Pimpampoentje

Een pimpampoentje klimt langs een grassprietje omhoog, over het puntje, en weer omlaag. Daarna klimt hij over het volgende grassprietje omhoog, over het puntje, en weer omlaag. Zo kruipt het dier dat nochtans vleugels heeft langzaam door onze tuin. Wij liggen er op onze buik naar te kijken. Ik, met twee kleine kinderen tegen me aan. Met onze neuzen tegen het gras volgen we de bewegingen van het pimpampoentje op de voet. Ik geniet van hun kleine lijfjes tegen me aan en van hun enthousiasme over het pimpampoentje, waarvan hun vader straks zal zeggen dat het een lieveheersbeestje is. Terwijl ik daar lig, vraag ik me af waarom het pimpampoentje niet begrijpt dat hij ook tússen de grassprietjes kan lopen. Of waarom hij zijn vleugels niet uitslaat om erover heen te vliegen. Efficiënt is zijn manier van voortbewegen niet. Daar staat een pimpampoentje natuurlijk niet bij stil. Een kind ook niet trouwens. De enige die last heeft van zo’n inefficiënte gedachte die de schoonheid van dat moment verstoort, ben ik. Opgegroeid. Volwassen geworden. De zaken beoordelend op hoe efficiënt ze zijn. Ik. Het maakt me triest dat ik verleerd ben om naar een pimpampoentje te kijken zonder er de wetten van onze samenleving op toe te passen. De wetten waar ik het nota bene totaal niet mee eens ben. Zou mijn dochter van vier trots op me zijn als ze wist hoe haar moeder naar een pimpampoentje keek? Ben ik er trots op? Het pimpampoentje slaat zijn vleugels pas uit wanneer kleine kinderhandjes hem bedreigen. Voor hem zijn ze niet klein natuurlijk, die grijpgrage vingertjes. ‘Pas op, je duwt hem nog plat’, roep ik. Het pimpampoentje loopt zenuwachtig in rondjes op de vinger van mijn dochter en slaat dan toch zijn vleugels uit, probeert weg te vliegen, maar valt in het gras. ‘Waar is het pimpampoentje nu’, vraag ik. Mijn zoon springt op en gaat op zoek. Hij stapt rond met zijn schoenmaat 24. ‘Pas op, Thomasje’. Het zijn de poezeligste peutervoetjes die ik ooit zag, maar niet voor dat pimpampoentje. Een dreigende schaduw doemt boven het pimpampoentje op. Thomas zet een stap opzij. Zijn voetje landt pal naast het pimpampoentje. Razendsnel baant het opgejaagde diertje zich een weg over grassprietjes heen: naar boven, naar beneden. Naar boven. Naar beneden. Ik kijk ernaar. Mijn inefficiënte gedachten ebben weg, terwijl het pimpampoentje zijn weg inefficiënt vervolgt. Ik voel me zen.

2 gedachten over “Pimpampoentje

  1. eilish

    Groots van jou dat je met je kroost zo kan stilstaan bij dit kleine diertje. Scoren mama (ondanks je onderliggende gedachten)!
    En wie zegt nu Lieveheersbeestje als je Pimpampoentje kan zeggen?

    Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *