Categorie archief: Uncategorized

3 belangrijke levenslessen die ik geleerd heb

Het leven heeft me de laatste tijd veel geleerd. Ik haal er drie lessen uit die ik met jullie wil delen. Ik schrijf wel dat het dingen zijn die ik geleerd heb, maar de waarheid is dat ik ze nog volop aan het leren ben.

1. Maak je niet te veel zorgen

Ik maak me altijd te veel zorgen. En wat zie je dan? De dingen waarover je je zorgen maakte gebeuren niet. De dingen waar je geen benul van hebt gebeuren wel. Zo wist ik niet dat melktandjes zo gemakkelijk loskomen en dat 1 op 6 Belgen getroffen wordt door een beroerte. Maar ik heb wel het geluk gehad om twee keer heel snel zwanger te worden en twee heel gezonde mooie kinderen te krijgen. Ik ben daar dankbaar voor.

Ik heb minstens 50 dingen om dankbaar voor te zijn. Ik heb hier en daar wat pech gehad, maar het heeft geen zin om mezelf te laten verlammen door angst voor alles wat nog zou kunnen gebeuren. Als slechte dingen moeten gebeuren, gebeuren ze toch. Het beste wat je kan doen, is geloven dat ze niet zullen gebeuren.

Ik probeer me minder zorgen te maken, want veel dingen lossen zichzelf uiteindelijk wel op.

2. Wees mild voor anderen

Everyone you meet is fighting a battle you know nothing about. Be kind. Always.

Ik vind van mezelf dat ik vroeger nogal snel een oordeel klaar had. Nu heb ik aanvaard dat ik niet altijd kan weten waarom iemand zus of zo in elkaar zit. Ik ben opener. Ik probeer andere mensen te nemen zoals ze zijn. Ik probeer niet te oordelen als ze keuzes maken die ik niet zou maken. Ik probeer altijd het grotere geheel te zien.

Empathie kost geen geld, alleen een beetje moeite. Ik probeer empathisch te zijn voor anderen. Ik probeer te luisteren. Ik zal niet beweren dat het altijd lukt, maar proberen is al het halve werk.

3. Wees mild voor jezelf

De beste raad die ik van iedereen heb gekregen de afgelopen maanden is deze: wees niet te streng voor jezelf. Het is tevens de moeilijkste.

Ik vind dat ik al niet zo streng ben als andere moeders om me heen. Ik ruim niet altijd al het speelgoed op. Ik maak de puzzels niet elke avond opnieuw om zeker te zijn dat er geen stukjes verloren gaan. Ik laat de keuken ’s avonds vaak overhoop staan, omdat mijn pijp uit is. Ik stofzuig maximum één keer per week, ook wanneer Kind 1 cornflakes eet. Ik maak niet elke dag vers eten klaar. Soms knuffel ik mijn kindjes liever dan de was te plooien. Ik ben niet altijd consequent in mijn opvoeding.

Maar toch ben ook ik nog veel te streng voor mezelf. Ik wil mijn beide kinderen heel veel aandacht geven. Ik wil sterk zijn en er staan voor hen, ook al ben ik oververmoeid. Ik kan moeilijk nee zeggen.

Loslaten, we moeten het allemaal leren. Loslaten en mild zijn voor onszelf.
Toen ik dit filmpje zag, moest ik slikken. Watch and learn.

Welkom herfst, ik heb op je gewacht

Ik ga slapen. Ik heb morgen wel pijn.
(Herman de Coninck)

Enkele jaren geleden schreef ik – op de verjaardag van mijn mama zie ik nu – deze ode aan de herfst. Dit jaar ben ik opgeluchter dan ooit dat het bijna zover is. Bijna herfst. Het regent al. Het was een broeierige zomer. Four funerals and a wedding. Behalve dat trouwfeest is er over deze zomer niet veel goeds te vertellen. Ik vind dat hitte verdriet zwaarder maakt dan het al is.

Veel mensen associëren zomer met rust. Het is vakantie, niets moet. Bij mij werkt dat niet zo. In de zomer heb ik het gevoel dat ik vanalles moet. Ik moet van de zon genieten en altijd buiten zijn, maar tegelijk is er binnen zo veel te doen. Daar word ik dan ongelukkig van omdat ik niet genoeg tijd heb om het allemaal te klaren. Nu het herfstig weer is, kan ik rustig in de zetel blijven zitten, een theetje drinken en genieten van de voorgeschreven rust. Als het regent en koud is buiten, kom ik tot rust.

Wake me up when september ends

Wake me up when september ends. Dat zet ik elk jaar op facebook. Want sinds mijn onnoemelik verdriet is september ook niet bepaald mijn lievelingsmaand. Dit jaar neem ik het letterlijk. Op voorschrift van de dokter blijf ik nog een maand thuis. Overdag bijslapen wat Kind 2 me ’s nachts niet gunt.

En dan hoop ik dat ik er in oktober weer sta. Dat ik mijn prikkels weer kan verwerken en het gewone leven weer aankan. Dat ik weer kan slapen zonder elke nacht te dromen dat onze kinderen uit een rubber bootje vallen op volle zee, in de auto vergeten worden tijdens een hittegolf, of kwijt geraken in Planckendael. Dat ik weer gesprekken kan hebben zonder achteraf te liggen woelen om de losse eindjes te reconstrueren. Dat ik weer naar een onnozele film als ‘The queen’ kan kijken zonder de rest van de nacht aan Diana te liggen denken. Dat in slaap vallen niet meer zo letterlijk aanvoelt, alsof ik in een diepe diepe put val.

Ik schrijf dit op en merk hoe triestig het weer allemaal moet klinken. Maar ik ben niet pessimistisch. Ik geloof erin. ‘Na regen komt kracht’, schreef Prinses. Ik heb in mezelf een kracht ontdekt die ik voorheen niet kende. Als ik nu nog een beetje kan rusten, weet ik dat ik daarna met die kracht heel veel zal kunnen doen.

Het is een luxe dat het enige medicijn dat ik nodig heb om beter te worden slaap is. Het is een luxe dat ik in september mijn kindjes drie dagen per week naar de crèche kan sturen, zodat slaap niet langer een onbereikbare droom is, zoals de afgelopen maanden. Het is een luxe dat ik dat mag en dat ik dat kan.

Dus: wake me up when september ends.
Welkom herfst, ik heb op je gewacht.

Generation Flink

‘Ik ga niet zeggen dat je sterk moet zijn, want je moet niets, je moet helemaal niets. De zon komt elke dag op en gaat elke dag onder en jij moet daar helemaal niets voor doen. Gewoon jezelf zijn, dat is al goed genoeg.’ Ik heb mijn vroegere onthaalmoeder aan de lijn, maar bovenal is ze de mama van Meggie, mijn beste vriendin. Ik neem het van haar aan. Ze is haar ouders jong verloren, maar veel erger nog, in één klap twee kinderen. Ze heeft moeten meemaken dat mensen over haar zeiden: ‘ach, maar ze heeft er toch nog drie’. Alsof dat haar verdriet minder groot maakt. Ze weet als geen ander wat verdriet is, hoe je toch nog de kracht kan vinden om verder te leven en ze kent mij van voor ik me van mezelf bewust werd.

‘Ik wil je nu niet meer zien huilen, je moet flink zijn‘, zei madame Q. twee dagen nadat Meggie en Wendy verongelukt waren. Alsof ik godverdomme mijn knie pijn gedaan. Nee, ik was net mijn beste vriendinnetje verloren, dat als een soort van zus voor me was. En ik moest flink zijn van dat mens. Hoe jong ik ook was (11), ik was al wijs genoeg om te weten hoe dwaas het was om zoiets te zeggen tegen iemand met verdriet. Ik ben het nooit vergeten. Ik heb het haar ook nooit vergeven. Natuurlijk mocht ik wel huilen. Ik moest huilen! Wat voor mens zou ik anders zijn.

‘Flink zijn’. Ik ben blij dat ik deel uitmaak van een generatie die stilletjes aan heeft besloten dat flink zijn niet hoeft, dat je ook wel gewoon kwetsbaar mag zijn. Ik heb al eerder een pleidooi voor kwetsbaarheid gehouden. Ik blijf het griezelig vinden om mezelf hier zo kwetsbaar op te stellen. En op één of andere manier vind ik het zelfs comfortabeler om te denken dat ik alleen voor wildvreemden schrijf dan voor pakweg mijn tante die aarzelend bekent dat ze dit ook leest. (Dat mag, uiteraard, anders zou ik het niet schrijven.)

