Categorie archief: sofie ziet het niet meer zitten

Stoute mama

Stoute mama, zegt ze, en ze slaat. Ik ben een nacht en een dag naar mijn ouders geweest, zonder kinderen. Dat voelt tegennatuurlijk aan, maar alles aan deze situatie voelt nu eenmaal niet zo juist aan. Ik heb ze achtergelaten bij hun papa en zijn familie in het vakantiehuisje in Zeeland. De laatste minuten van de twee uur durende rit telde ik mee met de gps. Nog vier en een halve minuut tot mijn kindjes. Nog drie minuten tot mijn kindjes. Nog anderhalve minuut tot mijn kindjes.

Dan zie ik hen en krijg ik op mijn kop. Letterlijk. Rustig leg ik uit dat ik begrijp dat ze kwaad is omdat mama weg was, maar dat ze daarom nog niet mag slaan. Ik weet dat het weer tijd en energie zal kosten om het goed te maken. Ik mag nog dertig keren uitleggen dat mama verdrietig is omdat oma ziek is. Dat oma er niet meer lang zal zijn. Ze kijkt me aan alsof ze het begrijpt. Maar hoe zou een kind van nog geen 2,5 zoiets moeten begrijpen. 

Ik mag niet vergeten dat Martha ook nog een heel klein meisje is dat heel erg haar mama nodig heeft. Ze kreeg een broer en sindsdien is mama nooit meer alleen haar mama geweest. Altijd hangt haar broer aan mama’s lijf, aan de borst, in de draagdoek, in bed. En het lijkt alleen maar erger te worden. Nu is mama verdrietig, moe en ongeduldig. En soms gaat ze weg, zonder kindjes, naar oma. Stoute mama. 

Geborgenheid

Het is de laatste maanden soms zo slopend geweest om in Zuienkerke te zijn. Zodra je in mama haar ogen keek begon ze te huilen. De drukte en vermoeidheid van een peuter en een zwangerschap/kleine baby en tegelijk proberen te raden wat mama wilde zeggen: drinken, de droogkas aansteken, het schuifraam dichtdoen? Weten dat we niets konden doen om haar beter te doen voelen. Elke keer dat we naar huis reden, voelde ik me leeg en op. En toen moest de werkweek nog beginnen. Of had ik moeilijke nachten met Thomas voor de boeg.

Maar nu het hoge woord eruit is, nu we weten waar we voor staan, geeft het me vreemd genoeg rust om hier te zijn. Kleine dingen voor mama doen: cola of haar deken brengen, met mijn kindjes bezig zijn terwijl mama zit te puzzelen, af en toe eens echt met mama praten. Ik hoef het niet te forceren. Door er veel tijd door te brengen, komen de gesprekjes spontaan. Door veel bij mama te zijn, kan ik proberen om nog alles te vragen wat ik wil weten, alles te vertellen wat ik nog kwijt wil.

Of ze het echt heel zeker weet. (Ja!) Of ze nog eens naar de zee wil. (Nee.) Of ze nog iets wil regelen voor haar eigen begrafenis. (Nee.) Of ze een overwegend goed of een overwegend slecht leven heeft gehad. (Goed!) De laatste keer ook dat ik bevestiging kan zoeken bij mijn mama. Of ze mij een goeie mama vindt. (Teurlik!) Vaak haalt ze haar schouders op, soms huilt ze, nu en dan lacht ze, met Martha haar eindeloze gebabbel of met Thomas zijn bloedmooie glimlach. Ze knuffelt me en streelt me met haar linkerhand. De geborgenheid van geknuffeld worden door mijn mama zal ik over enkele maanden voor eeuwig en altijd moeten missen. Ik zal niet meer tegen haar aan kunnen kruipen in de zetel. Het is een geborgenheid die ik nergens anders kan vinden dan bij de persoon die mij het liefste ziet van de hele wereld. Voortaan zal ik alleen nog zelf de mama zijn die geborgenheid moet bieden.

Die kleine dingen zijn waardevol nu ik weet dat ze er over enkele maanden niet meer gaan zijn. Gek hoe mensen eindigheid nodig hebben om de dingen naar waarde te schatten.

De moedigste keuze die een mens kan maken

Het verbaast me dat zo veel mensen zeggen dat ze dit niet hadden zien aankomen. Euthanasie, het is nooit ver uit mijn gedachten geweest sinds februari 2014. Ook al kreeg ik het woord zelf lange tijd niet over mijn lippen. Net omdat mama er al zo lang over bezig was dat ze zo niet verder zou willen leven. Toen we vorig jaar voor die moeilijke keuze stonden, opereren of niet, dacht ik: we grijpen die ene kleine kans die we hebben, omdat we niet anders kunnen, en als het niet meer goed komt, kan mama zelf beslissen dat ze zo niet verder wil. Mijn grootste angst was toen dat mama zelfs niet meer genoeg zou herstellen om nog wilsbekwaam geacht te worden, en dat we niets meer voor haar zouden kunnen doen. Dat heb ik toen ook geschreven: https://poffie.wordpress.com/2014/02/15/sandwichgeneratie/

Als ik de afgelopen maanden alleen nog eerlijk ‘niet goed’ kon antwoorden op de vraag hoe het met mama was, en me hardop afvroeg hoe het nu toch verder moest, dacht ik dat mensen tussen de regels lazen dat ik me afvroeg, niet OF mama euthanasie zou wensen maar WANNEER ze de vraag zou stellen. Ik heb het altijd zo vanzelfsprekend gevonden dat dit de uitkomst zou zijn als mama’s revalidatie niet voldoende resultaat opleverde, dat ik nu pas besef dat euthanasie eigenlijk helemaal geen normale, vanzelfsprekende keuze is.

Het doet me wel heel veel deugd dat voorlopig nog niemand gezegd heeft: “Zou je dat nu wel doen?” Vrijwel iedereen vindt het moedig dat mama deze beslissing neemt en dat wij haar steunen. Er is ongelooflijk veel respect voor haar beslissing, ook bij mama’s broers en zussen. Ook voor hen moet het nochtans niet gemakkelijk zijn. Hun kleinste zusje te vroeg moeten afgeven. Weer een Keirse minder op de volgende Paasmaandag. Maar iedereen die mama de afgelopen maanden gezien heeft, begrijpt waarom deze keuze de enige is die ze nog heeft.

Mijn mama is altijd een sterke, moedige vrouw geweest. Het feit dat ze deze beslissing durft te maken, is het ultieme bewijs van haar moed.

Er zullen ongetwijfeld ook wel mensen zijn die niet begrijpen waarom mama dit beslist. Misschien durven die mensen dat gewoon niet te zeggen tegen ons. Maar ik vraag me af wie in godsnaam zo zou willen leven. Fysiek voor alles afhankelijk zijn van anderen, maar niet kunnen uitdrukken wat je bedoelt.

Mama kan stappen, ja. Maar het duurt heel lang voor ze bijvoorbeeld nog maar aan de wc raakt. Intussen steken wij haar wel vijf keer voorbij omdat we iets nodig hebben uit de keuken en dan weer naar de gang rennen. We zijn jong, gezond en ongeduldig.

Doordat ze maar één hand kan gebruiken daar een kruk mee vasthoudt, kan ze moeilijk iets meenemen. Om haar cola van de tafel naar de bureau te brengen, moet ze hulp vragen. Als ze net van haar bureau naar de zetel is gestapt, en ze ziet haar trui op de bureau liggen, zegt ze ‘dju’. Dan vragen we: heb je nog iets nodig? En na minstens vijf andere dingen opgesomd te hebben, weten we dat het haar trui is die ze nodig heeft.

Ze kan niet spreken of schrijven. Raden, raden, constant raden, dat is de manier waarop wij al meer dan een jaar met mama communiceren. Een mens kan duizend-en-één dingen voelen en denken, en dat zijn voor iedereen andere dingen. Maar wij vertrekken altijd uit ons eigen referentiekader om te raden wat mama zou denken of nodig hebben. Sommige dingen vinden we snel: de gordijnen open, een glas cola, pillen … Om minder routineuze dingen te raden is veel tijd en geduld nodig, van haar en van ons. En vaak schudt ze met haar hoofd: laat maar zitten, je vindt het toch niet.

Ze heeft altijd graag gelezen maar kan dat nu niet meer. Ze kan zich met bijna niets bezighouden. Ze puzzelt om de tijd te doden, maar dat is ook ongeveer het enige wat ze nog kan doen.

De vraag voor euthanasie is nooit een donderslag bij heldere hemel. Het is het logische gevolg van de hel waarin ze al zestien maanden leeft.

Het is zoals mama’s broer Manu zei. Vroeger was je gestorven na zo’n beroerte. De medische wetenschap is zo geëvolueerd dat men mensen kan behandelen. Maar daar moet tegenover staan dat men mensen ook kan toestaan om voor de dood te kiezen als blijkt dat ze toch geen kwaliteitsvol leven meer kunnen hebben na die behandeling. Ik wou dat ik nooit met euthanasie te maken moest krijgen in mijn leven, maar ben wel opgelucht dat het bestaat en dat het in België wettelijk geregeld is. Ik denk ook vaak aan mijn tante, die na een banaal fietsongeluk al jaren in een verzorgingstehuis zit, niets meer kan en niets meer beseft, en voor wie haar kinderen niets kunnen doen.

Het is hard om gepland afscheid te moeten nemen van mama, maar nog veel harder zou het zijn om haar te moeten zien verder leven met al haar verdriet.

Een mens is maar zo sterk als wat hij moet dragen

‘Een mens is maar zo sterk als wat hij moet dragen’, zei mama’s jongste broer, met de verpletterende levenswijsheid die zo typisch is aan de Keirses.

Ik heb twee kindjes die 100 % aandacht vragen. De ene is een baby en zou in de ideale wereld nooit of te nimmer langer dan enkele seconden op zijn rug ergens in een bed of een park mogen liggen huilen. De andere is een tweejarige en als ze bewuste oprechte aandacht van mama krijgt gaat alles gewoon beter. Van zodra mama met haar gedachten elders is, krijgt ze kuurtjes en woedeaanvallen. En ook die zijn alleen te doorprikken met positieve aandacht en een engelengeduld om op haar in te praten, tot haar door te dringen, haar tot rede te brengen, haar hysterie te doorbreken. Ik kan me erin verplaatsen. Ik weet hoe ik me zelf voel als ik begin door te flippen en Mehdi het erger maakt door er niet of verkeerd op te reageren. Zo’n woede-uitbarsting wordt dan steeds erger tot je gewoon compleet over de rooie gaat.

Het is sowieso al moeilijk om die twee gecombineerd te krijgen, die eerste maanden met twee kinderen. Onderbroken nachten zorgen ervoor dat je emmertje geduld niet elke dag helemaal gevuld geraakt. Maar nu komt er dus bij dat mama beslist heeft en dat het bij mij harder aankomt dan verwacht. Ik dacht immers dat ik er klaar voor was dat ze dit ging beslissen. Maar klaar ben je nooit en een goed moment is het ook nooit. Het voelt alsof er een nieuwe fase is aangebroken in dat slopende rouwproces dat nu al 16 maanden bezig is. Ik heb twee kindjes die mijn aandacht vragen en tegelijk loop ik het klokje rond in cirkeltjes te draaien in mijn hoofd.

’s Ochtends lukt het allemaal nog. Zelfs na een nacht van twee uren slaap heb ik een beetje energie om er tegenaan te gaan, om enkele kleine dingen te ondernemen om de chaos te bedwingen. Maar tegen ’s avonds is de chaos in mijn hoofd compleet. Alles wat ik nog moet doen, overstemt elkaar. Prioriteiten zijn niet meer duidelijk. Dat ik nog pampers moet kopen wordt bij wijze van spreken even onoverkomelijk als de euthanasie van mijn moeder. Ik krijg angstaanvallen omdat ik niet weet hoe ik die enorme chaos ooit een klein beetje klein zal krijgen.

Slaap, dat is het enige wat ik nodig heb om het hoofd te bieden aan deze donkere periode in mijn leven. Slaap is het enige wat ik nu echt niet kan hebben. Ik lig naar het plafond te staren en pieker me stuk. Als ik dan eindelijk de slaap kan vatten, word ik wakker van de vroege hongersignalen van mijn zoon en begint het gepieker gewoon opnieuw.

