Categorie archief: Uncategorized

Verloren tijd

Vorige zomer zat ik op een zwoele zomeravond (verschrikkelijk cliché) in de tuin. Het was een lange dag geweest, en ik was te overprikkeld om het oorverdovende lawaai van de ring te kunnen verdragen. Ik moest dus naar binnen vluchten om echt tot rust te komen.

Nu is alles anders. Gisterenavond, een zwoele lente-avond, genoot ik van de stilte in de tuin. Ik hoorde alleen de stemmen van de buren, het fluiten van de vogels en het gerinkel van belletjes ergens in één of andere achtertuin. Omdat ik te moe was om te lezen, keek ik gewoon een beetje naar de sterren en de maan. Ik heb de indruk dat de hemel helderder zichtbaar is vanuit mijn stadstuin sinds de wereld tot stilstand is gekomen. Ik rook de lente in mijn tuin en vroeg me af wat ik er normaal ruik. Fijn stof en kerosine misschien.

Hoe fijn zou het zijn als we na deze crisis niet gewoon opnieuw beginnen met waar we mee bezig waren. Dat het verkeer nog wat langer van de ring wegblijft. De vliegtuigen nog wat langer aan de grond. Dat we de lente kunnen horen en zien in de tuin. Dat we buiten kunnen zitten ’s avonds en genieten van de rust. Dat de wereld nog wat langer stil blijft staan.

Ik maak me weinig illusies. De kans dat alles trager wordt hierna is kleiner dan de kans dat alles nog een tandje sneller moet om de verloren tijd in te halen. Maar voor mij is dit gewonnen tijd. Tijd om naar de sterren en de maan te kijken, tijd om de lente te ruiken, te horen en te proeven, tijd om stil te staan, tijd om diep in en uit te ademen.

Ik ben doodmoe. Maar mijn zintuigen zijn wakkerder dan ooit.

De geest is uit de fles

Ik vind dat een mooie uitdrukking. De geest is uit de fles.
De geest is echt uit de fles nu.

Dit is wat mij betreft de crisis die er te veel aan is. Al jaren maak ik van de ene crisis na de andere ‘het beste’. En nu ben ik het beu. Ik ben moe en ik wil alleen maar mopperen. Leven, ge pest me. Eerst dat anderhalf jaar met mama, dan huwelijksproblemen met na jaren in overlevingsmodus te functioneren een scheiding, dan nog een kleine crisis hier die verdrongen is door een iets grotere identiteitscrisis ginder, die nu weer verdrongen is naar mijn donkerste nachtmerries omdat ik momenteel geen tijd heb om ermee te dealen.

Iemand zei me enkele maanden geleden: jij bent een goeie om mee naar de oorlog te gaan. Je blijft doorgaan, al sta je kniehoog in de diepste drek, en zie je de uitweg uit het moeras niet, toch blijf je doorgaan en zeg je: kom jongens, die richting uit, we komen er wel. Zo is dat. Nu is het oorlog, of toch een crisis die door velen vergeleken wordt met een soort van derde wereldoorlog, en ik ben het weer aan ’t doen, aan ’t doorgaan, mijn kindjes door het moeras aan ’t dragen, niet opgeven, niet trunten.

Maar ik ben echt heel moe. Ik zou graag willen dat hierna, als het alstublieft even kan, het leven gemakkelijk wordt. Dat het leven gewoon mooi wordt. Dat ik niet zo ontzettend mijn best moet doen om ergens ‘het beste van te maken’. Ik zou graag eens leven in plaats van alleen maar overleven. Het is genoeg geweest. Ik heb voorlopig mijn deel gehad. Nu graag een medaille en een kus van de juf. O, ik ben zelf de juf. En die medaille zal ik ook zelf wel knutselen. Geen dank.

Overleven in tijden van corona

Soms ben ik de moeder die verzuipt. Ik sta er alleen voor met de kindjes. Ik probeer elke dag te jongleren met de ballen: thuiswerk, mama zijn en juf zijn. Het is pittig en vermoeiend. Nee, dat is een understatement. Het is ON-MO-GE-LIJK.