Ik schrijf hoewel ik er geen tijd voor heb. Omdat het mijn manier is om met mijn pijn om te gaan. Omdat ik zelf ook troost vind bij andere bloggers* en omdat het deugd doet dat we elkaar harten onder riemen kunnen steken. In de hoop dat ik ergens een lotgenoot bereik die zich herkent in mijn verhaal. Daarom probeer ik nu en dan een momentje te stelen om te schrijven en te delen en lieve woorden terug te krijgen van andere mensen.

Door hier te schrijven heb ik al zo veel mooie, troostende woorden gekregen uit onverwachte hoeken. Het verandert niets aan het feit dat ik mijn verdriet alleen moet dragen, maar elk bericht geeft me weer een nieuwe adem om het verdriet mijn leven niet te laten overnemen. Hoewel ik jullie berichten niet altijd beantwoord, betekenen ze heel veel voor me. Bedankt.

* De twee schoonste o zo kwetsbare maar o zo troostende en o zo sterke blogs vind ik deze:
https://prinsesopdekikkererwt.wordpress.com/
https://lecoeuramareebasse.wordpress.com/

Dag mama

mama

Ze heeft zich niet bedacht. Dat wisten we natuurlijk. Mama is gisterenavond gestorven. Ik kan het nog steeds niet geloven.

Vlak voor ze stierf, vroeg ik me af waarom ze dit in godsnaam ‘de goede dood’ noemen. Het afscheid was gruwelijk, en bleef maar duren. ‘We kunnen niet blijven afscheid nemen’, zei ik zaterdagavond. En zondag begonnen we gewoon opnieuw. Het was de langste dag.

Toen ze stierf, begreep ik het wel. Elk mens zou zo moeten kunnen sterven. Zachtjes inslapen, eerst een beetje en dan voorgoed. Niet meer wakker moeten worden. Maar om zo zacht te sterven, moet je eerst door een hel gaan, en die hel wens ik niemand toe.

Als jullie een rouwbericht willen achterlaten, kan dat op deze website: http://www.marleenkeirse.be/

Als ik er niet meer ben

Er zijn mensen die plots sterven en er zijn mensen die na een lange ziekte sterven. Ik weet niet wat harder is. Geen afscheid kunnen nemen en van het ene op het andere moment iemand kwijt zijn die je liefst altijd bij je had gehad is hard. Wel afscheid kunnen nemen maar iemand die je graag ziet pijn zien hebben is hard. Het is allebei verschrikkelijk hard.

‘En bij ons moet dat weer iets helemaal anders zijn‘, zegt Mattias.

We waren mama op slag kwijt, vorig jaar in februari. Maar toch was ze er nog. De harde klap van iemand plots kwijt zijn en geen tijd hebben om afscheid te nemen, daar worstelen we al maanden mee. En tegelijk krijgen we nu toch de kans om afscheid te nemen.

Alleen, hoe kan je afscheid nemen van iemand die je geen bagage meer kan meegeven voor de rest van je leven. Ik lees in mama’s ogen de frustratie om alle duizenden dingen die ze nog wil zeggen tegen ons, maar niet kan. In die zin is het contrast met de laatste maanden van haar moeder, mijn grootmoeder zo groot. Manu schrijft dat ze in die laatste maanden al haar hardheid kwijtraakte. Het afscheid zoals Manu het beschrijft is sereen, vredig, rustig. Hun moeder kreeg de kans om het leven af te ronden. Onze mama moet erin berusten dat ze het leven nooit heeft kunnen afronden. Dat het op slag gedaan was en toch ook niet.

De onzekerheid van leven met een terminaal zieke vind ik niet benijdenswaardig. Maar je agenda pakken om een datum te prikken waarop je moeder zal sterven is dat toch ook niet. Er zijn twee dingen die je niet kan plannen in het leven: geboorte en dood. Eerder dit jaar heb ik mijn agenda gepakt om te bekijken wanneer mijn zoon best geboren kon worden. Nu zaten we rond de tafel om een datum te prikken voor mama haar dood. 

