Het is niet normaal dat werk en leven combineren een kwestie van geluk is …

Het is een publiek geheim dat ik nogal fan ben van een dertigurenweek. Ik schreef een opinie die op de website van het Nieuwsblad verscheen: http://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20170428_02856598

Antwerpse mensen die zin hebben om eens van gedachten te wisselen hierover, zijn van harte welkom op een info- en babbelavond die we op dinsdag 9 mei van 20 uur tot 23 uur organiseren in ’t Werkhuys in Borgerhout. Je hoeft geen Femmalid te zijn om te komen, maar geef ons aub wel een seintje als je erbij wil zijn. Meer info vind je op het Facebookevent of op de website van Femma.

Tot op de Grote Parade (7 mei) of tot op 9 mei?

 

Zonder smartphone ben ik een betere moeder

Ik ben bang om me te vervelen. Ik herinner me hoe vreselijk ik vakanties soms vond als kind. Ontiegelijke keren stond ik naast het bureau van mijn moeder te zeuren dat ik me VER-VEEL-DE! Vaak hoorde ze me niet. Ze was opgeslorpt door haar werk aan die lichtbak die haar computer was. Ze werkte in de living om bij ons te zijn, maar mentaal was ze niet beschikbaar. Ik verveelde me, en wat haatte ik dat: me vervelen. Ik wou dat ik me nooit meer moest vervelen.

Toen werd ik moeder. Moeder zijn, dat is verrijkend, vervullend, onvergelijkbaar, waardevol … en ongelooflijk strontvervelend. In de handleiding hadden ze vergeten te vermelden hoe tráág kinderen zijn. Het is saai en vervelend om een kind dat nog niet goed kan puzzelen te zien puzzelen. (‘Draai dat stukje dan toch om, kind!’) Het is saai en vervelend om op stap te gaan met een kind dat zich op een loopfiets of op een step nog trager voortbeweegt dan te voet op die kleine beentjes. Het is saai en vervelend om een kind sukkelend naar de glijbaan te zien klimmen. Het is saai en vervelend om een kind dingen te zien leren waarvan je vergeten bent dat je ze ooit zelf hebt moeten leren.

Ouder zijn vergt geduld, bergen geduld. Je moet bestand zijn tegen verveling. En ik ben dat niet. Gelukkig is er veel veranderd sinds ik klein was. Mijn droom is werkelijkheid geworden: ik hoef me niet meer te vervelen. Andere mensen – vermoedelijk jonge ouders – hebben iets uitgevonden dat je behoedt voor verveling. Het geeft licht, past in je handpalm en geeft toegang tot de hele wereld: de smartphone. Er is altijd wat te lezen. Er is altijd input. Zeker wanneer ik weinig geslapen heb, doet de voortdurende stroom aan indrukken de dag wat sneller vooruitgaan. Vervelen hoeft niet meer!

Ik kan nu lezen terwijl ik een kind duw op de schommel. Ik kan door Facebook scrollen, terwijl ik wacht tot een kind begrijpt dat hij zijn puzzelstukje moet omdraaien om het te doen passen. Ik volg het Twitterrelletje van de dag, terwijl ik de processie van Echternach loop naast een steppend kind. Ik kijk naar de perfecte Instagram-kinderen van andere ouders, terwijl die van mij al hun speelgoed over de grond uitstrooien. Nooit meer vervelen, hoera.

Maar is dat wel zo goed?

Vervelen is belangrijk voor een opgroeiend kind. Verveling stimuleert creativiteit. Verveling stimuleert spel. En dat geldt niet alleen voor kinderen. Verveling is goed voor ons. Alleen in verveling kom je terug naar de essentie. We vinden dat het leven te snel voorbij gaat, maar we scrollen onze tijd weg op dat kleine scherm. Ik zit dit jaar tien jaar op Facebook en negen jaar op Twitter. Ik wil niet weten hoeveel kostbare uren ik vergooid heb tijdens het scrollen door levens en meningen van een ander. En wat ik intussen gemist heb. Terwijl we naar het lichtbakje in onze handpalm staren, missen we kostbare ervaringen met de lichtpuntjes van ons leven.

Dit weekend had ik er genoeg van. Ik kreeg heel plots een degout van dat onding. Het waren mijn kinderen die me tot inzicht brachten. Mijn zoon trok aan mijn smartphonevrije hand en zei: ‘Uit. Weg. Mee pelen.’ Ik antwoordde hem dat ik nog snel dit wilde lezen en dat ik dan mee kwam spelen. ‘Nee. Mee pelen’, verhief hij zijn stem. Hij had volkomen gelijk.

