Categorie archief: Uncategorized

Als ik er niet meer ben

Er zijn mensen die plots sterven en er zijn mensen die na een lange ziekte sterven. Ik weet niet wat harder is. Geen afscheid kunnen nemen en van het ene op het andere moment iemand kwijt zijn die je liefst altijd bij je had gehad is hard. Wel afscheid kunnen nemen maar iemand die je graag ziet pijn zien hebben is hard. Het is allebei verschrikkelijk hard.

‘En bij ons moet dat weer iets helemaal anders zijn‘, zegt Mattias.

We waren mama op slag kwijt, vorig jaar in februari. Maar toch was ze er nog. De harde klap van iemand plots kwijt zijn en geen tijd hebben om afscheid te nemen, daar worstelen we al maanden mee. En tegelijk krijgen we nu toch de kans om afscheid te nemen.

Alleen, hoe kan je afscheid nemen van iemand die je geen bagage meer kan meegeven voor de rest van je leven. Ik lees in mama’s ogen de frustratie om alle duizenden dingen die ze nog wil zeggen tegen ons, maar niet kan. In die zin is het contrast met de laatste maanden van haar moeder, mijn grootmoeder zo groot. Manu schrijft dat ze in die laatste maanden al haar hardheid kwijtraakte. Het afscheid zoals Manu het beschrijft is sereen, vredig, rustig. Hun moeder kreeg de kans om het leven af te ronden. Onze mama moet erin berusten dat ze het leven nooit heeft kunnen afronden. Dat het op slag gedaan was en toch ook niet.

De onzekerheid van leven met een terminaal zieke vind ik niet benijdenswaardig. Maar je agenda pakken om een datum te prikken waarop je moeder zal sterven is dat toch ook niet. Er zijn twee dingen die je niet kan plannen in het leven: geboorte en dood. Eerder dit jaar heb ik mijn agenda gepakt om te bekijken wanneer mijn zoon best geboren kon worden. Nu zaten we rond de tafel om een datum te prikken voor mama haar dood. 

Voor het eerst in jaren zaten we met zijn vijven aan tafel. Allemaal samen en zonder de schoonkinderen. Voor het eerst in jaren en waarschijnlijk ook voor het laatst. Een datum kiezen bleek niet zo evident. Mama wil er zo snel mogelijk vanaf maar wil ook rekening houden met onze agenda. Maar we zitten in de spits van ons leven. Onze agenda staat bomvol met dingen die allemaal triviaal worden als het gaat over de dood van onze mama. Dat moment was zo onwerkelijk dat we niet anders konden dan er grapjes over beginnen maken.

– Julie: “Moeten we nu suggesties doen? Dat is toch raar. We kunnen toch moeilijk zeggen: ‘Mama, zou je anders dan eens doodgaan'”
– Mattias: “Moeten we anders zelf een dag kiezen en je gewoon een half uur op voorhand wakker maken?”
– Papa: “Ja, sorry, ’t zal niet meer voor dit jaar zijn, ’t past niet in onze agenda.”

De datum staat zo goed als vast nu, maar ik krijg hem niet over mijn lippen. Ik heb de hele avond buikpijn als ik heb moeten zeggen: die dag zal mama doodgaan, die dag is het haar begrafenis.

Het komt razendsnel dichterbij. Veel mensen willen nog afscheid van haar nemen. Maar het doet haar zoveel pijn. Iedereen komt haar met tranen in de ogen vertellen dat ze zoveel begrip en respect hebben voor haar beslissing. Maar voor haar blijft het ongelooflijk frustrerend dat deze keuze de enige is die ze nog heeft. Ze heeft zoveel verdriet om haar beperkingen, omdat ze niet langer kan leven, omdat ze nu al, veel te vroeg, afscheid van ons moet nemen. Dat verdriet en die frustratie is niet weg. Ze kan het ook niet weg-praten.

