Categorie archief: klein geluk

Klein geluk #10 – Zolang er zon, muziek en kinderen zijn …

Ik ben geen ochtendmens. Ik ben echt geen ochtendmens. Ik vind mijn bed ’s ochtends altijd zachter en warmer dan ’s nachts, en ik vind het wreed dat scholen en werkdagen beginnen op een uur dat ik me eigenlijk nog eens zou willen omdraaien. Dus vaak moeten wij ons ’s ochtends ontzettend haasten om overal op tijd te geraken.

Maar soms ook niet. Soms staan we vroeg genoeg op om rustig te kunnen ontbijten en te praten met elkaar. En soms is er dan zelfs nog wat tijd over om te dansen. Dan zetten we Bart Peeters op, waar Martha ontzettend grote fan van is. Of zingen we luidkeels mee met ‘Naar de wuppe’, ‘Leef‘ (dé schlager van hun lagereschooltijd) of ‘Mooi, ’t leven is mooi‘ (dé schlager van mijn lagereschooltijd). We dansen als gek, zij springen op en neer in de zetel, wat ze eigenlijk niet mogen, maar ach. En Martha zegt: mama, je danst als een tornado die de hik heeft, en dan dans ik nog wat gekker tot ik totaal buiten adem maar wel heel blij ben. Ik zing luidkeels mee: mooi, ’t leven is mooi, ondanks de tegenslagen, zorgen en pijn …

Dat kan zomaar. Dat je je het ene moment waanzinnig slecht voelt, en het volgende moment als een waanzinnige staat te dansen in je living. Gisteren was ik boos, morgen ben ik misschien verdrietig, maar hier en nu dans ik als een tornado die de hik heeft, en vind ik het leven mooi.

Zolang er zon, muziek en kinderen zijn!

Pak alles wat je ka-a-an …

#kleingeluk #miraclemornings

Klein geluk #9 – Kijk, daar gaat hij met zijn drang …

Een dikke spin valt van de keukenkast naar beneden, recht in de lege emmer van de jelly beans die ik op twee dagen tijd naar binnen heb gewerkt (PMS much?) en valt met een plof neer. ‘We moeten Seppe bellen,’ zegt Thomas, ‘die durft spinnen wegdoen.’ Seppe is drie jaar en woont in Brugge. Hij is ontzettend stoer, maar we gaan het deze keer toch zelf moeten oplossen, vrees ik.

Ik zeg: ‘deze spin heeft geluk dat hij ons huisje heeft uitgekozen voor het weven van een web, want in ons huisje worden spinnen buiten gezet in plaats van opgeveegd.’ (Om mani padme hum*)

Enkele dagen ervoor had ik de Spin Sebastiaan voorgelezen en vervolgens geparafraseerd in mijn platste West-Vlaams, in een versie waarbij de andere spinnen klonken als roddelende ‘oede wuvetjes’, die de spin Sebastiaan achter zijn rug een koppige ezel noemden. Mijn kinderen luisterden aandachtig naar me en keken me verwonderd aan: wat een vreemd wezen is die moeder van ons toch, en wat praat ze raar. Toen het verhaaltje uit was, riepen ze: ‘nog een keer in ’t West-Vloms, mama!’

Ik zet het deksel op de emmer en draag de dikke spin naar buiten. ‘Wel naar de overkant van de straat hé,’ roept Martha me na. Ik schud de emmer uit in het gras. Wanneer ik weer binnen kom, vraagt Thomas vol bewondering: ‘heb je het gedurfd, mama? Heeft Bastiaan gebeten?’. Ik heb het gedurfd, liefje, bedankt, en nee, Bastiaan heeft niet gebeten.

Een kwartier later loopt hij door het huis met een speelgoedgsm aan zijn oor en hoor ik hem dit gesprekje voeren:

– Hallo Bastiaan, is alles goed met jou?
– Hallo, ja, alles is goed, omdat jullie me buiten hebben gezet, dus het gaat goed met mij. Daaaaag.

Je kan míj nu wel opvegen.
#kleingeluk #gewonigheid #ommanipadmehum

(*Dat is een boeddhistische mantra die je kan interpreteren als ‘respect voor al wat leeft’, maar die ik toch vooral toepas op zij die muggen eten.)

Juli

Twee keer twee kinderen spelen doktertje en ik ben hun patiënt. Ze pakken mijn handen en voeten in met verband, meten mijn koorts en mijn bloeddruk, luisteren naar mijn hart. “En nu een spuitje,” zegt hij, “een spuitje om dood te gaan.” “Het is er de tijd van het jaar voor”, zeg ik grijnzend. Gelukkig kan mijn zus ermee lachen. We weten zeker dat ook mama ermee had kunnen lachen.

We fietsen de stad in en halen ijsjes bij Da Vinci. Dit jaar bevinden we ons aan de zonnige kant van de wrede julimaand. De kinderen spelen. Ze zijn blij dat we samen zijn. Wij ook. We lachen en vieren het leven. Het is er de tijd van het jaar voor.

Klein geluk #8 – Zoon

‘Mag dat jongetje al alleen op stap?’, vraagt hij over zijn schaduw die veel langer is dan hij. ‘Zo’n grote jongens mogen alleen op stap, maar dit jongetje kan dat niet, want die zit vast aan jouw voeten, kijk maar’, zeg ik. Hij lacht. ‘Nee, dat is gewoon mijn schaduw, mama.’

‘Pas op, die mensen gaan op ons trappen,’ zeg ik. Een vrouw zet haar voet neer op mijn schaduw en ik roep zachtjes: ‘au, au au’. De vrouw schrikt, kijkt om en lacht dan luid. Mijn jongetje schatert. Hij kijkt naar me op met een twinkeling in zijn helderblauwe ogen. Ooit zal hij ze rollen om mijn domme moppen, maar nu vindt hij mij nog grappig.

(#kleingeluk #gewonigheid)

Klein geluk #7 – Max, Mischa & het tet-offensief

“Mens zijn is een fulltime baan, Max.”
(Max, Mischa en het tet-offensief)

Het is zaterdag, twee uur. Zoon slaapt in het grote bed. Dochter speelt in haar kamer met een vriendinnetje. Ze zijn inmiddels op een leeftijd gekomen dat het gemakkelijker is wanneer er iemand komt spelen, dan dat ik de hele dag dingen moet verzinnen om hen bezig te houden. Ik zit in de zetel, lees ‘Max, Mischa en het tet-offensief’ en luister naar de bijbehorende soundtrack op Spotify. Buiten vallen dikke regendruppels op het terras dat, hoewel het al januari is, nog steeds bedolven is onder herfstbladeren. Andere volwassenen hadden dat vast al opgeruimd, bedenk ik me, wanneer ik van mijn boek opkijk en naar buiten staar. Maar het is zo mooi: die bruine bladeren op ons terras en in het groene gras, de regen en de droevige gloed die over de tuin hangt … De muziek die door de boxen klinkt, raakt me, past bij het boek en de regen. Het zijn Charles Mingus en Cannonball Adderley. Mooi, zo mooi. Dit boek gaat over alles, en het gaat diep. Ik geniet. Eigenlijk zou ik moeten: de was ophangen, de was plooien, de tafel afruimen, de boodschappen in de kasten leggen, opzoeken welke droogkast we gaan kopen en waar, het speelgoed opruimen … Maar eigenlijk moet ik ook niets. Ik moet niet meer naar buiten vandaag en alles wat ik zou moeten, kan ook wachten tot morgen. Het is zaterdag. Zoon slaapt. Dochter speelt. Ik lees. En dat mag.