Wat later wilde ik een artikel lezen met de titel: ‘Zet je smartphone op ouderslot‘. Hm, interessant, dacht ik. Moet ik lezen, dacht ik. Even inloggen, dacht ik. Waarom werkt die login nu niet, dacht ik.
– Mama, wil je Dikkie Dik voorlezen?
– Straks kindje, ik wil even dit lezen.
Opnieuw proberen, dacht ik. Grrrr, het werkt weer niet, dacht ik.
– Mama, lees nu Dikkie Dik voor!
En plots besefte ik waar ik mee bezig was. Ik legde de smartphone aan de kant en las Dikkie Dik voor. (Het volledige dubbeldikke voorleesboek, van cover tot cover. Saai hoor.)

Ik nam me voor om de rest van dat weekend te ‘telefominderen’. Ik ging niet voor de volledige digital detox – een mens moet klein beginnen – maar ik probeerde het lichtbakje wel zoveel mogelijk aan de kant te laten liggen. Het hielp natuurlijk dat ik genoeg geslapen had, zodat ik karakter had om aan de verleiding van het wereldwijde web te weerstaan. Na onderbroken nachten moet ik er zelfs niet aan denken. Dan zit ik gegarandeerd de hele ochtend als een zombie te scrollen in de zetel.

Maar dit weekend was ik wakker genoeg om er mentaal bij te blijven. Mijn zoon leerde steppen en ik liep me naast hem onnoemelijk te vervelen. Ik greep niet naar mijn jaszak, maar bestudeerde de blaadjes van de bomen, de vorm van de wolken en de kleine bloemetjes in het gras. Ik kleurde een prent van Dora. Ik zette Duploblokjes op elkaar. Ik las boekjes voor (oké, dat doe ik sowieso). Ik liet me verzorgen door mijn kinderen die kapster, dokter, schminkster en mijn mama waren. Niet zomaar even voor de vorm, maar een heel weekend lang. Ik leerde me vervelen. Het was onnoemelijk saai … en heerlijk.

’s Avonds bleek ik online niet veel te hebben gemist. Natuurlijk was er op Twitter het relletje van de dag geweest, en natuurlijk was er een enorm interessante discussie over opvoeding aan de gang op één of andere Facebook-mamagroep. Allemaal zaken die ook de nodige energie opslorpen. Wat had ik dus gemist? Niets. Helemaal-nougatbollen-niets. Integendeel, voor het eerst sinds lange tijd had ik op zondagavond nog bergen energie. Ik had ook de indruk – maar dat kan projectie zijn – dat ik gelukkigere kinderen had. Mijn conclusie van dit weekend: zonder smartphone ben ik een betere moeder.

 

(Opdracht literaire creatie: een lichtpuntje in sombere dagen)

As we speak #4

Dit is mijn vierde As we speak. In dit rubriekje – geïnspireerd door tales from the crib – vertel ik over allerhande dingen die me bezighouden, maar waarmee ik geen volledige post kan vullen.

Lezen

Veel en veel te weinig. Nadat ik Elena Ferrante heb ge-binge-lezen (bestaat dat?), heb ik zes weken over een nochtans uitstekend boek van nog geen 200 blz. gedaan, met name Nutshell van Ian McEwan. Nu zit ik ‘tussen boeken’. Ik twijfel over The Handmaid’s Tale van Margaret Atwood, Purple Hibiscus en Half of a Yellow Sun van Chimamanda Ngozi Adichie, Zout op mijn huid van Benoîte Groult of toch maar die laatste Harry Potter

Schrijven

Door een sinusitis die ongeveer zeven weken heeft aangesleept, zat ik met een letterlijke en figuurlijke writer’s block. Ik schreef wekenlang zo goed als niets. Gelukkig heb ik intussen weer de moed gevonden om enkele blogposts te schrijven en de verjaardagsbrieven aan mijn kindjes.

Kijken

Ik ben begonnen met The Crown op een avond dat ik ongeveer zes wasmanden was te plooien had. Ik kijk toch graag naar kostuumdrama’s, zeker als ze gebaseerd zijn op waargebeurde feiten. Het enige nadeel daarvan is dat ik tijdens het kijken voortdurend op mijn tweede scherm vanalles zit op te zoeken op Wikipedia. MUST. LEARN. ALL. THE. THINGS. Niet echt ontspannende televisie dus voor mij. Dat compenseer ik dan weer door – vertel het niet verder, want mijn imago – naar Blind Getrouwd en Temptation Island te kijken. En daar dan kwaad over te zijn op mezelf, want ik heb toch helemaal geen tijd voor zo’n troep.