Zo bloot als je zenuwen al liggen wanneer je pas een kindje de wereld in hebt geworpen, liggen ze nu bloter dan het blootste bloot. De komende maanden zou ik heel graag even niet mezelf zijn. Iemand anders, met andere zorgen. Voor even. “What does not kill me will only make me stronger”, probeer ik te geloven. Maar met alle respect, dat is werkelijk klinkklare nonsens. Ik wil niet sterk zijn. Ik wil geen reden hebben om sterk te zijn.

Want sterk zijn, wat is dat eigenlijk? Sterk zijn is gekke bekken trekken naar je zoon van negen weken enkele minuten nadat je moeder je met smekende ogen duidelijk maakt dat ze dood wil, dat ze het zeker weet, en regelen jullie dat dan even aub? Nee, dan hoef ik het niet, dat hele sterk zijn.

pitn en patatn

Nog een keer de zee zien. Nog een keer chocomousse eten. Nog een keer samenzijn met de hele familie. Nog een etentje met die of die. De natuurlijke reflex is om op zoek te gaan naar kleine pleziertjes die mama haar laatste maanden nog bijzonder kunnen maken. Maar ze wil het niet. Ze haalt haar schouders op bij elk voorstel. Mama is klaar met leven. ‘Op sterven na dood’, ik begrijp nu pas hoe letterlijk dat kan zijn. Haar grootste plezier in het leven lijkt wel: mij (te veel) mignonetjes zien eten. Aandringen als ik zeg dat ik genoeg heb.

Als ik vroeger aan dit soort scenario dacht, stelde ik me voor dat we nog lange wandelingen aan de zee zouden maken. Uitgebreid praten over het leven en wat dat gebracht heeft. Dat mama zelf de druk van de ketel zou nemen door grapjes te maken. Maar zo gaat het alleen in de films. In deze bittere realiteit heeft mama geen zin om nog iets te ondernemen. Ook over haar eigen begrafenis wil ze niet meer nadenken. ’t Is gepasseerd voor haar. ‘Trek jullie plan. Ik heb genoeg gedaan.’ Dat lees ik in haar schouderophalen.

Ze doodt de tijd tot aan haar dood met haar puzzels. Ik heb nooit veel aanleg gehad om te puzzelen, maar ik denk niet dat ik ooit nog het logo van Ravensburger zal kunnen zien zonder aan deze donkere, moeilijke tijd terug te denken.

Ze eet kervelsoep met een lepel en begint te huilen omdat het langs haar kin loopt. Zelfs dat lukt niet meer. En dan krijg ik een ingeving. “Mama, wil je nog eens ‘pitn en patatn’ eten?” Haar gezicht klaart op. Ze lacht en knikt enthousiaster dan ik het in lange tijd gezien heb. ‘Pitn en patatn’, dat is: karnemelkpuree met zachtgekookte eitjes en gesmolten boter. Je maakt een putje (‘pit’) in je puree (‘patatn’) en giet daar de gesmolten boter in. Degoutant lekker is dat. Een typisch mamagerecht. Mijn vader trekt er zijn neus voor op.

En dus aten we pitn en patatn, het gerecht bij uitstek dat iedereen met één hand eet, want een mes heb je er niet voor nodig. Dat we daar niet eerder aan gedacht hebben.

Verdriet

Verdriet. Dat is: niet kunnen huilen, maar dan Stef Bos opzetten en niet meer kunnen stoppen met huilen. Dat is: bij elke oudere vrouw die ik tegenkom, me afvragen of die nu tien of twintig jaar ouder dan mijn mama is. Dat is: het gevoel hebben dat je nooit meer oprecht van het leven zal kunnen genieten. Wel beter weten, maar gewoon even niet zien hoe je hier nog uit kan geraken. Verdriet, dat is: me vastklampen aan mijn kindjes met al wat ik heb, maar me ook afvragen of die kleine schoudertjes zoveel verdriet wel kunnen torsen. Dat is: bijna zeker weten dat ik langer zonder mama zal leven dan met. Me afvragen hoe veel er nog van haar zal overblijven over dertig jaar. (Denken aan Meggie en weten dat een mens nooit echt vergeet, maar dat verdriet ook nooit echt slijt.)