Peter De Graef, ik verklaar u de liefde

Er zijn maar weinig liefdes die standhouden van je 17de tot je 32ste. Ik heb er vier: Leonardo DiCaprio, Harry Potter, Tom Lanoye en Peter De Graef. Vorige week heb ik de laatste twee live aan het werk gezien. Het was een goede week. Op dinsdag zag ik mijn favoriete taalvirtuoos Lanoye bezig op de voorstelling van zijn nieuwe boek. Die man horen spreken, is een genot. Wat hij vermag met taal … het is weinigen gegeven. En vrijdag ging ik naar de première van ‘Twee zielen, drie levens, zes mensen’ in CC Berchem, van die andere taalvirtuoos en misschien wel de grootste mijner oude liefdes: Peter De Graef. Ik wil al jaren iets over die liefde schrijven, maar elke keer ik eraan begin, komen er alleen krakkemikkige zinnen uit mijn vingers. Maar ik moet toch eens gezegd hebben wat ik wil zeggen, al is het dan maar in krakkemikkige zinnen.

‘Want weet ge… Principes, overtuigingen, visies, theorieën, bewijzen …. Ach, ach, ach …. Dat is allemaal maar speelgoed. Dat is voor kinderen. En speelgoed sterft als ge ouder wordt. Ge kunt op uw twintigste uwen beer nog wel’s vastpakken en hem wat recht zetten, Maar hij leeft niet meer. Hij heeft nooit geleefd. Dat hebt ge zelf gedaan. We hebben vroeger een eerste minister gehad en die zei: Principes die moet ge uiteindelijk lossen … En dan moet ge dat doen zoals ge op een receptie een wind lost. Behoedzaam. En zonder al te veel… Herrie. Dat was een wijze mens.’ (Uit Niks, Peter De Graef)

‘Niks’ moet één van de eerste stukken zijn die ik ooit zag. We moesten voor Nederlands naar het theater gaan en recensies schrijven. Als 17-jarige was het theater totaal nieuw voor mij. Net als de meeste klasgenoten koos ik ‘Niks’ uit de lijst van de leerkracht. Ik zie ons daar nog zitten in dat kleine zaaltje in De Werf in Brugge. Ik herinner me nog flarden van het stuk, maar wat me vooral nog glashelder voor de geest staat, is het gevoel dat ik erbij had. Ik was totaal overdonderd. Dat zoiets bestond. Dat iemand zoiets kon schrijven. Dat iemand zoiets op een podium kon brengen. En dat ik ernaar mocht kijken. Jaren nadien citeerden mijn beste vriendin A. en ik nog zinnen uit dat stuk. ‘Wij zijn twee zebra’s in een veld vol ezels’, werd onze persoonlijke lijfspreuk. We dweepten zoals alleen 17-jarigen dat kunnen. Nu, vooral ik dweepte. A. was altijd minder dweperig van aard.  Maar ik was een 17-jarige germaniste-in-spe. Dwepen was mijn plicht.

Voor mijn recensie kreeg ik 9,5 op 10. De lerares had een half punt afgetrokken voor een dt-fout die ik mezelf nooit vergeven heb. Ik sloot mijn recensie af met de woorden die Peter De Graef uitspraak terwijl hij zich kletsnat liet regenen: ‘Maar vanbinnen word ik toch niet nat’. En ik ben er dus in geslaagd om ‘wordt’ te schrijven, zo onder de indruk van Peter De Graef was ik. Intussen heb ik al twee keer mijn zolder ondersteboven gekeerd op zoek naar die recensie, waarvan ik zeker weet dat ik hem nog lange tijd bewaard heb, maar ik vind hem niet meer terug. Zo spijtig.