Voor het eerst in jaren zaten we met zijn vijven aan tafel. Allemaal samen en zonder de schoonkinderen. Voor het eerst in jaren en waarschijnlijk ook voor het laatst. Een datum kiezen bleek niet zo evident. Mama wil er zo snel mogelijk vanaf maar wil ook rekening houden met onze agenda. Maar we zitten in de spits van ons leven. Onze agenda staat bomvol met dingen die allemaal triviaal worden als het gaat over de dood van onze mama. Dat moment was zo onwerkelijk dat we niet anders konden dan er grapjes over beginnen maken.

– Julie: “Moeten we nu suggesties doen? Dat is toch raar. We kunnen toch moeilijk zeggen: ‘Mama, zou je anders dan eens doodgaan'”
– Mattias: “Moeten we anders zelf een dag kiezen en je gewoon een half uur op voorhand wakker maken?”
– Papa: “Ja, sorry, ’t zal niet meer voor dit jaar zijn, ’t past niet in onze agenda.”

De datum staat zo goed als vast nu, maar ik krijg hem niet over mijn lippen. Ik heb de hele avond buikpijn als ik heb moeten zeggen: die dag zal mama doodgaan, die dag is het haar begrafenis.

Het komt razendsnel dichterbij. Veel mensen willen nog afscheid van haar nemen. Maar het doet haar zoveel pijn. Iedereen komt haar met tranen in de ogen vertellen dat ze zoveel begrip en respect hebben voor haar beslissing. Maar voor haar blijft het ongelooflijk frustrerend dat deze keuze de enige is die ze nog heeft. Ze heeft zoveel verdriet om haar beperkingen, omdat ze niet langer kan leven, omdat ze nu al, veel te vroeg, afscheid van ons moet nemen. Dat verdriet en die frustratie is niet weg. Ze kan het ook niet weg-praten.

Ze wil eigenlijk niet dat mensen nog komen. Ze zoekt afleiding in haar puzzels en ’s avonds bij de televisie. Als we in haar bijzijn praten over praktische zaken als ‘wie gaat wanneer naar de begrafenisondernemer’ of wat ik met mijn kinderen ga doen op de bewuste dag of op de dag van haar begrafenis, zucht ze en doet ze teken dat we het moeten stoppen. Niet meer over praten waar ze bij is. Na het bezoek van de LEIF-arts die zich nog eens komt vergewissen of ze het echt zeker is, die datum, nog steeds, huilt ze de hele dag. Ze huilt en huilt en dan staat ze op en zegt ze ‘puzzel’. Als ze puzzelt, hoeft ze aan niets anders te denken dan aan het zoeken van waar dit of dat stukje moet komen.

We kunnen niets zeggen dat helpt. ‘Binnenkort heb je geen pijn en verdriet meer, mama’. ‘Jah’, zegt ze. Dat wij wel nog verdriet gaan hebben. En dat het toch niet de bedoeling was dat ze nu al zou sterven, zo verschrikkelijk jong. Die woorden leg ik in haar mond en ze knikt.

Wat Mattias grappend zei, zit overigens heel dicht bij de waarheid. Ze zou het liefste willen dat het in haar slaap gebeurt, dat ze het niet bewust moet meemaken. Ze wil niet ’s ochtends opstaan en weten dat ze die dag zal sterven. Ze wil niet in onze ogen kijken en weten dat het de laatste keer is dat ze ons ziet. Dat het de laatste keer is dat ze haar ogen sluit. Ze is niet bang voor de dood, maar wel voor het sterven, of toch zeker voor wat vlak voor het sterven komt: het definitieve afscheid. Ze wil wel dood zijn, maar ze wil niet doodgaan.

(Ook dat klopt niet, want wat ze echt wil is: leven. Elke dag 70 km fietsen langs de knooppunten, bridgen, spelen met haar kleinkinderen, praten met haar kinderen, vrienden en familie, gaan werken en als délégué opkomen voor haar collega’s, veel te laat gaan slapen en veel te laat opstaan, steevast als laatste naar huis gaan op familiefeesten, onze te lange broeken inleggen en zich hardop afvragen: wat gaan jullie toch doen als ik er niet meer ben.)

Waar is omabeer?

Ze kan bijna tot tien tellen. Maar is ze ook groot genoeg om te begrijpen dat doodgaan voor altijd is?