Maar ik wil niet klagen. Want we zijn veilig thuis met zijn drietjes, en ik ben blij dat ik opgesloten zit met mijn twee lievelingsmensen op de hele wereld. Ik heb vriendinnen die eten komen brengen en die chips voor me gaan halen in de winkel. Ik héb werk en ik kán thuiswerken. Hoe klein ik mijn sociale cirkel ook hou, er gaat geen dag voorbij dat ik niet even een klein babbeltje kan doen met een écht iemand, van voordeur naar voordeur, door de struiken in de tuin heen, of tijdens het stoepkrijten (op veilige afstand, dat spreekt voor zich). Ik ben blij dat ik hier woon, want eenzaam ben ik helemaal niet.

Soms ben ik ook de moeder die van de afgelopen jaren wel geleerd heeft dat ze uitstekend functioneert in crisistijd. De moeder die elke dag de picknickdeken spreidt in de tuin en na het eten in het zonnetje nog zelf kleurplaten voor haar kinderen tekent of voorleest uit Sjakie en de chocoladefabriek. De moeder die kan genieten van het vertragen, die er berusting in vindt dat haar kinderen momenteel niet veel voor school werken, maar dat spelen toch het belangrijkste is dat een kind moet doen. En van tv leren ze ook veel bij, toch? Wat ik nu presteer, in mijn eentje, zal ervoor zorgen dat er nooit meer iemand mij een laag zelfbeeld zal moeten aanpraten, ook ikzelf niet.  

Maar ik wil niet stoefen, want voor elk moment dat ik het gevoel heb dat ik duizend man sterk ben en deze situatie onder controle heb like a boss, zijn er ook momenten dat ik mijn haar uit mijn hoofd wil trekken uit woede en frustratie.

Wat ik het lastigste vind aan het hele thuiswerk/fulltime alleenstaande moeder/halftijds juf zijn, is het voortdurende schakelen. We zijn niet gemaakt om te multitasken, neen, ook vrouwen niet. En ik kan niet anders nu. Van het moment dat ik ’s morgens uit mijn bed rol tot het moment dat ik ’s avonds uitgeput in slaap val wanneer ik de kinderen in bed steek, gaat het in mijn hoofd van ‘brood uithalen voor straks, die boeken opladen bij die drukker, de lievelingspyjama van kind 2 wassen, wat gaan we eten vanavond, ik moet dat manuscript naar de zetter sturen, hoe zal ik kind 1 weer van tv weg en aan haar huiswerk krijgen vandaag, ik zal haar aan de slag moeten zetten, dan moet ik daar even tijd voor incalculeren, ik mag niet vergeten om die kip in de diepvries te steken, hoe zorg ik ervoor dat ze straks stil zijn wanneer we die meeting hebben, ik moet vandaag echt de keuken nog eens poetsen …’ en dat maal duizend, de hele dag lang. Ik vind het bewonderenswaardig dat andere ouders na kinderbedtijd nog ‘bij’ werken, maar ik kan het niet. Wanneer ik mijn kinderen in bed steek om 20 uur poets ik zelf alvast mijn tanden, want meestal val ik gewoon mee in slaap. 

Ik sta altijd ‘aan’. Er is nooit een tijdsspanne van bijvoorbeeld een uur dat ik me kan focussen op iets. Nooit. Ik mediteer soms en merk dan dat ik nog minder dan voorheen mijn monkey brain onder controle krijg. Maar ik denk dat het gewoon niet kan in deze situatie. Ik kan me ook nooit eens een klein momentje van ‘onverstandig zijn’ permitteren. Gisteren de keuken niet opgeruimd? Pech, nu is alles aangekoekt en is het nog erger. Gisteren toch eens niet in slaap gevallen met de kinderen en genoten van de stilte in huis en bijgevolg te laat gaan slapen? Pech, nu ben je de hele dag doodmoe. ‘Let it gooo, let it gooo’ is de soundtrack van deze generatie ouders, maar nu kan ik niet loslaten, want elk momentje dat ik het loslaat, wreekt zich driedubbel. 

Mijn monkey brain wordt bovendien om de haverklap onderbroken door ‘mama, ik heb dorst’ of ‘mama, is ’t al tijd voor het vieruurtje’. En ze mogen me onderbreken, want als deze situatie voor ons al zo vreemd en onwezenlijk is, dan moet ze dat voor kinderen zeker zijn. Als ik iets kan doen om het grote gemis van school en vriendjes wat te compenseren voor hen, dan doe ik dat met liefde en plezier.  

Deze situatie is ontzettend kut, en ik heb deze keer niet altijd goesting om het te ‘omdenken’ of te wachten met erover te schrijven tot het in het veilige, verwerkte verleden ligt. Dit is ontzettend kut, en dat is het voor iedereen. En we proberen er allemaal het beste van te maken. Soms lukt dat en soms lukt dat niet. Dat is het leven. 