‘Waarom moeten wij allemaal ons hele leven wankelend op een overmaatse surfplank staan gillen dat we ons amuseren? Waarom mogen wij niet gewoon ademen en That’s it. Ik adem! Ik zit hier en ik adem.’ (Uit Niks, Peter De Graef)

Daarna heb ik jarenlang niets van hem gezien. ‘Niks’ was voor mij zo’n unieke belevenis dat het niet in me opkwam dat Peter De Graef misschien nóg mooie dingen maakte. Tot ik hem jaren geleden heel toevallig en ik weet zelfs niet meer hoe herontdekte, met ‘Zielsverwanten’ of ‘Stanley’, denk ik, en ik dacht: hé, was hij dat niet, en ik de tekst van ‘Niks’ terugvond en ik tranen met tuiten huilde bij de herontdekking van dat moois. Sindsdien heb ik bijna alles gezien. Ik nodigde eerst drie, dan vijf, dan tien mensen mee uit, tot ik voor ‘Onze Koen’ vergat tickets te bestellen omdat ik inmiddels vijftien mensen uitnodigde. Nu neem ik er nog maar drie en mijn man mee, op voorwaarde dat ze binnen het uur reageren wanneer ik vraag: ‘Ga je meer naar Peter De Graef, ik bestel nu tickets’. En zo zaten we daar vrijdag, met zijn vijven, in het zachte, rode pluche van CC Berchem om opnieuw totaal overdonderd te worden door woord en beeld en ideeën en muziek. En ondanks het zachte pluche zat ik ademloos op het puntje van mijn stoel tot het voorbij was. Peter De Graef raakt me nog steeds even hard als hij dat een half leven geleden deed. Die man is een genie.

Nu ben ik 32 en ik dweep nog steeds als een 17-jarige. Maar het is niet dwepen als het goed is. Als je de kans krijgt om ‘Twee zielen, drie levens, zes mensen’ te gaan zien, doe het. Ge zult er geen spijt van krijgen.

 

© www.janmarchand.be

 

’t Zit ollemolle goed in mekaar: 10 jaar West-Vlaming in Antwerpen

Tien jaar woon ik hier. West-Vlaming in Antwerpen. Inmiddels Antwerpenaar met West-Vlaamse roots. Het is een haat-liefde verhouding. Soms vloek ik op mijn stad (die ring, dat fijn stof, die luchthaven, die burgemeester …), maar vaker ben ik blij en trots dat ik deel mag uitmaken van een stad waar zoveel leeft, gebeurt en bruist. Vandaag vierden we bijvoorbeeld het begin van de zomervakantie op Circus Boelaere. We spraken met wat mensen af, maar kwamen er nog zoveel meer tegen. Overal waar ik keek, zag ik bekende gezichten. Deze stad is een dorp met kapsones. Ik hou van A. Maar zoals de meeste West-Vlamingen blijf ik een enorme zwak hebben voor waar ik vandaan kom, onze zee, ons dialect. De afgelopen dagen kwam het allemaal mooi samen.

Als je moet kakken, moet je kakken

Op mijn laatste voorleeswoensdag van dit schooljaar in het klasje van Martha had ik een probleem. De juf had een boekje klaargelegd over … een pimpampoentje. Behalve Martha is er in heel die klas natuurlijk geen enkel kind dat al ooit van een pimpampoentje gehoord heeft. Maar ik kon toch mezelf niet verloochenen en voorlezen over een lieveheersbeestje? Ik ben voor het compromis gegaan, want dat is wat West-Vlamingen doen, en zei: dit is een boekje over een lieveheersbeestje, maar ik noem dat een pimpampoentje.

Dinsdag had ik tijdens het oudercontact een grappige discussie met de juf van Martha over wie haar nu de uitdrukking: ‘als je moet kakken, moet je kakken’ geleerd had. Ik weet zeker dat het de juf was. Martha kwam op een dag namelijk thuis met ‘als ge moe kakken, moe ge kakken’. Ik heb haar gezegd: ‘Martha, je moet dat wel juist uitspreken. Zeg me na: ‘aj moe ka’n, moej ka’n’.’ Schoolvoorbeeld van een gezamenlijk pedagogisch project tussen de school en de ouders.