Ze wil eigenlijk niet dat mensen nog komen. Ze zoekt afleiding in haar puzzels en ’s avonds bij de televisie. Als we in haar bijzijn praten over praktische zaken als ‘wie gaat wanneer naar de begrafenisondernemer’ of wat ik met mijn kinderen ga doen op de bewuste dag of op de dag van haar begrafenis, zucht ze en doet ze teken dat we het moeten stoppen. Niet meer over praten waar ze bij is. Na het bezoek van de LEIF-arts die zich nog eens komt vergewissen of ze het echt zeker is, die datum, nog steeds, huilt ze de hele dag. Ze huilt en huilt en dan staat ze op en zegt ze ‘puzzel’. Als ze puzzelt, hoeft ze aan niets anders te denken dan aan het zoeken van waar dit of dat stukje moet komen.

We kunnen niets zeggen dat helpt. ‘Binnenkort heb je geen pijn en verdriet meer, mama’. ‘Jah’, zegt ze. Dat wij wel nog verdriet gaan hebben. En dat het toch niet de bedoeling was dat ze nu al zou sterven, zo verschrikkelijk jong. Die woorden leg ik in haar mond en ze knikt.

Wat Mattias grappend zei, zit overigens heel dicht bij de waarheid. Ze zou het liefste willen dat het in haar slaap gebeurt, dat ze het niet bewust moet meemaken. Ze wil niet ’s ochtends opstaan en weten dat ze die dag zal sterven. Ze wil niet in onze ogen kijken en weten dat het de laatste keer is dat ze ons ziet. Dat het de laatste keer is dat ze haar ogen sluit. Ze is niet bang voor de dood, maar wel voor het sterven, of toch zeker voor wat vlak voor het sterven komt: het definitieve afscheid. Ze wil wel dood zijn, maar ze wil niet doodgaan.

(Ook dat klopt niet, want wat ze echt wil is: leven. Elke dag 70 km fietsen langs de knooppunten, bridgen, spelen met haar kleinkinderen, praten met haar kinderen, vrienden en familie, gaan werken en als délégué opkomen voor haar collega’s, veel te laat gaan slapen en veel te laat opstaan, steevast als laatste naar huis gaan op familiefeesten, onze te lange broeken inleggen en zich hardop afvragen: wat gaan jullie toch doen als ik er niet meer ben.)

Waar is omabeer?

Ze kan bijna tot tien tellen. Maar is ze ook groot genoeg om te begrijpen dat doodgaan voor altijd is?

Martha was tien maanden toen mama een beroerte kreeg. Ze herinnert zich niets meer van de oma die dolverliefd op haar was, van de oma die met zoveel liefde voor haar gezorgd heeft de eerste keren dat ik weg moest maar ik daar nog niet klaar voor was, van de oma die haar de ‘Liefste, Braafste, Schattigste, Mooiste, Hartveroverendste Baby ter wereld’ vond (haar woorden). In Martha’s beleving is het altijd zo geweest dat oma niet kan praten, haar niet kan oppakken, met een stok wandelt, en moeilijk uit haar bed geraakt. Ik heb dat nooit benoemd tegen haar. Ze was immers nog een baby.

Maar hoe moet ik haar uitleggen dat we nu nog naar oma en opa gaan, maar binnenkort alleen nog naar opa? Dat oma weg is en waar ze dan is? Dat ze niet meer naar oma’s kamer moet lopen om te zeggen: ‘oma, goeiemorgen, opstaan?’ Dat ze niet meer aan oma zal kunnen vragen: ‘Martha wil een koekje. Appeslieft’. Dat oma nooit meer terugkomt en wat dat betekent: ‘voor altijd’.

Ik lees haar voor uit boekjes over dode eekhoorns en dode omaberen. Ze luistert aandachtig, zo aandachtig. Nu en dan herhaalt ze zelf: oma is ziek en mama is verdrietig. Maar wat zeg ik haar, straks, als oma dood is? Ik kan haar niet zeggen dat oma voor altijd slaapt, want misschien wordt ze dan bang om te gaan slapen.

omabeer

Ik weet dat er boeken over zijn geschreven. Bijvoorbeeld door mijn nonkel. Maar er is een peuter en een baby, borstvoeding en onderbroken nachten, veel verdriet en vermoeidheid die nooit groter is geweest. Er is zoveel van me af te schrijven als ik eens een hand vrij heb (tijdens het voeden) of heel soms eens twee (zelden). Lezen doe ik dus niet echt, momenteel. Ik heb alleen mijn gevoel om te volgen.

Lilith schreef een tijdje geleden over sterrenoma’s. Dat vind ik een mooi idee. Het is misschien wat vreemd om van iemand die resoluut niet gelooft in leven na de dood een sterrenoma te maken. Maar beter een sterrenoma dan een vergeten oma.

Elke dag frietjes

Soms houden de zwaarte en de lichtheid van het leven elkaar perfect in evenwicht. ’s Ochtends op een briefje schijven: ‘Ik wil euthanasie’, zodat mama het kan ondertekenen en weten dat het vanaf dat moment al over een maand voorbij kan zijn. In de namiddag terrastegels gaan kiezen en een ijsje van Da Vinci eten. Maar dat is het ook gewoon met rouwen en verdriet hebben: je kan dat niet onafgebroken doen. Het is een vorm van werken, je houdt het alleen vol als je nu en dan pauze neemt. Eens lachen, eens iets leuks doen, de druk van de ketel nemen.

‘Als sterven een stuk leven wordt.’ Dat is de ondertitel van mijn nonkel zijn boek over het afscheid van zijn moeder, mijn grootmoeder. Ik begrijp die titel. De dood is plotseling overal aanwezig in het leven en dat voelt heel natuurlijk aan.

Terwijl ik sta te kijken hoe de schoonzoon van de buren hun doodgereden kat opraapt en in een kartonnen doos doet, krijg ik een bericht van mijn broer. Dat ze onze kat, die van in Zuienkerke, een spuitje hebben gegeven. ‘Een spuitje geven’. Dat zijn er eigenlijk twee. Euthanasie bij dieren is net als euthanasie bij mensen. We durven het bijna niet uit te spreken. Dat ik blij ben dat dat beest mijn moeder niet overleeft, zeg ik. Ze had al zo’n hekel aan hem.

Of ze weet dat ze zich na de uitvoering niet meer kan bedenken, dat dat onomkeerbaar is, vraagt de LEIF-arts. ‘Moh!’, zegt ze. ‘Moh, waar kom jij nu mee af.’ Of ‘Moh, nee, dat wist ik niet, dju toch, laat dan maar.’ Papa en ik moeten ermee lachen. Mama slaagt er zonder taal toch nog in om een grapje te maken over haar eigen dood.

Elke dag vraagt papa aan mama: wil je patatten of frietjes. ‘Frietjes’, zegt ze overtuigd. Ik: ‘Mama, dat is wel niet gezond hé’. ‘Haha’, zegt ze. Als ze dat wil, maakt hij elke dag biefstuk of paling voor haar. ‘Ze moet nu geen koteletten meer eten’. En ze krijgt alleen nog koekjes van Delacre, geen meer van het Colruyt-merk. ‘Nu moet je ze niet meer sparen’, zegt hij.

een sterke vrouw

“Gie ziet toch gin geweune.” Dat zeg ik haar. Ze laat haar kruk los en gaat vervaarlijk door haar knieën om Martha’s speelgoed op te rapen. Wie met haar beperkingen zou zich daaraan wagen? Maar wat doen we haar ook aan. Haar huis is altijd spik en span geweest. Drie kinderen, een veeleisende job en toch lag alles altijd op zijn plaats. Mijn huis lijkt in niets op dat van haar. Van haar orde en praktisch inzicht heb ik niets geërfd. En de laatste weken van haar leven laat ik de rommel overal rondslingeren. Twee kinderen + geen slaap = geen tijd om rommel op te ruimen. Arme mama. Dus gebruikt ze al haar kracht om onze rommel op te ruimen. En ik besef opnieuw hoe hard ze gewerkt heeft. Hoe ze zich gesmeten heeft in haar revalidatie. Hoe hard ze gevochten heeft om nog beter te worden. Mama is geen opgever, nooit geweest.

Ik kom een buurvrouw tegen, die vorig jaar tegelijk met mama op intensieve en op beroertezorg lag. Ze vraagt hoe het met mama is. Niet goed, zeg ik. Ze vindt het erg, want “jullie mama, dat is zo’n sterke vrouw”. Dat ze zo veel dingen deed in de kine waar zij, de buurvrouw, zich niet aan durfde wagen. “Je kan niet stappen en je moet het toch proberen. Ik zag dat allemaal niet zitten en jullie mama deed het allemaal.” De buurvrouw loopt weer rond en kan met ons praten. Mama niet.

Een sterke vrouw. Zo omschrijft zowat iedereen die mijn moeder ooit ontmoet heeft haar. Of ze haar nu al jaren kenden of maar één keer ontmoet hebben. Het moet opvallend zijn.

Geborgenheid

Het is de laatste maanden soms zo slopend geweest om in Zuienkerke te zijn. Zodra je in mama haar ogen keek begon ze te huilen. De drukte en vermoeidheid van een peuter en een zwangerschap/kleine baby en tegelijk proberen te raden wat mama wilde zeggen: drinken, de droogkas aansteken, het schuifraam dichtdoen? Weten dat we niets konden doen om haar beter te doen voelen. Elke keer dat we naar huis reden, voelde ik me leeg en op. En toen moest de werkweek nog beginnen. Of had ik moeilijke nachten met Thomas voor de boeg.

Maar nu het hoge woord eruit is, nu we weten waar we voor staan, geeft het me vreemd genoeg rust om hier te zijn. Kleine dingen voor mama doen: cola of haar deken brengen, met mijn kindjes bezig zijn terwijl mama zit te puzzelen, af en toe eens echt met mama praten. Ik hoef het niet te forceren. Door er veel tijd door te brengen, komen de gesprekjes spontaan. Door veel bij mama te zijn, kan ik proberen om nog alles te vragen wat ik wil weten, alles te vertellen wat ik nog kwijt wil.

Of ze het echt heel zeker weet. (Ja!) Of ze nog eens naar de zee wil. (Nee.) Of ze nog iets wil regelen voor haar eigen begrafenis. (Nee.) Of ze een overwegend goed of een overwegend slecht leven heeft gehad. (Goed!) De laatste keer ook dat ik bevestiging kan zoeken bij mijn mama. Of ze mij een goeie mama vindt. (Teurlik!) Vaak haalt ze haar schouders op, soms huilt ze, nu en dan lacht ze, met Martha haar eindeloze gebabbel of met Thomas zijn bloedmooie glimlach. Ze knuffelt me en streelt me met haar linkerhand. De geborgenheid van geknuffeld worden door mijn mama zal ik over enkele maanden voor eeuwig en altijd moeten missen. Ik zal niet meer tegen haar aan kunnen kruipen in de zetel. Het is een geborgenheid die ik nergens anders kan vinden dan bij de persoon die mij het liefste ziet van de hele wereld. Voortaan zal ik alleen nog zelf de mama zijn die geborgenheid moet bieden.

Die kleine dingen zijn waardevol nu ik weet dat ze er over enkele maanden niet meer gaan zijn. Gek hoe mensen eindigheid nodig hebben om de dingen naar waarde te schatten.

Een mens is maar zo sterk als wat hij moet dragen

‘Een mens is maar zo sterk als wat hij moet dragen’, zei mama’s jongste broer, met de verpletterende levenswijsheid die zo typisch is aan de Keirses.

Ik heb twee kindjes die 100 % aandacht vragen. De ene is een baby en zou in de ideale wereld nooit of te nimmer langer dan enkele seconden op zijn rug ergens in een bed of een park mogen liggen huilen. De andere is een tweejarige en als ze bewuste oprechte aandacht van mama krijgt gaat alles gewoon beter. Van zodra mama met haar gedachten elders is, krijgt ze kuurtjes en woedeaanvallen. En ook die zijn alleen te doorprikken met positieve aandacht en een engelengeduld om op haar in te praten, tot haar door te dringen, haar tot rede te brengen, haar hysterie te doorbreken. Ik kan me erin verplaatsen. Ik weet hoe ik me zelf voel als ik begin door te flippen en Mehdi het erger maakt door er niet of verkeerd op te reageren. Zo’n woede-uitbarsting wordt dan steeds erger tot je gewoon compleet over de rooie gaat.

Het is sowieso al moeilijk om die twee gecombineerd te krijgen, die eerste maanden met twee kinderen. Onderbroken nachten zorgen ervoor dat je emmertje geduld niet elke dag helemaal gevuld geraakt. Maar nu komt er dus bij dat mama beslist heeft en dat het bij mij harder aankomt dan verwacht. Ik dacht immers dat ik er klaar voor was dat ze dit ging beslissen. Maar klaar ben je nooit en een goed moment is het ook nooit. Het voelt alsof er een nieuwe fase is aangebroken in dat slopende rouwproces dat nu al 16 maanden bezig is. Ik heb twee kindjes die mijn aandacht vragen en tegelijk loop ik het klokje rond in cirkeltjes te draaien in mijn hoofd.

’s Ochtends lukt het allemaal nog. Zelfs na een nacht van twee uren slaap heb ik een beetje energie om er tegenaan te gaan, om enkele kleine dingen te ondernemen om de chaos te bedwingen. Maar tegen ’s avonds is de chaos in mijn hoofd compleet. Alles wat ik nog moet doen, overstemt elkaar. Prioriteiten zijn niet meer duidelijk. Dat ik nog pampers moet kopen wordt bij wijze van spreken even onoverkomelijk als de euthanasie van mijn moeder. Ik krijg angstaanvallen omdat ik niet weet hoe ik die enorme chaos ooit een klein beetje klein zal krijgen.

Slaap, dat is het enige wat ik nodig heb om het hoofd te bieden aan deze donkere periode in mijn leven. Slaap is het enige wat ik nu echt niet kan hebben. Ik lig naar het plafond te staren en pieker me stuk. Als ik dan eindelijk de slaap kan vatten, word ik wakker van de vroege hongersignalen van mijn zoon en begint het gepieker gewoon opnieuw.

Zo bloot als je zenuwen al liggen wanneer je pas een kindje de wereld in hebt geworpen, liggen ze nu bloter dan het blootste bloot. De komende maanden zou ik heel graag even niet mezelf zijn. Iemand anders, met andere zorgen. Voor even. “What does not kill me will only make me stronger”, probeer ik te geloven. Maar met alle respect, dat is werkelijk klinkklare nonsens. Ik wil niet sterk zijn. Ik wil geen reden hebben om sterk te zijn.

Want sterk zijn, wat is dat eigenlijk? Sterk zijn is gekke bekken trekken naar je zoon van negen weken enkele minuten nadat je moeder je met smekende ogen duidelijk maakt dat ze dood wil, dat ze het zeker weet, en regelen jullie dat dan even aub? Nee, dan hoef ik het niet, dat hele sterk zijn.

pitn en patatn

Nog een keer de zee zien. Nog een keer chocomousse eten. Nog een keer samenzijn met de hele familie. Nog een etentje met die of die. De natuurlijke reflex is om op zoek te gaan naar kleine pleziertjes die mama haar laatste maanden nog bijzonder kunnen maken. Maar ze wil het niet. Ze haalt haar schouders op bij elk voorstel. Mama is klaar met leven. ‘Op sterven na dood’, ik begrijp nu pas hoe letterlijk dat kan zijn. Haar grootste plezier in het leven lijkt wel: mij (te veel) mignonetjes zien eten. Aandringen als ik zeg dat ik genoeg heb.

Als ik vroeger aan dit soort scenario dacht, stelde ik me voor dat we nog lange wandelingen aan de zee zouden maken. Uitgebreid praten over het leven en wat dat gebracht heeft. Dat mama zelf de druk van de ketel zou nemen door grapjes te maken. Maar zo gaat het alleen in de films. In deze bittere realiteit heeft mama geen zin om nog iets te ondernemen. Ook over haar eigen begrafenis wil ze niet meer nadenken. ’t Is gepasseerd voor haar. ‘Trek jullie plan. Ik heb genoeg gedaan.’ Dat lees ik in haar schouderophalen.

Ze doodt de tijd tot aan haar dood met haar puzzels. Ik heb nooit veel aanleg gehad om te puzzelen, maar ik denk niet dat ik ooit nog het logo van Ravensburger zal kunnen zien zonder aan deze donkere, moeilijke tijd terug te denken.

Ze eet kervelsoep met een lepel en begint te huilen omdat het langs haar kin loopt. Zelfs dat lukt niet meer. En dan krijg ik een ingeving. “Mama, wil je nog eens ‘pitn en patatn’ eten?” Haar gezicht klaart op. Ze lacht en knikt enthousiaster dan ik het in lange tijd gezien heb. ‘Pitn en patatn’, dat is: karnemelkpuree met zachtgekookte eitjes en gesmolten boter. Je maakt een putje (‘pit’) in je puree (‘patatn’) en giet daar de gesmolten boter in. Degoutant lekker is dat. Een typisch mamagerecht. Mijn vader trekt er zijn neus voor op.

En dus aten we pitn en patatn, het gerecht bij uitstek dat iedereen met één hand eet, want een mes heb je er niet voor nodig. Dat we daar niet eerder aan gedacht hebben.

Verdriet

Verdriet. Dat is: niet kunnen huilen, maar dan Stef Bos opzetten en niet meer kunnen stoppen met huilen. Dat is: bij elke oudere vrouw die ik tegenkom, me afvragen of die nu tien of twintig jaar ouder dan mijn mama is. Dat is: het gevoel hebben dat je nooit meer oprecht van het leven zal kunnen genieten. Wel beter weten, maar gewoon even niet zien hoe je hier nog uit kan geraken. Verdriet, dat is: me vastklampen aan mijn kindjes met al wat ik heb, maar me ook afvragen of die kleine schoudertjes zoveel verdriet wel kunnen torsen. Dat is: bijna zeker weten dat ik langer zonder mama zal leven dan met. Me afvragen hoe veel er nog van haar zal overblijven over dertig jaar. (Denken aan Meggie en weten dat een mens nooit echt vergeet, maar dat verdriet ook nooit echt slijt.)

Verdriet, dat is: dat mensen vertederd naar me glimlachen, want wat ze zien is een jong moedertje, met een baby op haar buik en een peuter aan de hand. En ik die het het liefst van al zou willen uitschreeuwen: ge zoudt eens moeten weten! Dit jonge moedertje is ook een klein meisje van 30 jaar dat op het punt staat haar mama te verliezen. Maar dat doe ik niet. ‘Geniet ervan’, zeggen ze en ik lieg: ‘zal ik doen’.

Verdriet, dat is: denken aan het leven zoals het zou moeten zijn en boos worden, nog altijd even machteloos en boos als zestien maanden geleden. Verdriet, dat is als niets, maar echt niets helpt. Als zelfs de prachtige glimlach van je zoon en de lieve knuffels van je dochter je niet beter doen voelen. Dat is weten dat die kleine kindjes nooit zullen weten wat voor iemand hun oma was.