We gaan ook dit wel overleven.
This too shall pass.

Zondag 9 februari – 6 jaar later

“Liefde is alles, wat er blijft wanneer de rest verloren is” (Bart Peeters)

Zondag 9 februari 2014

Ik zat in de zetel, onder een dekentje, met een boek. Het huis was opgeruimd. Op het vuur stond een grote pot paprikasoep. Boven deden mijn man en mijn baby een middagdutje. Volmaakt huiselijk geluk. Eenvoud. Alledaagsheid. Geluk op zijn dirkdewachters. Meer moest het echt niet zijn voor mij.

Toen belde mijn zus.

Mama was gevallen, maar ze herkende hen nog. Wat die mededeling betekende, drong maar traag door. Het ‘nog herkennen’ was als geruststelling bedoeld, maar benadrukte natuurlijk meteen de ernst van de situatie.

Ik heb het kookvuur dichtgedraaid – de paprikasoep zouden we enkele dagen later integraal moeten weggooien – en ben mijn man gaan wekken. ‘Mijn moeder heeft een beroerte gehad.’ Van slaap naar schrik.

We zijn vertrokken, naar Zuienkerke. Hij reed, ik panikeerde. Nu en dan vroeg hij bezorgd aan mij of het ging.

Daarna waren er dagen van onzekerheid, van lange gesprekken met elkaar en met dokters, van wapperen met het kladblaadje waarop ze haar negatieve wilsverklaring had voorbereid, van moeten beslissen of we haar lieten opereren of haar hersenen zouden laten ontploffen in haar hoofd. De neuroloog besliste om haar te opereren, maar deed ons geloven dat we er inspraak in hadden; de intensivist zei de dag nadien dat het niet ethisch was om iemand met zo’n zwaar hersenletsel nog een levensreddende operatie te laten ondergaan.

Er was schuldgevoel omdat we haar misschien veroordeeld hadden tot het leven dat ze met die negatieve wilsverklaring net wilde vermijden, er was angst voor wat komen zou, er was hoop, veel hoop, me sterk houden, de oudste dochter zijn, me sterk houden, zorgen voor mijn kind en mijn moeder, me sterk houden, samen zijn met broer en zus, me sterk houden, pas instorten wanneer mijn baby ook nog eens de waterpokken kreeg die week, hopen, hopen, hopen.

Daarna volgde nog anderhalf jaar van hoop en onzekerheid. Ze revalideerde, intensief, en vanuit wetenschappelijk oogpunt vrij succesvol. Ze leerde stappen op haar verlamde been, kon zichzelf aan- en uitkleden, kon zich middels gebaren verstaanbaar maken. Maar vanuit menselijk oogpunt had ze geen leven meer.

En toen stierf ze alsnog. Glimlachend.

Zondag 9 februari 2020

Intussen zijn we zes jaar na die fatale zondag negen februari. Ik heb geen moeder meer. Ik heb geen man meer. Ik heb twee kinderen. De baby met de waterpokken is inmiddels een zesjarige wijsneus geworden die mij op de hoogte houdt van de Brexit en het Coronavirus. Het jongetje dat toen alleen in mijn dromen bestond, is nu een lieve, slimme en o zo schattige vierjarige dromer.

Er is veel gebeurd sinds die vorige zondag 9 februari. Ik heb veel om van te herstellen en ben daar nu volop mee bezig. Het gaat moeizaam, maar ik probeer mezelf de tijd te gunnen. Tijd, dat kostbare goed waarvan er altijd te weinig is en dat je als werkende mama maar ergens bijeen moet zien te schrapen.

Ik probeer weer een beetje meer op zijn dirkdewachters te leven en mijn kinderen dat voor te leven. Er zijn weer momenten van volmaakt huiselijk geluk, in dit huis dat nooit meer helemaal opgeruimd geraakt.