Verdriet, dat is: dat mensen vertederd naar me glimlachen, want wat ze zien is een jong moedertje, met een baby op haar buik en een peuter aan de hand. En ik die het het liefst van al zou willen uitschreeuwen: ge zoudt eens moeten weten! Dit jonge moedertje is ook een klein meisje van 30 jaar dat op het punt staat haar mama te verliezen. Maar dat doe ik niet. ‘Geniet ervan’, zeggen ze en ik lieg: ‘zal ik doen’.

Verdriet, dat is: denken aan het leven zoals het zou moeten zijn en boos worden, nog altijd even machteloos en boos als zestien maanden geleden. Verdriet, dat is als niets, maar echt niets helpt. Als zelfs de prachtige glimlach van je zoon en de lieve knuffels van je dochter je niet beter doen voelen. Dat is weten dat die kleine kindjes nooit zullen weten wat voor iemand hun oma was.

Verdriet, dat is: mezelf zien huilen in de spiegel en plots zien hoe hard ik op haar lijk. In de spiegel het wanhopige gezicht zien dat ik de afgelopen maanden zo vaak machteloos heb moeten aanschouwen bij haar.

Een mens staat maar bij één persoon echt in het krijt

“Pijn had zij niet, dat is waar, een troostende gedachte kan ik het maar nauwelijks noemen. Uitgerekend zij moest haar spraak verliezen. (…)
Was het twee jaar te laat? (‘Laat dat toch gaan. Laat dat oud menske gaan’) ik weet het nog steeds niet. Ik had de mooie momenten niet graag gemist. Maar nog liever had ik, met terugwerkende kracht, de gruwelijke uren en dagen uitgewist. In de eerste plaats voor haar. Nooit heb ik haar, naar mijn gevoel, meer verknochtheid en respect bewezen dan toen we haar eindelijk toelieten te gaan. Een mens staat maar bij één persoon echt in het krijt. Ik heb die lei toen schoongewreven. Misschien kan liefde maar één ding echt. Uit liefde doden.”

Uit Sprakeloos van Tom Lanoye, ironisch genoeg het enige boek van Lanoye dat mijn moeder kon pruimen.

Ik dacht dat ik er klaar voor was. Maar blijkbaar is er niet iets als er klaar voor zijn dat je moeder wil sterven. Hoewel ik al maanden vermoed, bijna zeker weet, dat ze haar beslissing genomen heeft, en dat ik ook nooit echt geloofd heb dat er nog een andere uitkomst mogelijk is, komt het bikkelhard aan. Het besef dat je moeder niet meer ziet hoe het leven nog het leven waard kan worden. Weten dat ze bij volle bewustzijn moet beslissen om haar kleinkinderen niet te zien opgroeien. Wreed, zo wreed. Wreed hoe het leven mijn moeder behandeld heeft. Chance was niet voor haar weggelegd, zo lijkt het wel. Als ze nog maar heel even durfde gelukkig te zijn, lag de volgende miserie alweer op de loer.

We wisten dat de kans groot was dat dit vroeg of laat zou gebeuren. We wisten alleen niet wanneer. Nu het zover is, moeten we dat een plaats geven in ons leven en onze gedachten. Binnenkort zijn we halve wezen. Binnenkort zijn we onze mama kwijt. Binnenkort ben ik een mama zonder mama.

Ik blijf ook maar denken aan die negatieve wilsverklaring, waar ze mee bezig was. In stylo op kladpapier, maar niettemin zwart op wit: ‘In geval van zeer ernstige hersenbeschadiging waaruit ik slechts met zeer zware restletsels kan overleven, wens ik stopzetting van elke behandeling’. Zonder dat kladblaadje had ik misschien nooit durven vragen of ze dood wilde, of het misschien dat was wat ze bedoelde met haar smekende ogen. Want begin daar maar eens over tegen je moeder als ze zelf niet meer kan spreken.