Diezelfde dinsdag liet een lieve vriendin van vroeger me weten dat ze in september naar Antwerpen verhuist. Al tien jaar wacht ik tevergeefs op het moment dat al mijn vriendinnen begrijpen dat ze nergens gelukkiger kunnen worden dan in Antwerpen en me volgen. Helaas denken ze zelf dat ze gelukkiger zijn in Zuienkerke, Varsenare, Brugge, Leuven, Gent, Brussel en heel de rest van de parking. Jammer voor mij. En nu, exact tien jaar na mij, komt uitgerekend díe vriendin in Antwerpen wonen. En schrijven bovendien. Eindelijk! ‘Achter zoveel jaar’!

Spinvis en Het zesde metaal

Oók dinsdag gingen we naar het Openluchttheater in het Rivierenhof, een plek die minstens zo poëtisch is als de naam doet vermoeden, voor een optreden van Spinvis én Het zesde metaal. Op één avond. Allebei. Wat een cadeau. En het was magisch. Op één van de mooiste plekken van de stad die ik al tien jaar mijn thuis noem, mocht ik eerst naar die wonderlijke poëzie van Spinvis en daarna naar die prachtige liedjes in mijn geliefde West-Vlaams luisteren. Ik kan er bijlange niet zo schoon over schrijven als het was, maar ik wil er toch íets over schrijven. Want het was machtig.

Ik luisterde naar Wannes Cappelle die zong ‘grote liefde lieft oes in’ en ‘aje stillestoat, goa j’achteruut’ en dat het ‘nog oal nie nor de wuppe’ is. Hij vertelde dat hij na 16 jaar weggaat uit ’t Stad en ik dacht: oké, nog zes jaar en ’t is aan mij, maar dat sloeg nergens op, want ik werd daar op dat moment gewoon helemaal opnieuw verliefd op mijn stad, mijn Antwerpen. De eerste regendruppels in weken vielen op onze gezichten, en op de bomen van het Rivierenhof die kurkdroog waren tot in in hun wortels en ik dacht: ik ben hier wortel geschoten. Hij zong van ‘maar de woarheid is, ’t leven loat em niet stoppen, ier bie oes is ’t goed’ en ik dacht: ‘joat, ’t is woa, ier bie oes is ’t goed. ’t Zit ollemolle goed in mekaar!’

(En na dat fantastische optreden wil ook ik mijn geld naar de zanger gooien.)

Pimpampoentje

Een pimpampoentje klimt langs een grassprietje omhoog, over het puntje, en weer omlaag. Daarna klimt hij over het volgende grassprietje omhoog, over het puntje, en weer omlaag. Zo kruipt het dier dat nochtans vleugels heeft langzaam door onze tuin. Wij liggen er op onze buik naar te kijken. Ik, met twee kleine kinderen tegen me aan. Met onze neuzen tegen het gras volgen we de bewegingen van het pimpampoentje op de voet. Ik geniet van hun kleine lijfjes tegen me aan en van hun enthousiasme over het pimpampoentje, waarvan hun vader straks zal zeggen dat het een lieveheersbeestje is. Terwijl ik daar lig, vraag ik me af waarom het pimpampoentje niet begrijpt dat hij ook tússen de grassprietjes kan lopen. Of waarom hij zijn vleugels niet uitslaat om erover heen te vliegen. Efficiënt is zijn manier van voortbewegen niet. Daar staat een pimpampoentje natuurlijk niet bij stil. Een kind ook niet trouwens. De enige die last heeft van zo’n inefficiënte gedachte die de schoonheid van dat moment verstoort, ben ik. Opgegroeid. Volwassen geworden. De zaken beoordelend op hoe efficiënt ze zijn. Ik. Het maakt me triest dat ik verleerd ben om naar een pimpampoentje te kijken zonder er de wetten van onze samenleving op toe te passen. De wetten waar ik het nota bene totaal niet mee eens ben. Zou mijn dochter van vier trots op me zijn als ze wist hoe haar moeder naar een pimpampoentje keek? Ben ik er trots op? Het pimpampoentje slaat zijn vleugels pas uit wanneer kleine kinderhandjes hem bedreigen. Voor hem zijn ze niet klein natuurlijk, die grijpgrage vingertjes. ‘Pas op, je duwt hem nog plat’, roep ik. Het pimpampoentje loopt zenuwachtig in rondjes op de vinger van mijn dochter en slaat dan toch zijn vleugels uit, probeert weg te vliegen, maar valt in het gras. ‘Waar is het pimpampoentje nu’, vraag ik. Mijn zoon springt op en gaat op zoek. Hij stapt rond met zijn schoenmaat 24. ‘Pas op, Thomasje’. Het zijn de poezeligste peutervoetjes die ik ooit zag, maar niet voor dat pimpampoentje. Een dreigende schaduw doemt boven het pimpampoentje op. Thomas zet een stap opzij. Zijn voetje landt pal naast het pimpampoentje. Razendsnel baant het opgejaagde diertje zich een weg over grassprietjes heen: naar boven, naar beneden. Naar boven. Naar beneden. Ik kijk ernaar. Mijn inefficiënte gedachten ebben weg, terwijl het pimpampoentje zijn weg inefficiënt vervolgt. Ik voel me zen.