De afgelopen dagen waarde de griep door dit huis. Het jongetje had hem het zwaarst te pakken, maar het meisje en ik voelden ons ook niet al te best. We hebben veel in de zetel gezeten, onder metersbrede fleece dekentjes, tegen elkaar genesteld. We keken tv, tekenden, puzzelden en lazen, met zijn drietjes. Niks ging en niks moest. Het jongetje grinnikte bij het grote boek van kleine beestjes, en droeg me na drie dagen zonder eten op om spaghetti te maken. Het meisje wilde alleen maar met mama knuffelen en kreeg een briefje van de maan, dat alleen zij en haar broertje konden zien. Een vriendin klopte op het raam, zei dat ze in de winkel aan me moest denken, en gaf me een pot paaslelies, omdat ze weet wat vandaag voor me betekent. We vieren straks de verjaardag van mijn metekindje, het dochtertje van een lieve vriendin die ik veel te weinig zie, maar die me elke dag onvoorwaardelijk steunt en graag ziet, en dat al twee decennia lang.

De afgelopen zes jaar ben ik veel verloren. Maar er zijn zoveel mensen in mijn leven die me optillen en dragen, die dit rommelige, onvolmaakte leven ontzettend mooi maken. Liefde is alles.

Meer moet het echt niet zijn voor mij.

Er zijn geen hokjes in mijn hoofd

Soms is het leven overweldigend. Het kan zomaar gebeuren. Enkele nachten te weinig geslapen, te veel gepiekerd, en enkele dagen te weinig alleen geweest met mijn gedachten, en plots begin ik onbedaarlijk te huilen, de hele autorit van Brugge naar Antwerpen, om maar een voorbeeld te geven. Als iemand me zou vragen: waarom huil je nu, kan ik alleen maar zeggen: om alles. En zo is het ook. Ik huil dan omdat mijn moeder dood is, omdat Meggie dood is; ik huil omdat ik eenzaam was als kind, en ik huil van ontroering omdat ik later wél verwante zielen tegenkwam; ik huil omdat de muziek die ik hoor zo schoon is, en ik huil omdat de Kennedytunnel zo lelijk is. Ik huil omdat ik mijn kinderen doodgraag zie, maar dat ik ze evengoed achter het behang wil plakken. Ik huil, omdat het leven een rommeltje is (maar de meest wonderlijke rommel). Ik huil omdat ik het moederschap zonder moeder zo zwaar vind, en had ik dat nu echt niet op voorhand kunnen weten? Ik huil omdat het leven te veel is voor me, en tegelijk niet genoeg. Ik huil, omdat ik niet weet waar eerst te beginnen. Ik huil omdat ik niet weet waar het ophoudt. Ik huil, en dan stop ik, en dan begin ik opnieuw. Alles komt ongefilterd binnen. En ’s avonds ga ik naar het zesde metaal en ik huil nog wat, want de kraan stond toch al open en ook Wannes komt ongefilterd binnen. Mijn zenuwen liggen bloot. Alles valt over elkaar heen. Mijn hoofd is gelijk een kuip mortel die van een stelling valt. (Of als mijn living nadat mijn kinderen gepasseerd zijn.) Er zijn geen hokjes in mijn hoofd om dingen in weg te duwen. Het is zo verschrikkelijk vermoeiend om zo intens te voelen, maar ook zo verschrikkelijk schoon.

Columnwedstrijd This is how we read

IMG_20160718_215631

Kort bericht: ik ben genomineerd voor een columnwedstrijd en ik kan er boeken en een spectaculaire taart mee winnen. Did I die and go to heaven? Nee, ik denk het niet, want in de hemel valt er alleen rijstpap te bikken, en bovendien is er no way dat ik daar terechtkom. Al is het maar omdat ik mensen soms slechte dingen toewens. Welke dingen dan? Dat lees je in mijn column die genomineerd werd voor de zomerse columnwedstrijd van de boekenblog This Is How We Read. Hierzo: http://thisishowweread.be/column-op-woensdag-spoorligster/

Een diepdroevig verhaal over boterkoeken (Hashtah West-Vlams vor Antwerpenoars)

“Ik ben niet van West-Vlaanderen. Ik ben nooit van daar geweest. Maar wanneer ik in West-Vlaanderen kom, dan is het altijd feest.”
(In mijn herinnering is dat een citaat van Herman Brusselmans, maar ik vind er online geen spoor van terug. Iemand?)