En verder …

– Hebben we een ontzettend leuk verjaardagsfeest gehad voor de kinderen die resp. vier en twee zijn geworden. Ze voerden zelfs een show op, Martha, Thomas en nichtje Lore, compleet met bisnummers en al. Het was schitterend.

– Heb ik veel moeten denken aan toen we twee jaar geleden Martha’s tweede verjaardag vierden enkele dagen voor Thomas geboren werd en dat mama daar nog bij was, maar dat het haar laatste maanden waren.

– Hebben we het park opgeruimd dat vier jaar onafgebroken in onze living heeft gestaan. Ons park verging het zoals het alle parken op een gegeven moment vergaat: het werd een opbergbak voor rommel. Heel af en toe zette ik Thomas er nog eens in om in de kelder een was te gaan insteken, maar hij kan stilaan veilig de trap af en vaak zat er toch te veel rommel in het park om er nog een kind bij te zetten. Ik vond het toch een emotioneel moment. Afscheid van de babyperiode. Ik probeer al mijn babygerief zoveel mogelijk uit te lenen, omdat ik er nog niet aan toe ben om er definitief afscheid van te nemen. Het lijkt nog maar gisteren dat ik het verschil niet kende tussen een wieg, een babybed en een park, en vandaag heb ik al die dingen al niet meer nodig. Stop de tijd!

Over die keer dat ik van de trap donderde …

Jolig huppelend verliet ik vrijdagavond mijn bureau. Een uurtje later had ik afgesproken met twee vriendinnen die ik heel graag maar te weinig zie. Het was lente, het was weekend, ik was blij. Ik twijfelde een seconde over de lift, maar de trap nemen is beter voor het milieu en mijn conditie en nog sneller ook. Snel was het zeker deze keer! Ik struikelde of gleed uit op de bovenste trede en een koprol of drie later lag ik beneden met mijn kop tegen de muur en overal pijn. Het anders zo drukke gebouw was bijna verlaten op vrijdag om kwart na vijf. Drie mensen kwamen uit hun bureaus toegesneld. Of ik bij bewustzijn was? Ja, bracht ik aarzelend uit. Ze gaven me een zak bevroren spinazie voor de buil op mijn hoofd en belden naar het ziekenhuis. Ik belde M. die gelukkig ook nog in Brussel was – de eerste keer dat ik het een voordeel vind dat we allebei in Brussel werken.

Terwijl we op hem wachtten, begon ik me zorgen te maken over die gigantische buil en de druk die ik voelde wanneer ik mijn hoofd bewoog. Ik dacht aan mijn tante die na de val met haar fiets alleen nog haar naam zei en daarna nooit meer iets. Ik dacht aan het hersenletsel van mijn moeder. Ik wilde niet hysterisch doen, maar vroeg toch aan één van de lieve mensen bij me om met me mee te wandelen naar het ziekenhuis. Ik ging te voet, op mijn benen vol blauwe plekken en een kapotte schoen. Voor de deur van het ziekenhuis stond M. al op me te wachten. De spoedafdeling was zo goed als verlaten, dus ik verwachtte dat we snel weer buiten zouden zijn. Helaas. We waren om 18 uur in het ziekenhuis. Het duurde tot 21 uur voor ik een dokter te zien kreeg.

We kregen te maken met de TRAAGSTE spoedarts ooit. Hij schreef al zijn bevindingen op papier op om ze vervolgens te gaan uittikken MET 1 VINGER. Maar hij deed zijn werk wel grondig. Hij liet me allerhande proefjes doen die me geruststelden over de staat van mijn hersenen: armen in de lucht, glimlachen, benen in de lucht, neus aanraken … Hij gaf me een brace voor mijn nek. Na zijn onderzoek moest er alleen nog een CT-scan gebeuren. Ik vroeg hem of dat snel kon gaan, want dat we nog een trein moesten halen. Hij verzekerde me dat hij zich zou haasten. Vriendelijk was hij wel. Wat later werd ik met een rolstoel naar de scanner gebracht. Ik zei dat ik wel kon lopen, maar dat mocht niet. Na de scan zei de verpleger dat de resultaten er over een kwartier zouden zijn. Ik hoopte dat we de trein van half elf nog zouden halen en misschien zelfs nog iets oppikken om te eten onderweg. Maar het bleef maar duren. Ik ging nu en dan eens spieken om te zien wat mijnheer doktoor aan het doen was: beelden bekijken. Nog beelden bekijken. Nog beelden bekijken. Doktersbriefje schrijven. Voorschrift schrijven. Attest voor de verzekering schrijven. Dat alles duurde nog tot 23 uur. Hij excuseerde zich voor het lange wachten, zo vriendelijk dat ik onmogelijk kwaad op hem kon zijn. Uiteindelijk waren we om half één thuis.