Ik wist dat deze keuze in de lucht hing. Ik wist het, ik begrijp het en ik heb er vrede mee. Ik ken mijn mama. Door al heel jong enkele mensen te verliezen, heb ik urenlang met haar over de dood gepraat. Deze beslissing is consistent met hoe ik mijn mama en haar visie op leven en dood ken. Het heeft nooit in haar aard gelegen om zich vast te klampen aan het leven.

Maar dat maakt het verdomme nog niet gemakkelijk.

Het is nu heel concreet en de knoop in mijn maag wordt groter met de dag. Dit is een nieuwe fase in dat slopende rouwproces dat nu al maanden aansleept. Ik wil mijn moeder niet verliezen. Maar de realiteit is dat ik haar al meer dan een jaar kwijt ben. Ik mis mijn mama. En pas als ze er niet meer is, zal ik haar kunnen herinneren als de vrouw die ze echt was.

Mama lijkt opgelucht dat het eruit is. Dat iedereen nu weet dat dit haar keuze is, en dat ze die keuze ook mag maken. Voor haar kan het nu niet snel genoeg gaan. Ik merk dat ze emotioneel een muurtje om zich heen gebouwd heeft, zoals mijn zus het zo mooi zegt. Het is afgesloten voor haar. Ze kan nog eens lachen met ons, of eens bezorgd kijken. Maar het lijkt wel alsof ze niets meer voelt. Numb.

Zo lijkt het, maar waarschijnlijk doet ze nu gewoon wat ze de afgelopen dertig jaar heeft gedaan. Zich sterk houden voor ons, ook als ze zich niet sterk voelt. Ik kan me alleen maar proberen voor te stellen hoe het voor haar moet zijn om bewust te beslissen dat ze ons achterlaat.

Aan de ene kant wil ik de tijd voor het afscheid rekken. Nog zoveel mogelijk tijd met mama doorbrengen. Aan de andere kant zal het ook voor mij een opluchting zijn als het voorbij is, deze moeilijke periode in het voorgeborchte van de hel. Eindelijk echt kunnen starten met het rouwproces. Eindelijk de focus weer kunnen leggen waar hij hoort te liggen op dit moment in mijn leven: op mijn jonge gezin. Ook dat is wreed. Maar ik kan met die paradoxale gedachten leven. Want ik weet zeker dat we allemaal nog jaren voor mama zouden willen zorgen, áls ze dat tenminste zelf zou willen. Als we er op een of ander manier in konden slagen om haar leven nog draaglijk te maken.

Mijn verdriet is groot en mijn angst is dat ook. Angst dat het hier niet ophoudt, dat ik haar talent voor ellende geërfd heb, dat het leven nu nooit meer gemakkelijk en zorgeloos zal worden, voor zover het dat ooit geweest is. Ik neem me voor om me niet te laten verlammen door die angst. Ik beloof aan mezelf en aan mijn kinderen dat ik uit het leven zal halen wat eruit te halen valt. Te beginnen vanaf nu.

een schijntje van een mens

Bekennen dat je zwak bent, het is niet geoorloofd en niet aangeraden in onze maatschappij. Steeds meer komt de visie bovendrijven dat iedereen verantwoordelijk is voor zichzelf. Elk voor zich. Als je slaagt in het leven, heb je flink gewerkt. Met hard werken kan je alles bereiken en mechanismen als discriminatie zijn overroepen. Als je faalt in het leven, is dat eigen schuld, dikke bult.

Ik geloof dat niet. Sommige mensen staan om te beginnen niet zo sterk in onze maatschappij. En soms zijn er ook omstandigheden die je zwak maken zonder dat je daar zelf noodzakelijk iets aan kan doen. Maar het probleem met de visie die onze maatschappij vandaag domineert, is dat je niet meer mag toegeven dat je je soms wat zwakker voelt. Als je niet mee kan, blijf je maar achter.

Bij deze geef ik het toe. Het afgelopen jaar was zwaar, intens en emotioneel belastend. Mijn tweede zwangerschap is er in zekere zin te veel aan. Ik ben nochtans doodgelukkig met het mannetje in mijn buik en de timing kon wat mij betreft niet beter. Maar ik ben ook fysiek en emotioneel uitgeput. Ik sta stijf van de stress. Dat stress slecht is voor je ongeboren kind bezorgt me momenteel gewoon nog meer stress. Ik heb buikpijntjes van alle aard die me zorgen baren (pun not intended).

Ik durf het toegeven. Ik ben zwakker dan ik een jaar geleden was. Momenteel is 32 uren per week werken the best I can do. Dat zijn er eigenlijk al te veel. Ik sta wankel op mijn benen. Ik ben maar een mens. Ik ben maar één mens. Tegenwoordig voel ik me echter meestal maar een schijntje van een mens. Nu en dan moet ik zelfs huilen, maar vertel het niet verder. Ik vraag me al weken af wat het breekpunt is. Wanneer je naar de dokter gaat en platte rust vraagt zonder dat je je een aansteller moet voelen.

Ik ben niet de enige. Ik zie dat veel mensen in mijn omgeving het ook moeilijk hebben. Ze twijfelen, zijn doodmoe, zien het niet altijd zitten, twijfelen nog een beetje meer, blijven toch maar doorgaan, blijven doodmoe … En daar wordt zo weinig over gesproken. Dat vind ik jammer. Ik wil geen deel uitmaken van een maatschappij waar iedereen die tijdelijk of permanent wat zwakker in het leven staat vertrappeld wordt.

Daarom hou ik hier een pleidooi voor meer kwetsbaarheid, meer openheid, meer eerlijkheid. Wees eerlijk als het niet goed met je gaat. Vertel het mij. Vertel het anderen. Steek elkaar een hart onder de riem. We kunnen er alleen maar beter van worden.

Tijdskrediet is luxekrediet

Ik zie mezelf niet als grootste slachtoffer van wat er gaande is, integendeel. Als ik zo’n verhaal lees als dat van die alleenstaande moeder kan ik alleen maar blij zijn met hoe gemakkelijk mijn leven is. Tijdskrediet is luxekrediet, ja. In die zin dat ik de luxe heb om van de ene dag op de andere minder te gaan werken, ondanks een baby in huis, ondanks een zware afbetaling. Omdat we ‘hardwerkende tweeverdieners’ zijn met goede jobs op ons opleidingsniveau en een vast contract. Niet iedereen heeft die luxe. Ik dus wel en ik ben er dankbaar voor.

Maar tegelijk ben ik boos en bang. Boos omdat het discours dat momenteel gevoerd wordt over zaken als tijdskrediet doet uitschijnen dat iedereen die er gebruik van maakt een profiteur is. Bang omdat ik nog maar 29 ben en nu al zo moe. Omdat ik niet weet hoe ik dit tempo nog tot mijn 67ste moet volhouden. Omdat ik nu al amper tijd heb om voor mijn kind te zorgen, maar dat ik me er blijkbaar ook geen illusies over moet maken dat ik dat later ga kunnen goedmaken door voor mijn kleinkinderen te zorgen.

Ik lees in het regeerakkoord dat het zorgverlof en het palliatief verlof worden uitgebreid, ten koste van het ongemotiveerd tijdskrediet. “De controle op de motieven en de loopbaanvoorwaarden worden versterkt.” Ook in al zijn vaagheid baart dat voornemen me zorgen. Hoewel ik me nog geen enkel moment schuldig heb gevoeld over het zorgverlof dat ik sinds februari neem, weet ik niet zeker of ik de test zou doorstaan. Zou men met kwade wil niet kunnen motiveren dat ik (althans de laatste maanden) ‘oneigenlijk’ gebruikmaak van het mij toegekende zorgverlof? Ik ben elke vrijdag thuis, maar ik ben niet elke vrijdag bij mijn zieke moeder.

Wel verhuizen we om de twee weken ons volledige gezin naar Zuienkerke, zo’n 110 km. van waar we wonen. Wel ga ik één avond per week op bezoek bij mama in Gent. Op zo’n avond ben ik in totaal drie uur onderweg om 1 à 1,5 uur bij mama te zijn. Op zo’n avond zie ik Martha niet. Omdat Mehdi weer elke avond les heeft, springt zijn mama* heel vaak in. Hoewel bomma en kleindochter twee handen op één buik zijn, begint Martha het serieus te voelen dat ik haar vaak in de steek laat. Toen ik vorige donderdagavond bij mama op bezoek was, zat Martha in de auto met bomma. Er passeerde een trein. Martha wees naar de trein, zei ‘mama’ en begon net niet te huilen, omdat ze wist dat ik weg was. Hoe kan een moederhart niet breken als je dat hoort?

Ik heb die vrije vrijdag, dat zorgverlof, dus nodig om bij mijn dochter goed te maken dat ik er ook voor haar oma wil zijn. Ik heb die vrije vrijdag bovendien nodig om er zelf niet onderdoor te gaan. Want acht maanden het vuur uit mijn sloffen lopen en tegelijk op alle vlakken tekortschieten begint door te wegen. Ik heb het gevoel dat mijn reserves eraan moeten geloven. En dan moet ik nog meer dan een halve zwangerschap, een nieuwe kraamperiode en het leven georganiseerd krijgen met twee kinderen.

Het mag dus duidelijk zijn dat ik alvast zelf vind dat ik rechtmatig gebruikmaak van het zorgverlof. Maar los daarvan vind ik het doodzonde dat het tijdskrediet zonder motief wordt afgeschaft. Ten onrechte wordt deze vorm van tijdskrediet door de voltallige pers tegenwoordig afgeschilderd als wereldreistijdskrediet. (Griezelig trouwens dat de pers zo gretig een idee dat gelanceerd wordt door de n-va overneemt zondere enige zin voor kritisch denken, maar dat terzijde.) In realiteit gebruiken veel mensen het tijdskrediet zonder motief bijvoorbeeld om een opleiding te volgen of het even rustiger aan te doen nadat ze hersteld zijn van een kankerbehandeling. Een regering die het bezoek aan de psycholoog wil terugbetalen, zou toch moeten beseffen dat ook die vormen van zelfontwikkeling en zelfzorg goede motieven zijn om tijdskrediet te nemen. En dat ze dankzij het tijdskrediet zonder motief misschien op termijn zelfs minder psychologen gaan moeten terugbetalen.

* Als ik me probeer in te beelden hoe ons leven er zou uitzien zonder dat we constant altijd voortdurend de hele tijd elke dag elk moment op die bomma konden rekenen, krijg ik gewoon geen adem meer. (Die bomma is overigens nog maar 61. Als ik me probeer in te beelden dat zij moest werken tot 67 …)

Tot 67 werken

Tot 67 werken: dat is tien jaar langer dan mijn moeder heeft kunnen werken. Op 57 kreeg ze een beroerte. Boem, een zesde van haar hersenen weg en de helft van haar lichaam onbruikbaar. Gedaan met werken.

Tot 67 werken: dat is tien jaar langer dan mijn vader heeft gewerkt. Op 57 ging hij op brugpensioen. Hij is immers begonnen op 17 en deed fysiek zware arbeid. Laten we voor het gemak zeggen dat hij in het nieuwe systeem ook op vervroegd pensioen zou kunnen gaan. Vanaf 63. Dat zou betekenen dat hij nu één jaar van zijn pensioen had kunnen genieten voor hij voltijds de zorg voor zijn jongere vrouw moest opnemen. Zonder vervroegd pensioen was hij nog aan het werk. En wie zou dan voor mijn moeder zorgen?

Het is een waar feit dat mensen ouder worden. Maar kunnen we aub ook de leeftijd waarop mensen met hun gezondheid beginnen te sukkelen in rekening brengen voor we stellen dat werken tot 67 haalbare kaart is. Wanneer duiken kankers, beroertes en hartaanvallen gemiddeld op? En moeten we daar dan geen rekening mee houden?

Mijn grootmoeder is gestorven op 62 aan borstkanker. Mijn moeder kreeg borstkanker op 54. En mogelijk ten gevolge van haar borstkankerbehandeling kreeg ze op 57 die verschrikkelijke vernietigende beroerte. Het klinkt pessimistischer dan het is, maar ik geef mezelf 60 jaar. 60 jaar gezond leven. Alles wat ik extra krijg, zal ik in dank aanvaarden. Maar ervan uitgaan dat ik er maar 60 krijg, helpt me om de juiste keuzes te maken in het leven. En werken aan dit tempo tot 67 maakt op geen enkele manier deel uit van mijn plan.