Verdriet, dat is: mezelf zien huilen in de spiegel en plots zien hoe hard ik op haar lijk. In de spiegel het wanhopige gezicht zien dat ik de afgelopen maanden zo vaak machteloos heb moeten aanschouwen bij haar.

Een mens staat maar bij één persoon echt in het krijt

“Pijn had zij niet, dat is waar, een troostende gedachte kan ik het maar nauwelijks noemen. Uitgerekend zij moest haar spraak verliezen. (…)
Was het twee jaar te laat? (‘Laat dat toch gaan. Laat dat oud menske gaan’) ik weet het nog steeds niet. Ik had de mooie momenten niet graag gemist. Maar nog liever had ik, met terugwerkende kracht, de gruwelijke uren en dagen uitgewist. In de eerste plaats voor haar. Nooit heb ik haar, naar mijn gevoel, meer verknochtheid en respect bewezen dan toen we haar eindelijk toelieten te gaan. Een mens staat maar bij één persoon echt in het krijt. Ik heb die lei toen schoongewreven. Misschien kan liefde maar één ding echt. Uit liefde doden.”

Uit Sprakeloos van Tom Lanoye, ironisch genoeg het enige boek van Lanoye dat mijn moeder kon pruimen.

Ik dacht dat ik er klaar voor was. Maar blijkbaar is er niet iets als er klaar voor zijn dat je moeder wil sterven. Hoewel ik al maanden vermoed, bijna zeker weet, dat ze haar beslissing genomen heeft, en dat ik ook nooit echt geloofd heb dat er nog een andere uitkomst mogelijk is, komt het bikkelhard aan. Het besef dat je moeder niet meer ziet hoe het leven nog het leven waard kan worden. Weten dat ze bij volle bewustzijn moet beslissen om haar kleinkinderen niet te zien opgroeien. Wreed, zo wreed. Wreed hoe het leven mijn moeder behandeld heeft. Chance was niet voor haar weggelegd, zo lijkt het wel. Als ze nog maar heel even durfde gelukkig te zijn, lag de volgende miserie alweer op de loer.

We wisten dat de kans groot was dat dit vroeg of laat zou gebeuren. We wisten alleen niet wanneer. Nu het zover is, moeten we dat een plaats geven in ons leven en onze gedachten. Binnenkort zijn we halve wezen. Binnenkort zijn we onze mama kwijt. Binnenkort ben ik een mama zonder mama.

Ik blijf ook maar denken aan die negatieve wilsverklaring, waar ze mee bezig was. In stylo op kladpapier, maar niettemin zwart op wit: ‘In geval van zeer ernstige hersenbeschadiging waaruit ik slechts met zeer zware restletsels kan overleven, wens ik stopzetting van elke behandeling’. Zonder dat kladblaadje had ik misschien nooit durven vragen of ze dood wilde, of het misschien dat was wat ze bedoelde met haar smekende ogen. Want begin daar maar eens over tegen je moeder als ze zelf niet meer kan spreken.

Ik wist dat deze keuze in de lucht hing. Ik wist het, ik begrijp het en ik heb er vrede mee. Ik ken mijn mama. Door al heel jong enkele mensen te verliezen, heb ik urenlang met haar over de dood gepraat. Deze beslissing is consistent met hoe ik mijn mama en haar visie op leven en dood ken. Het heeft nooit in haar aard gelegen om zich vast te klampen aan het leven.

Maar dat maakt het verdomme nog niet gemakkelijk.

Het is nu heel concreet en de knoop in mijn maag wordt groter met de dag. Dit is een nieuwe fase in dat slopende rouwproces dat nu al maanden aansleept. Ik wil mijn moeder niet verliezen. Maar de realiteit is dat ik haar al meer dan een jaar kwijt ben. Ik mis mijn mama. En pas als ze er niet meer is, zal ik haar kunnen herinneren als de vrouw die ze echt was.

Mama lijkt opgelucht dat het eruit is. Dat iedereen nu weet dat dit haar keuze is, en dat ze die keuze ook mag maken. Voor haar kan het nu niet snel genoeg gaan. Ik merk dat ze emotioneel een muurtje om zich heen gebouwd heeft, zoals mijn zus het zo mooi zegt. Het is afgesloten voor haar. Ze kan nog eens lachen met ons, of eens bezorgd kijken. Maar het lijkt wel alsof ze niets meer voelt. Numb.

Zo lijkt het, maar waarschijnlijk doet ze nu gewoon wat ze de afgelopen dertig jaar heeft gedaan. Zich sterk houden voor ons, ook als ze zich niet sterk voelt. Ik kan me alleen maar proberen voor te stellen hoe het voor haar moet zijn om bewust te beslissen dat ze ons achterlaat.

Aan de ene kant wil ik de tijd voor het afscheid rekken. Nog zoveel mogelijk tijd met mama doorbrengen. Aan de andere kant zal het ook voor mij een opluchting zijn als het voorbij is, deze moeilijke periode in het voorgeborchte van de hel. Eindelijk echt kunnen starten met het rouwproces. Eindelijk de focus weer kunnen leggen waar hij hoort te liggen op dit moment in mijn leven: op mijn jonge gezin. Ook dat is wreed. Maar ik kan met die paradoxale gedachten leven. Want ik weet zeker dat we allemaal nog jaren voor mama zouden willen zorgen, áls ze dat tenminste zelf zou willen. Als we er op een of ander manier in konden slagen om haar leven nog draaglijk te maken.

Mijn verdriet is groot en mijn angst is dat ook. Angst dat het hier niet ophoudt, dat ik haar talent voor ellende geërfd heb, dat het leven nu nooit meer gemakkelijk en zorgeloos zal worden, voor zover het dat ooit geweest is. Ik neem me voor om me niet te laten verlammen door die angst. Ik beloof aan mezelf en aan mijn kinderen dat ik uit het leven zal halen wat eruit te halen valt. Te beginnen vanaf nu.

Mamahonger

Plots hadden we twee kinderen. En o mijn god, dat zijn er zo veel meer dan één. Want dat vind ik het moeilijkste: de aandacht verdelen. Martha is gewoon om haar mama volledig voor zichzelf te hebben. Ze heeft vaak mamahonger en tot nu toe heb ik geen kans onbenut gelaten om daar voluit aan toe te geven. Martha is namelijk niet de enige die zich oplaadt aan de knuffelmomentjes. Maar nu moet ik uitleggen dat ik haar niet mag optillen wanneer ze vraagt ‘mama pakken’. Nu kan ik haar niet in haar bedje leggen na haar verhaaltje. Nu moet ik op het verzoek ‘mama schootje’ vaak antwoorden: ‘als Thomas klaar is met drinken, mag je op mama haar schootje zitten’. It hurts.

Voor Thomas zorgen is supergemakkelijk in vergelijking met de eerste weken van Martha. Maar voor Martha en Thomas zorgen verscheurt mijn moederhart in tweeën. Knuffelen met Martha en tegelijk Thomas horen smakken en zoeken naar de borst? Of moet ik dan uitleggen aan Martha dat Thomas echt niet kan wachten als hij honger heeft en dat zij maar even geduld moet hebben?

Thomas eist zijn plaats in dit gezin op. Hij kan een hele namiddag op mijn buik liggen slapen, om dan wanneer zijn grote zus terugkomt van de crèche te willen clusteren tot ze gaat slapen. Als Mehdi Martha uit haar bedje gaat halen en ze ziet dat Thomas bij mij ligt, komt me dat op een stink-eye te staan. Ze negeert dan ook alles wat ik zeg. Het enige woord wat haar uit beeld-zonder-klank-modus kan halen, is ‘chocolade’. En we willen ook nog een beetje pedagogisch verantwoord zijn, nietwaar.

We zijn gelukkig met twee ouders voor twee kinderen. Dat zou meer dan genoeg moeten zijn. Maar mamahonger is mamahonger en ik ben maar één mama.