Klein geluk #6 – de krokusvakantie

Hij is alweer even achter de rug, maar ik bedacht me deze week dat ik hem toch wilde bewaren. Ik heb zelf maar één dag gewerkt in de krokusvakantie. Op maandag nam ik afscheid van mijn collega’s bij Kluwer. We gingen eten en ze gaven me het perfecte afscheidscadeau: bonnen voor Kobo (om boeken voor mijn e-reader te kopen) en bonnen voor de Arenberg. Een collega wilde me zelfs tickets voor een specifieke voorstelling geven, maar dacht dat ik er misschien al had. En dat klopte. Ik had mijn tickets voor die voorstelling een half jaar geleden al besteld. Ik was danig ontroerd door hoe goed die fijne collega’s me kennen. De job ga ik niet missen, maar de collega’s des te meer.

Daarna zat ik letterlijk ‘between jobs’. Tijd om leuke dingen te doen met de dochter. Het is tenslotte één van haar laatste vakanties alleen. Ik wilde er een Martha-verwenweekje van maken. Als je haar vraagt wat het hoogtepunt van de vakantie was, klinkt het antwoord luid en duidelijk: KAPITEIN WINOKIO. Op woensdagmiddag gingen we naar ‘ABC, kom en zing mee’. Dinsdagavond heb ik nog last minute tickets overgenomen van iemand die ziek was. Voor de kindjes was het een verrassing. Ze wisten niet waar we naartoe fietsten. Maar Martha haar gezichtje straalde toen we binnenkwamen in De Roma en een meneer zei: ‘welkom bij Kapitein Winokio’. Zo blij heb ik haar zelden gezien. Ze heeft alle liedjes van het begin tot het einde meegezongen, en na het concert maakte ze een inventaris van welke letters hij wel en niet zong. Ze heeft er nog dagen over nagepraat. Ook Thomas was enthousiast. Hij probeert ook al om de liedjes mee te zingen (‘aaaaaa’) en danst graag. Maar voor hem was het toch wat luid en lang. In het Openluchttheater vorige zomer kon de kapitein hem meer bekoren. We gingen in de krokusvakantie ook naar Train World en naar de cinema voor Masha en de beer. Daaraan vond ze dan vooral de popcorn leuk. Ook het babybezoekje aan mijn kraakverse en goddelijk mooie metekindje vond ze erg leuk. Maar niets kon tippen aan de kapitein. Het was een leuke vakantie, ideaal om de batterijen op te laden voor het begin aan een nieuw werkend leven.