Liese schreef een blogpost over haar West-Vlaams. Ik volg graag haar voorbeeld. Je moet weten dat ik me soms erg onderdrukt voel ten huize Picnic. Helukkig neemt mijn dochter nu en dan mijn West-Vlaamse tongval over. Vooral tegen het einde van een schoolvakantie merk ik een duidelijke invloed. Ging het bij het begin van de Paasvakantie nog van:
Iek wil een ijsje (met open tweeklank)
klonk het tegen het einde van de vakantie al:
Ek wil een ijsje (met gesloten tweeklank)

Ze is al slim genoeg om te horen dat er elders anders wordt gesproken. Fragment uit een dialoog met haar grootvader.
– Opa, mag ik een stukje kiep.
– Martha, hier is er geen kiep. Wat eten we hier?
– Kep.

Soit, ik maak me weinig illusies over de overlevering van mijn dialect of zelfs mijn tongval. Het zijn en blijven Antwerpse kindjes. Zelf pas ik me ook aan, uiteraard. Ik ben ingeburgerd hoor, of ik probeer het toch, met wisselend succes. Behalve wanneer ik pas naar Bevergem of Eigen kweek heb gekeken. t’ Ku zukke deuhd doen an men ertje, voe noh e kir e muultje West-Vlams te klapn.

Enkele woordjes liggen me nauw aan het hart. Ik kan me wel voor de kop kloppen wanneer ik mezelf iets over ‘nicnacjes’ hoor zeggen. Het zijn piknikken. Ik heb er mijn blog zelfs naar genoemd. Pimpampoentjes blijf ik hardnekkig pimpampoentjes noemen, hoe vaak M. ook zegt dat het lieveheersbeestjes zijn. Overigens, mijn schoonmoeder noemt ze ‘lievevrouwebeestjes’. Ge zijt een feministe of ge zijt het niet.

En dan zijn er nog die woordjes die in West-Vlaanderen totaal iets anders betekenen dan in de rest van het land. Wanneer ik Thomas ‘e droef vintje’ noem, of ‘kleine droevaard’, betekent dat niet dat hij verdrietig is. De eerste keer dat mijn vader bij mijn schoonouders ging eten, vroeg mijn schoonmoeder of hij het lekker vond. ‘Ja, maar kzien nie zindelijk we’, zei mijn vader. De blik in haar ogen, ik lig nog altijd plat als ik eraan denk.

(droef = stout; zindelijk = kieskeurig.)

Boterkoeken

Ik heb wel één klein woordtrauma opgelopen in Antwerpen. Boterkoeken (beuterkoekn) schijnen hier namelijk koffiekoeken te heten. Volstrekt niet logisch, natuurlijk. Koffiekoeken zijn koeken voor bij de koffie zoals daar zijn: rachellekes of speculoosjes. Of café noirs, die hebben zelfs koffiesmaak. Boterkoeken zijn koeken met heel veel boter, zoals daar zijn: croissants of lange suisses. Daar dachten die Antwerpenaren duidelijk anders over, dus ik paste me aan. Maar ik leefde in de overtuiging dat zelfs in Antwerpen één bepaald soort koffiekoeken ‘boterkoek’ heet. In de Panos had ik namelijk altijd zonder problemen boterkoeken met rozijnen kunnen bestellen.

Tijdens onze verhuis wilde ik voor mijn moeder boterkoeken met rozijnen kopen. Dat waren haar lievelingsboterkoeken. Ik vroeg dus bij de bakker of ze ‘boterkoeken met rozijnen’ had. Ze keek naar me zoals er normaal alleen in Gent naar West-Vlamingen gekeken wordt, met ogen die lijken te schreeuwen: ‘Ga terug naar uw eigen land’. Onvriendelijk, op het agressieve af, zei ze: ‘Boterkoeken? Dat hebben we hier niet. Dat bestaat alleen in West-Vlaanderen.’ Ze zou dat West-Vlaamse gevalletje dat hier pas kwam wonen wel eens uitleggen hoe het in elkaar zit in Antwerpen. Haar bakkerij zat dan nog op de Diksmuidelaan, godbetert.

Ik schrok van haar onvriendelijke reactie, slikte even en bestelde braaf verder. Enkele ogenblikken later stond ik op straat, met een zakje croissants in de hand, en in mijn hoofd honderd gevatte tegenreacties op haar onvriendelijkheid. Zo vergaat het een brave West-Vlaming in assertief Antwerpen. Ik heb nooit meer boterkoeken durven bestellen aan deze kant van ’t water.

 

Heb je ook al eens zo’n dialecttrauma opgelopen? Of een grappige spraakverwarring?

 

 

We zitten ook nog steeds op Facebook en wel hier.

Dat was 2015.

“It’s a long december and there’s reason to believe maybe this year will be better than the last … “

2015, ik kan je niet samenvatten.

Plus 1 kind. Min 1 ouder. Dat zou een goede samenvatting kunnen zijn, ware het niet dat ik daarbij al die andere ‘kleinere’ gebeurtenissen vergeet: het tandje, de inbraak, de ontslagen op het werk, de slapeloze nachten, de keer dat ik bont en blauw stond nadat ik middenin de nacht kei-hard met Thomas in mijn armen tegen de kast knalde, de vermoeidheid, de talloze keren dat ik uit het dal kwam gekropen, om enkele moeilijke nachten later terug te vallen. Nee, 2015 was niet mijn beste jaar.

The one where I didn’t sleep. Ook dat is een uitstekende samenvatting. De goede nachten sinds Thomas geboren werd, zijn nog altijd op de vingers van twee handen te tellen. Een tantaluskwelling was het. Elke keer dat ik mijn ogen sloot, begon er een baby te huilen, ging de telefoon of de deurbel. Every single time, maanden aan een stuk. Mijn kinderen slapen nooit, en zeker niet tegelijk. Nee, ik heb nog nooit zo weinig geslapen als in 2015.

Maar laten we focussen op het positieve. Want er zijn dit jaar natuurlijk ook goede dingen gebeurd, en niet alleen in de marge, integendeel.

1. Thomas werd geboren.

Dat is de enige reden dat 2015 in mijn herinnering niet alleen zal voortbestaan als een ongelooflijk kutjaar. Plots waren we een heus gezin van vier. Het was moeilijk zoeken naar een nieuw evenwicht. Ik donderde van mijn roze wolk en er kwam een grijze voor in de plaats. Maar hij is zo lief en knap, mijn klein ventje. Hij lacht áltijd, maar nog het meest wanneer hij mij of Martha ergens ziet binnenkomen. Met alle kracht die hij in zijn kleine lijfje heeft, komt hij vrolijk lachend naar ons toegeslopen. Zelfs in zijn slaap glimlacht hij gelukzalig wanneer ik hem kusjes op zijn zachte babywangetjes geef. Hij giechelt wanneer ik hem kietel.

In slaap vallen is keer op keer een gevecht. Hij spartelt en kreunt en vecht tegen de slaap. Maar wanneer hij eindelijk toegeeft en zachtjes begint te snurken in de draagzak, dan wil ik dat moment bevriezen. Honderd jaar worden met een slapende baby op mijn buik. Sinds een week of vier brabbelt hij. Veel bababababa, maar vooral heel vaak: ‘Mama’! Hij weet hoe hij zijn moeder kan inpalmen. Dat klein ventje compenseert in zijn eentje de algehele miserabiliteit van het leven.

2. Martha gaat naar school

Martha was begin dit jaar de schattigste peuter ter wereld, nu een heuse kleuter. Ook voor haar was het zoeken naar een nieuw evenwicht na de geboorte van haar broertje. Na twee jaar hield de symbiose tussen moeder en dochter op, en kwam er een kleine kaper op de kust. Ze moest het dit jaar doen met een moeder met een kort lontje. Maar ze groeide en bloeide. Niet in het minst sinds ze naar school gaat en gretig elke dag nieuwe dingen leert. Het is een plezier om dat kind naar school te zien gaan. Ze kent versjes en liedjes die ik nog nooit gehoord heb. Ze blijkt de dagen van de week te kennen. Ze vertelt honderduit over haar klasgenootjes. Heerlijk, zo’n kind waar je gesprekken mee kan voeren.

3. Mijn blog

Bloggen doe ik al sinds 2007. Maar nu pas heb ik het sociale karakter van bloggen ontdekt. Ik heb dit jaar veel mensen leren kennen via mijn blog. Ik heb zo veel steun en troost van jullie gekregen. Het blogweekend van Femma was één van de fijnste dingen die ik dit jaar heb gedaan. Het smaakt naar meer. Volgend jaar wil ik er werk van maken om minstens enkele van jullie te ontmoeten.

4. Femma

In het midden van mijn kraam/rouwperiode werd ik verkozen in de Raad van Bestuur van Femma. Sindsdien sta ik ook officieel mee op de barricaden voor een betere balans tussen arbeid en zorg. Elke keer dat Femma ergens te lande komt vertellen over het combinatiedossier ben ik ongelooflijk trots dat ik lid ben. Elke keer dat ik iemand kan overhalen om ook lid te worden ben ik helemaal in de wolken. Volgend jaar gaan we verder met stukje bij beetje de wereld te veranderen. Wil je meedoen? Graag!