Ik heb al fijnere vrijdagavonden beleefd, maar ik heb zo veel geluk gehad! Ik had mijn benen of mijn nek kunnen breken. Ik had een hersenschudding- of bloeding kunnen hebben. Maar ik ben er van af gekomen met wat blauwe plekken, wat nekpijn en hoofdpijn. Dankjewel, engelbewaarder!

Jeugdboekenmaand M/Prinses/X

Na mijn eerste werkdag in de vrouwenbeweging kwam ik thuis en vertelde mijn dochter van vier me dat ze op school over ridders en prinsessen had geleerd. ‘Wat heb je dan geleerd,’ vroeg ik. Zij: ‘dat ridders prinsessen redden.’ Ik heb haar verteld dat prinsessen geen ridders nodig hebben om hen te redden, en dat ook meisjes ridders kunnen zijn en ook jongens prinsessen. ‘Dat weet jij niet mama, want je zit niet in mijn klas.’ Dat was twee dagen vóór Internationale Vrouwendag en pal in Jeugdboekenmaand met als thema M/V/X. Op hetzelfde moment ging dit filmpje viraal.

Ik lees enthousiast voor over brandweermannen en -vrouwen en over piloten, en als ik vervolgens vraag wat zij later wil worden, zegt ze overtuigd: ‘prinses’. Voor mij geen probleem. Dat groeit er wel uit. Maar erger vind ik het om te horen dat in haar klas álle meisjes prinsessen zijn en álle jongens ridders, want zo is dat nu eenmaal, mama. Het breekt mijn feministisch hart om te moeten horen dat meisjes van vier al denken dat ze alleen prinses kunnen worden later, omdat er geen andere rolmodellen zijn voor kleine meisjes.

Op Vrouwendag moest ik gaan voorlezen in dat klasje vierjarigen. Nu had ik hoegenaamd geen goesting om rolbevestigende boekjes voor te lezen. Dus ben ik dinsdagavond nog in allerijl naar de bib gefietst om enkele boekjes te gaan halen die me werden aangeraden na een wanhopige oproep op Facebook alsook door Femma en Jeugdboekenmaand.

En zo was mijn eigen kleine actie voor Vrouwendag: vierjarigen vertellen over bange ridders, over prinsessen die met prinsessen trouwen en over honden die ondanks alle vooroordelen uitstekende balletdanseressen kunnen zijn.

Dit zijn onze toppers van deze jeugdboekenmaand:

Prinses Nina

Over een prinses die niet met een prins wil trouwen, maar met een prinses.

Over een hond die denkt dat hij een balletdanseres is.

Prins Assepoets

Over Assepoester maar dan anders. Van dezelfde auteur lazen we ook Prinses Wijsneus, over een prinses die onder geen beding wil trouwen met een prins.

Naar dit boekje ben ik erg benieuwd, maar ik heb het helaas nog niet te pakken gekregen

En ik kan vooral niet wachten tot ze groot genoeg zijn om kennis te maken met mijn absolute heldin van mijn jeugd.

Afbeeldingsresultaat voor matilda boek

Brieven aan mama #11 – Sprakeloos

Mama, vandaag komt de verfilming van Sprakeloos in de zalen. Ik wil hem zien. Ik wil hem niet zien. Ik moet hem zien.

Je hield niet van Tom Lanoye. Je vond hem een vulgair ventje, het lezen niet waard. Ik was het daar niet mee eens, en dat wist je. Omwille van Lanoye (onder meer) ging ik Germaanse studeren. Ik hoopte misschien dat ik daar zoals hem kon leren schrijven … Ik zong de lof van zijn eloquente pen en jij trok je wenkbrauwen op bij mijn jeugdige dweperij. Al mijn helden vielen in die vier jaar Germaanse. Maar hij niet. Ik bleef fan van Lanoye en jij bleef kritisch voor mijn idool.