Martha was tien maanden toen mama een beroerte kreeg. Ze herinnert zich niets meer van de oma die dolverliefd op haar was, van de oma die met zoveel liefde voor haar gezorgd heeft de eerste keren dat ik weg moest maar ik daar nog niet klaar voor was, van de oma die haar de ‘Liefste, Braafste, Schattigste, Mooiste, Hartveroverendste Baby ter wereld’ vond (haar woorden). In Martha’s beleving is het altijd zo geweest dat oma niet kan praten, haar niet kan oppakken, met een stok wandelt, en moeilijk uit haar bed geraakt. Ik heb dat nooit benoemd tegen haar. Ze was immers nog een baby.

Maar hoe moet ik haar uitleggen dat we nu nog naar oma en opa gaan, maar binnenkort alleen nog naar opa? Dat oma weg is en waar ze dan is? Dat ze niet meer naar oma’s kamer moet lopen om te zeggen: ‘oma, goeiemorgen, opstaan?’ Dat ze niet meer aan oma zal kunnen vragen: ‘Martha wil een koekje. Appeslieft’. Dat oma nooit meer terugkomt en wat dat betekent: ‘voor altijd’.

Ik lees haar voor uit boekjes over dode eekhoorns en dode omaberen. Ze luistert aandachtig, zo aandachtig. Nu en dan herhaalt ze zelf: oma is ziek en mama is verdrietig. Maar wat zeg ik haar, straks, als oma dood is? Ik kan haar niet zeggen dat oma voor altijd slaapt, want misschien wordt ze dan bang om te gaan slapen.

omabeer

Ik weet dat er boeken over zijn geschreven. Bijvoorbeeld door mijn nonkel. Maar er is een peuter en een baby, borstvoeding en onderbroken nachten, veel verdriet en vermoeidheid die nooit groter is geweest. Er is zoveel van me af te schrijven als ik eens een hand vrij heb (tijdens het voeden) of heel soms eens twee (zelden). Lezen doe ik dus niet echt, momenteel. Ik heb alleen mijn gevoel om te volgen.

Lilith schreef een tijdje geleden over sterrenoma’s. Dat vind ik een mooi idee. Het is misschien wat vreemd om van iemand die resoluut niet gelooft in leven na de dood een sterrenoma te maken. Maar beter een sterrenoma dan een vergeten oma.

Elke dag frietjes

Soms houden de zwaarte en de lichtheid van het leven elkaar perfect in evenwicht. ’s Ochtends op een briefje schijven: ‘Ik wil euthanasie’, zodat mama het kan ondertekenen en weten dat het vanaf dat moment al over een maand voorbij kan zijn. In de namiddag terrastegels gaan kiezen en een ijsje van Da Vinci eten. Maar dat is het ook gewoon met rouwen en verdriet hebben: je kan dat niet onafgebroken doen. Het is een vorm van werken, je houdt het alleen vol als je nu en dan pauze neemt. Eens lachen, eens iets leuks doen, de druk van de ketel nemen.

‘Als sterven een stuk leven wordt.’ Dat is de ondertitel van mijn nonkel zijn boek over het afscheid van zijn moeder, mijn grootmoeder. Ik begrijp die titel. De dood is plotseling overal aanwezig in het leven en dat voelt heel natuurlijk aan.

Terwijl ik sta te kijken hoe de schoonzoon van de buren hun doodgereden kat opraapt en in een kartonnen doos doet, krijg ik een bericht van mijn broer. Dat ze onze kat, die van in Zuienkerke, een spuitje hebben gegeven. ‘Een spuitje geven’. Dat zijn er eigenlijk twee. Euthanasie bij dieren is net als euthanasie bij mensen. We durven het bijna niet uit te spreken. Dat ik blij ben dat dat beest mijn moeder niet overleeft, zeg ik. Ze had al zo’n hekel aan hem.

Of ze weet dat ze zich na de uitvoering niet meer kan bedenken, dat dat onomkeerbaar is, vraagt de LEIF-arts. ‘Moh!’, zegt ze. ‘Moh, waar kom jij nu mee af.’ Of ‘Moh, nee, dat wist ik niet, dju toch, laat dan maar.’ Papa en ik moeten ermee lachen. Mama slaagt er zonder taal toch nog in om een grapje te maken over haar eigen dood.

Elke dag vraagt papa aan mama: wil je patatten of frietjes. ‘Frietjes’, zegt ze overtuigd. Ik: ‘Mama, dat is wel niet gezond hé’. ‘Haha’, zegt ze. Als ze dat wil, maakt hij elke dag biefstuk of paling voor haar. ‘Ze moet nu geen koteletten meer eten’. En ze krijgt alleen nog koekjes van Delacre, geen meer van het Colruyt-merk. ‘Nu moet je ze niet meer sparen’, zegt hij.

een sterke vrouw

“Gie ziet toch gin geweune.” Dat zeg ik haar. Ze laat haar kruk los en gaat vervaarlijk door haar knieën om Martha’s speelgoed op te rapen. Wie met haar beperkingen zou zich daaraan wagen? Maar wat doen we haar ook aan. Haar huis is altijd spik en span geweest. Drie kinderen, een veeleisende job en toch lag alles altijd op zijn plaats. Mijn huis lijkt in niets op dat van haar. Van haar orde en praktisch inzicht heb ik niets geërfd. En de laatste weken van haar leven laat ik de rommel overal rondslingeren. Twee kinderen + geen slaap = geen tijd om rommel op te ruimen. Arme mama. Dus gebruikt ze al haar kracht om onze rommel op te ruimen. En ik besef opnieuw hoe hard ze gewerkt heeft. Hoe ze zich gesmeten heeft in haar revalidatie. Hoe hard ze gevochten heeft om nog beter te worden. Mama is geen opgever, nooit geweest.

Ik kom een buurvrouw tegen, die vorig jaar tegelijk met mama op intensieve en op beroertezorg lag. Ze vraagt hoe het met mama is. Niet goed, zeg ik. Ze vindt het erg, want “jullie mama, dat is zo’n sterke vrouw”. Dat ze zo veel dingen deed in de kine waar zij, de buurvrouw, zich niet aan durfde wagen. “Je kan niet stappen en je moet het toch proberen. Ik zag dat allemaal niet zitten en jullie mama deed het allemaal.” De buurvrouw loopt weer rond en kan met ons praten. Mama niet.

Een sterke vrouw. Zo omschrijft zowat iedereen die mijn moeder ooit ontmoet heeft haar. Of ze haar nu al jaren kenden of maar één keer ontmoet hebben. Het moet opvallend zijn.

Geborgenheid

Het is de laatste maanden soms zo slopend geweest om in Zuienkerke te zijn. Zodra je in mama haar ogen keek begon ze te huilen. De drukte en vermoeidheid van een peuter en een zwangerschap/kleine baby en tegelijk proberen te raden wat mama wilde zeggen: drinken, de droogkas aansteken, het schuifraam dichtdoen? Weten dat we niets konden doen om haar beter te doen voelen. Elke keer dat we naar huis reden, voelde ik me leeg en op. En toen moest de werkweek nog beginnen. Of had ik moeilijke nachten met Thomas voor de boeg.

Maar nu het hoge woord eruit is, nu we weten waar we voor staan, geeft het me vreemd genoeg rust om hier te zijn. Kleine dingen voor mama doen: cola of haar deken brengen, met mijn kindjes bezig zijn terwijl mama zit te puzzelen, af en toe eens echt met mama praten. Ik hoef het niet te forceren. Door er veel tijd door te brengen, komen de gesprekjes spontaan. Door veel bij mama te zijn, kan ik proberen om nog alles te vragen wat ik wil weten, alles te vertellen wat ik nog kwijt wil.

Of ze het echt heel zeker weet. (Ja!) Of ze nog eens naar de zee wil. (Nee.) Of ze nog iets wil regelen voor haar eigen begrafenis. (Nee.) Of ze een overwegend goed of een overwegend slecht leven heeft gehad. (Goed!) De laatste keer ook dat ik bevestiging kan zoeken bij mijn mama. Of ze mij een goeie mama vindt. (Teurlik!) Vaak haalt ze haar schouders op, soms huilt ze, nu en dan lacht ze, met Martha haar eindeloze gebabbel of met Thomas zijn bloedmooie glimlach. Ze knuffelt me en streelt me met haar linkerhand. De geborgenheid van geknuffeld worden door mijn mama zal ik over enkele maanden voor eeuwig en altijd moeten missen. Ik zal niet meer tegen haar aan kunnen kruipen in de zetel. Het is een geborgenheid die ik nergens anders kan vinden dan bij de persoon die mij het liefste ziet van de hele wereld. Voortaan zal ik alleen nog zelf de mama zijn die geborgenheid moet bieden.