2015: een jaar waarin verwachtingen uitkwamen (helaas)

Vorig jaar deze tijd noemde ik 2015 een jaar met veel potentieel.

Dit schreef ik ook, maar dat durfde ik niet op mijn blog te zetten:

“2015 kan alleen maar beter worden dan 2014, zeg ik overtuigd. Maar ik kan de gedachte niet van me af schudden dat dit jaar ook wel eens het jaar zou kunnen zijn dat ik mijn mama definitief verlies. Toen het pas gebeurd was, spraken we er zo open over: euthanasie. Nu durft niemand het nog goed ter sprake te brengen. Ik ga er in een grote bocht om heen. Ik heb tegen mama gezegd dat ze nog altijd zelf mag kiezen, dat ze eruit mag als ze wil. Maar het woord zelf uitspreken durf ik niet. Uit angst dat het iets in gang zal zetten waar ik later spijt van krijg. Maar spijt hebben we sowieso. Spijt dat het niet beter is. Spijt dat ze nu zo moet leven, terwijl we wisten dat ze net dat niet wilde. Spijt dat we de klok niet kunnen terugdraaien. Spijt dat het zo is moeten lopen. Mijn mama zo te moeten zien, doet mij meer verdriet dan ik me ooit had kunnen inbeelden. Hoe zeg je tegen je moeder dat je haar wil helpen zoeken naar iemand die haar wil doen sterven zonder dat je de indruk geeft dat je haar dood wil? Ik wil haar niet dood, maar ik wil ook niet dat ze tegen haar zin moet verder leven.”

Ik had vrij goed ingeschat wat dit jaar zou brengen. Maar de emotionele ravage die 2015 zou aanrichten, heb ik een beetje onderschat.

2016: een jaar van gelijkmoedigheid?

En nu, een nieuw en beter jaar?
Eigenlijk durf ik niet te veel te verwachten van 2016.

Mijn grootste wens voor 2016 is dat het een jaar van gelijkmoedigheid wordt. Ik wens geen grote pieken. Ik wens geen diepe dalen. Eenvoud en gelijkmoedigheid. En ook een beetje slaap alstublieft.

Een fijn eindejaar, iedereen! En tot volgend jaar.

Poffie wordt Perfect Day for a Picnic

Lieve lezers, ik speel een kat-en-muisspelletje met jullie. Ik schrijf weken niets en dan weer twee posts na elkaar. En dan weer weken niets. Zo hoort het helemaal niet in blogland.

Nu ben ik ook nog van naam veranderd. Dat kwam zo. De afgelopen maanden kwam ik enkele keren op plekken waar ik de volgende conversatie had:
– En van welke blog ben jij?
– Poffie
– Euh watte?
– Poffie, maar misschien moet ik toch maar eens een andere naam kiezen

Na het blogweekend zag ik Martha een tetradoek uitspreiden op de grond en zeggen: “kom mama, we gaan picknicken”. En toen had ik ‘m, mijn nieuwe blognaam. Perfect day for a picnic. Net als ‘damngoodsoffie’ is dat een citaat uit Twin Peaks dat ik verkeerd onthouden heb. Ik dacht: vanaf nu moet elke dag de perfecte dag voor een picknick zijn. Voor minder doe ik het niet.

Over twee weken is het Sinterklaas. Van een perfecte dag voor piknikken gesproken. Als je begot niet begrijpt wat de link tussen Sinterklaas en piknikken is, dan spreek je vast geen West-Vlaams.

Piknikjes

En gaat er nu ook iets veranderen, poffie?

Wel, ik weet het nog niet.

Zoals ik schrijf op mijn about, schreef ik aanvankelijk voornamelijk voor enkele vrienden en mijn moeder. Dat was een duidelijk afgelijnd doelpubliek. Toen verloor mijn moeder haar taal en anderhalf jaar later stierf ze. Sindsdien ben ik zoekende: naar een stem, een verhaal, een stijl. In haar plaats kwamen heel veel nieuwe lezers. Ik hou jullie in gedachten bij het bloggen. Maar dat is moeilijk als ik niet weet wie jullie zijn en waarom jullie hier komen lezen. Daarom volg ik het voorbeeld van Prinses en Liese en vraag ik het jullie gewoon. Je mag antwoorden in de comments, maar als je het liever privé houdt, kan je ook mijn contactpagina gebruiken of mijn pagina op Facebook, want daar vind je me nu ook.