 

Klein geluk #5 – de kerstvakantie

It’s the most wonderful time of the year. Wat hebben we van de kerstvakantie genoten. Twee weken van heerlijk rustig samenzijn, zonder al te veel verplichtingen. De kindjes sliepen lang. Wij sliepen lang. We startten de dagen traag. We deden rustig aan. We schilderden samen, speelden met de plasticine en met de Duplo. Ik ging met mijn kinderen in bad, ze goten water over mijn hoofd en lachten zich een breuk. We gingen op vakantie, wat druk maar reuzegezellig was. We deden kleine uitstapjes, naar het Rivierenhof, naar ‘Niet drummen’ in De Studio en naar China Lights in de Zoo. We gingen niet naar het Dinomuseum, hoewel we dat van plan waren. Er kwam een vriendinnetje spelen voor Martha.

Van alle dagen om China Lights te bezoeken, kozen wij natuurlijk een dag tijdens de ‘winterprik’, toen je je zelfs te voet niet veilig kon voortbewegen, laat staan met de fiets of de auto. We gleden met het openbaar vervoer naar de Zoo. We kwamen er aan op een uur dat het eigenlijk al bedtijd was voor de kinderen. Het was koud en ik kon mezelf wel voor de kop slaan omdat ik altijd allerlei dingen wil gaan ‘beleven’ met die kinderen, in plaats van ze gewoon op tijd in hun bed te steken. Het was koud en gevaarlijk om te wandelen. Thomas zat in de draagzak op mijn buik en ik was bang dat ik op hem zou vallen. Maar uiteindelijk vonden ze het ondanks de kou en de vermoeidheid allebei erg mooi. Thomas wees, riep ‘kijk es’ en ‘pesje‘ (visje) en ‘pape, naan’ naar een aap met een banaan, en ‘peepwa‘ naar een zebra. Vooral de pinguïns konden natuurlijk op zijn bewondering rekenen. Dat zijn zijn lievelingsdieren. Die liefde leek vorige zomer tot een vroegtijdig einde te zijn gekomen, toen hij in Planckendael een pinguïn wilde aaien en dat beest zijn bek met weerhaakjes in het kleine vingertje van mijn zoon vastbeet. Het enthousiaste ‘pimi!’ werd een droevige ‘pimi‘ de dagen nadien, met pruillipje en al. Maar al snel werd het zijn eerste stoere verhaal:
– Thomas, wie heeft er in je vinger gebeten?
Trots glunderend: ‘Pimi!!’

Martha speelde met haar vriendinnetje. Ze verkleedden zich in Sint en Piet en spraken elkaar consequent met Sinterklaas en Zwarte Piet aan. Ze keken samen in het grootste boek dat ze konden vinden, en ‘lazen voor’ wie een cadeautje verdient. Ze zochten in de verkleedbak een ‘cape’, want Sinterklaas draagt toch een cape. Ze schilderden samen. Ze kleurden samen. Ze discussieerden over wie Elsa was en wie Anna.

Met Martha maakte ik plasticine ‘koekjes’. We maakten vormpjes en ze ging ze spontaan in het oventje van haar speelkeuken leggen. Vervolgens kwam ze de koekjes aan mij geven om op te eten, want ik was jarig. Ze maakte een lange Duplotrein, en zette alle mannetjes die ze kon verzamelen achter elkaar op die trein. Ze legde de Duplomannetjes te slapen. Thomas keek ernaar. Een half uurtje later – toen Martha al lang met iets anders speelde – legde hij dezelfde poppetjes op hetzelfde plekje te slapen. Hij zei: ‘plaapèl‘ en gaf ze smakzoentjes. Wanneer ik een blokje op het bedje van zijn poppetjes wilde zetten, zei hij: ‘weg!’.

Dankzij een give-away van Femma konden we met zijn vieren naar ‘Niet drummen’ in De Studio. Ze vonden het de max. Thomas begon spontaan te dansen, want that’s what he does (overal, altijd). Martha danste mee.

Heerlijk was het, die kerstvakantie. Maandag deed het extra veel pijn om vroeg te moeten opstaan en mijn kindjes een héle dag te moeten missen.