buiten vandaag en alles wat ik zou moeten, kan ook wachten tot morgen. Het is zaterdag. Zoon slaapt. Dochter speelt. Ik lees. En dat mag.

Peter De Graef, ik verklaar u de liefde

Er zijn maar weinig liefdes die standhouden van je 17de tot je 32ste. Ik heb er vier: Leonardo DiCaprio, Harry Potter, Tom Lanoye en Peter De Graef. Vorige week heb ik de laatste twee live aan het werk gezien. Het was een goede week. Op dinsdag zag ik mijn favoriete taalvirtuoos Lanoye bezig op de voorstelling van zijn nieuwe boek. Die man horen spreken, is een genot. Wat hij vermag met taal … het is weinigen gegeven. En vrijdag ging ik naar de première van ‘Twee zielen, drie levens, zes mensen’ in CC Berchem, van die andere taalvirtuoos en misschien wel de grootste mijner oude liefdes: Peter De Graef. Ik wil al jaren iets over die liefde schrijven, maar elke keer ik eraan begin, komen er alleen krakkemikkige zinnen uit mijn vingers. Maar ik moet toch eens gezegd hebben wat ik wil zeggen, al is het dan maar in krakkemikkige zinnen.

‘Want weet ge… Principes, overtuigingen, visies, theorieën, bewijzen …. Ach, ach, ach …. Dat is allemaal maar speelgoed. Dat is voor kinderen. En speelgoed sterft als ge ouder wordt. Ge kunt op uw twintigste uwen beer nog wel’s vastpakken en hem wat recht zetten, Maar hij leeft niet meer. Hij heeft nooit geleefd. Dat hebt ge zelf gedaan. We hebben vroeger een eerste minister gehad en die zei: Principes die moet ge uiteindelijk lossen … En dan moet ge dat doen zoals ge op een receptie een wind lost. Behoedzaam. En zonder al te veel… Herrie. Dat was een wijze mens.’ (Uit Niks, Peter De Graef)

‘Niks’ moet één van de eerste stukken zijn die ik ooit zag. We moesten voor Nederlands naar het theater gaan en recensies schrijven. Als 17-jarige was het theater totaal nieuw voor mij. Net als de meeste klasgenoten koos ik ‘Niks’ uit de lijst van de leerkracht. Ik zie ons daar nog zitten in dat kleine zaaltje in De Werf in Brugge. Ik herinner me nog flarden van het stuk, maar wat me vooral nog glashelder voor de geest staat, is het gevoel dat ik erbij had. Ik was totaal overdonderd. Dat zoiets bestond. Dat iemand zoiets kon schrijven. Dat iemand zoiets op een podium kon brengen. En dat ik ernaar mocht kijken. Jaren nadien citeerden mijn beste vriendin A. en ik nog zinnen uit dat stuk. ‘Wij zijn twee zebra’s in een veld vol ezels’, werd onze persoonlijke lijfspreuk. We dweepten zoals alleen 17-jarigen dat kunnen. Nu, vooral ik dweepte. A. was altijd minder dweperig van aard.  Maar ik was een 17-jarige germaniste-in-spe. Dwepen was mijn plicht.

Voor mijn recensie kreeg ik 9,5 op 10. De lerares had een half punt afgetrokken voor een dt-fout die ik mezelf nooit vergeven heb. Ik sloot mijn recensie af met de woorden die Peter De Graef uitspraak terwijl hij zich kletsnat liet regenen: ‘Maar vanbinnen word ik toch niet nat’. En ik ben er dus in geslaagd om ‘wordt’ te schrijven, zo onder de indruk van Peter De Graef was ik. Intussen heb ik al twee keer mijn zolder ondersteboven gekeerd op zoek naar die recensie, waarvan ik zeker weet dat ik hem nog lange tijd bewaard heb, maar ik vind hem niet meer terug. Zo spijtig.

‘Waarom moeten wij allemaal ons hele leven wankelend op een overmaatse surfplank staan gillen dat we ons amuseren? Waarom mogen wij niet gewoon ademen en That’s it. Ik adem! Ik zit hier en ik adem.’ (Uit Niks, Peter De Graef)

Daarna heb ik jarenlang niets van hem gezien. ‘Niks’ was voor mij zo’n unieke belevenis dat het niet in me opkwam dat Peter De Graef misschien nóg mooie dingen maakte. Tot ik hem jaren geleden heel toevallig en ik weet zelfs niet meer hoe herontdekte, met ‘Zielsverwanten’ of ‘Stanley’, denk ik, en ik dacht: hé, was hij dat niet, en ik de tekst van ‘Niks’ terugvond en ik tranen met tuiten huilde bij de herontdekking van dat moois. Sindsdien heb ik bijna alles gezien. Ik nodigde eerst drie, dan vijf, dan tien mensen mee uit, tot ik voor ‘Onze Koen’ vergat tickets te bestellen omdat ik inmiddels vijftien mensen uitnodigde. Nu neem ik er nog maar drie en mijn man mee, op voorwaarde dat ze binnen het uur reageren wanneer ik vraag: ‘Ga je meer naar Peter De Graef, ik bestel nu tickets’. En zo zaten we daar vrijdag, met zijn vijven, in het zachte, rode pluche van CC Berchem om opnieuw totaal overdonderd te worden door woord en beeld en ideeën en muziek. En ondanks het zachte pluche zat ik ademloos op het puntje van mijn stoel tot het voorbij was. Peter De Graef raakt me nog steeds even hard als hij dat een half leven geleden deed. Die man is een genie.

Nu ben ik 32 en ik dweep nog steeds als een 17-jarige. Maar het is niet dwepen als het goed is. Als je de kans krijgt om ‘Twee zielen, drie levens, zes mensen’ te gaan zien, doe het. Ge zult er geen spijt van krijgen.

 

© www.janmarchand.be