(Ik beloof ook plechtig dat ik niet altijd rekening met jullie ga houden, want ik vind dat bloggers in eerste instantie voor zichzelf moeten bloggen.)

Mijn vriendenboekvraagjes:

1) Wie ben je?
2) Wat doe je?
3) Wat is je grootste droom?
4) Wat is je lievelingsboek (en waarom)?
5) Schrijf of blog je zelf, en waarom wel/niet?
6) Hoe kwam je hier terecht?
7) Kom je hier vaak? Waarom wel/niet?
8) Wat wil je graag van mij lezen?
9) Waar denk je dat het naartoe gaat met deze wereld?

Mijn broer die een wordpress-genius is, heeft ervoor gezorgd dat al mijn wordpressvolgers meekwamen naar mijn nieuwe site. Dank u, broertje!

Tijd & Geluk op de #femmablogschool

blogschool

Dit najaar kreeg ik tijd om voor mezelf te zorgen. Het is pas wanneer je durft toegeven dat je die tijd nodig hebt, dat je voelt hóe nodig het eigenlijk was. Rusten, zei de dokter. Rusten deed ik. Door te slapen overdag, nu en dan niets te doen (blijft moeilijk) en te bewegen. Daarover schrijf ik nog wel eens.

Maar het werd ook tijd om mijn energiereserves een boost te geven door bezig te zijn met wat ik echt graag doe, nl. schrijven en bloggen. Ik heb me daarom ingeschreven voor de #femmablogschool. Ik heb een verhaal te vertellen. “Momenteel is het bloggen of in therapie gaan”, zoals Joke het zo mooi zei. Maar het is me niet zo duidelijk welke richting ik uit wil met mijn blog. Ik deed mezelf een weekend cadeau om daar eens goed over na te denken en van gedachten te wisselen met enkele van de vele fijne mensen die de blogosfeer rijk is.

De blogschool richt zich voornamelijk op DIY-bloggers of zo wordt het toch gecommuniceerd. Ik was niet zeker of ik daar met mijn twee linkerhanden en chaotische hoofd op mijn plaats zou zitten. Maar ik kon het toch niet laten. Mijn blog to the next level tillen, andere bloggers ontmoeten en even tijd voor mezelf nemen terwijl mijn man het ploeteren voor zijn rekening neemt. En wat ben ik blij dat ik het toch gedaan heb. Ik heb mijn rugzakje vol inspiratie, energie en leuke tips geladen om verder aan de slag te gaan.

3 dingen die ik geleerd heb op de #femmablogschool

1. Call to action.
Ik krijg steeds meer reacties op mijn blogs, maar eigenlijk vind ik het jammer dat heel veel mensen niet reageren. Ook mensen die me in real life tegenkomen durven niet altijd toe te geven dat ze mijn verhaal volgen. “Waarom vraag je het hen dan niet”, vroeg Liesje. Inderdaad, waarom? Dus, lieve mensen, laat mij gerust weten dat je hier komt lezen. Ik ben benieuwd wat je ervan vindt.

2. Blogland is een positief land.
Mijn eigen verhaal is niet altijd een happy happy joy joy verhaal. Maar ik krijg zoveel warmte van mijn medebloggers. Dat schreef ik al eerder. Bloggers zijn warme, lieve en mooie mensen.

3. Er is veel talent in ons klein landje.
Maar echt. Heel veel talent.

Live it. Blog it. Share it.

Mocht je nog twijfelen om mee te gaan op de #femmablogschool kan ik het zeker aanraden. Zelfs als je echt geen DIY-er bent. Het is gewoon heel leuk. Een weekend lang geïnspireerd worden, fijne mensen leren kennen, gezichten achter de blog ontmoeten, ontdekken dat veel mensen een verhaal te vertellen hebben.

En de belangrijkste conclusie: eigenlijk moet ik dat meer doen. Een weekendje weg. Sofie zijn en niet alleen mama. Toen M. nog een baby was en ik nog op mijn felroze wolk zat, vond ik het ondenkbaar dat ik hier ooit nood aan zou hebben. Nu besef ik dat mijn kinderen er alleen maar baat bij kunnen hebben als ik straks opgeladen en geïnspireerd weer thuiskom.