Die kleine dingen zijn waardevol nu ik weet dat ze er over enkele maanden niet meer gaan zijn. Gek hoe mensen eindigheid nodig hebben om de dingen naar waarde te schatten.

Een mens is maar zo sterk als wat hij moet dragen

‘Een mens is maar zo sterk als wat hij moet dragen’, zei mama’s jongste broer, met de verpletterende levenswijsheid die zo typisch is aan de Keirses.

Ik heb twee kindjes die 100 % aandacht vragen. De ene is een baby en zou in de ideale wereld nooit of te nimmer langer dan enkele seconden op zijn rug ergens in een bed of een park mogen liggen huilen. De andere is een tweejarige en als ze bewuste oprechte aandacht van mama krijgt gaat alles gewoon beter. Van zodra mama met haar gedachten elders is, krijgt ze kuurtjes en woedeaanvallen. En ook die zijn alleen te doorprikken met positieve aandacht en een engelengeduld om op haar in te praten, tot haar door te dringen, haar tot rede te brengen, haar hysterie te doorbreken. Ik kan me erin verplaatsen. Ik weet hoe ik me zelf voel als ik begin door te flippen en Mehdi het erger maakt door er niet of verkeerd op te reageren. Zo’n woede-uitbarsting wordt dan steeds erger tot je gewoon compleet over de rooie gaat.

Het is sowieso al moeilijk om die twee gecombineerd te krijgen, die eerste maanden met twee kinderen. Onderbroken nachten zorgen ervoor dat je emmertje geduld niet elke dag helemaal gevuld geraakt. Maar nu komt er dus bij dat mama beslist heeft en dat het bij mij harder aankomt dan verwacht. Ik dacht immers dat ik er klaar voor was dat ze dit ging beslissen. Maar klaar ben je nooit en een goed moment is het ook nooit. Het voelt alsof er een nieuwe fase is aangebroken in dat slopende rouwproces dat nu al 16 maanden bezig is. Ik heb twee kindjes die mijn aandacht vragen en tegelijk loop ik het klokje rond in cirkeltjes te draaien in mijn hoofd.

’s Ochtends lukt het allemaal nog. Zelfs na een nacht van twee uren slaap heb ik een beetje energie om er tegenaan te gaan, om enkele kleine dingen te ondernemen om de chaos te bedwingen. Maar tegen ’s avonds is de chaos in mijn hoofd compleet. Alles wat ik nog moet doen, overstemt elkaar. Prioriteiten zijn niet meer duidelijk. Dat ik nog pampers moet kopen wordt bij wijze van spreken even onoverkomelijk als de euthanasie van mijn moeder. Ik krijg angstaanvallen omdat ik niet weet hoe ik die enorme chaos ooit een klein beetje klein zal krijgen.

Slaap, dat is het enige wat ik nodig heb om het hoofd te bieden aan deze donkere periode in mijn leven. Slaap is het enige wat ik nu echt niet kan hebben. Ik lig naar het plafond te staren en pieker me stuk. Als ik dan eindelijk de slaap kan vatten, word ik wakker van de vroege hongersignalen van mijn zoon en begint het gepieker gewoon opnieuw.

Zo bloot als je zenuwen al liggen wanneer je pas een kindje de wereld in hebt geworpen, liggen ze nu bloter dan het blootste bloot. De komende maanden zou ik heel graag even niet mezelf zijn. Iemand anders, met andere zorgen. Voor even. “What does not kill me will only make me stronger”, probeer ik te geloven. Maar met alle respect, dat is werkelijk klinkklare nonsens. Ik wil niet sterk zijn. Ik wil geen reden hebben om sterk te zijn.

Want sterk zijn, wat is dat eigenlijk? Sterk zijn is gekke bekken trekken naar je zoon van negen weken enkele minuten nadat je moeder je met smekende ogen duidelijk maakt dat ze dood wil, dat ze het zeker weet, en regelen jullie dat dan even aub? Nee, dan hoef ik het niet, dat hele sterk zijn.