Toen je borstkanker kreeg en de moed verloor, wilde ik iets doen voor je. Zorgen zit niet in mijn natuur, dus deed ik wat ik wel kan. Ik koos boeken voor je uit. Ik selecteerde ze uit mijn eigen bibliotheek en plakte er gele briefjes in. Bij Sprakeloos schreef ik dat ik wist dat je niet van Lanoye hield, en dat dit boek niet tot mijn favorieten behoorde – ik hield inmiddels vooral van Lanoyes opiniërend schrijven – maar dat ik een goede reden had om te geloven dat je dit boek wél graag zou lezen. Je las het en je hield ervan. Natuurlijk hield je ervan. Het was een ode aan een moeder en jij die je moeder te vroeg verloor kon alleen maar ontroerd zijn door die prachtige ode van dat vulgaire ventje aan zijn moeder. Hoe ironisch is het dat je in je laatste levensjaren Lanoye hebt leren appreciëren met een boek dat pas enkele jaren later over jou zou blijken te gaan. Dat uitgerekend jij ook je taal verloor. Dat uitgerekend jij ook moest vragen, al was het zonder woorden en al was je nog niet oud: ‘laat dat toch gaan. Laat dat oud menske gaan.’ Nu is er dus die film, mama. En ik vraag me af of ik je had kunnen meesleuren naar de cinema ervoor, en of ik hem überhaupt had willen zien als niet gebeurd was wat gebeurd is. Ja, je zou hem willen zien, maar je zou wel wachten tot hij op tv was en als je hem gezien had, zou je zeggen dat het boek beter was. (Hoeveel keer ben je in je volwassen leven naar de cinema geweest? Misschien alleen die keer dat Julie en ik je verplichtten om een Harry Potter-film – nog zo’n liefde die ik niet aan je verkocht kreeg – uit te zitten, tegen je zin maar uit liefde voor ons.) Nu is er die film, mama. Ik wil hem zien en ik durf niet. Maar ik ben het verplicht aan jou. Ik ben het verplicht aan alle moeders die hun taal verloren. Ik ben het verplicht aan mezelf. Want Sprakeloos is het boek van jou en mij. Ik reserveer je plaats alvast in de cinema.

“Pijn had zij niet, dat is waar, een troostende gedachte kan ik het maar nauwelijks noemen. Uitgerekend zij moest haar spraak verliezen. (…)
Was het twee jaar te laat? (‘Laat dat toch gaan. Laat dat oud menske gaan’) ik weet het nog steeds niet. Ik had de mooie momenten niet graag gemist. Maar nog liever had ik, met terugwerkende kracht, de gruwelijke uren en dagen uitgewist. In de eerste plaats voor haar. Nooit heb ik haar, naar mijn gevoel, meer verknochtheid en respect bewezen dan toen we haar eindelijk toelieten te gaan. Een mens staat maar bij één persoon echt in het krijt. Ik heb die lei toen schoongewreven. Misschien kan liefde maar één ding echt. Uit liefde doden.”

Uit Sprakeloos van Tom Lanoye

Klein geluk #6 – de krokusvakantie

Hij is alweer even achter de rug, maar ik bedacht me deze week dat ik hem toch wilde bewaren. Ik heb zelf maar één dag gewerkt in de krokusvakantie. Op maandag nam ik afscheid van mijn collega’s bij Kluwer. We gingen eten en ze gaven me het perfecte afscheidscadeau: bonnen voor Kobo (om boeken voor mijn e-reader te kopen) en bonnen voor de Arenberg. Een collega wilde me zelfs tickets voor een specifieke voorstelling geven, maar dacht dat ik er misschien al had. En dat klopte. Ik had mijn tickets voor die voorstelling een half jaar geleden al besteld. Ik was danig ontroerd door hoe goed die fijne collega’s me kennen. De job ga ik niet missen, maar de collega’s des te meer.

Daarna zat ik letterlijk ‘between jobs’. Tijd om leuke dingen te doen met de dochter. Het is tenslotte één van haar laatste vakanties alleen. Ik wilde er een Martha-verwenweekje van maken. Als je haar vraagt wat het hoogtepunt van de vakantie was, klinkt het antwoord luid en duidelijk: KAPITEIN WINOKIO. Op woensdagmiddag gingen we naar ‘ABC, kom en zing mee’. Dinsdagavond heb ik nog last minute tickets overgenomen van iemand die ziek was. Voor de kindjes was het een verrassing. Ze wisten niet waar we naartoe fietsten. Maar Martha haar gezichtje straalde toen we binnenkwamen in De Roma en een meneer zei: ‘welkom bij Kapitein Winokio’. Zo blij heb ik haar zelden gezien. Ze heeft alle liedjes van het begin tot het einde meegezongen, en na het concert maakte ze een inventaris van welke letters hij wel en niet zong. Ze heeft er nog dagen over nagepraat. Ook Thomas was enthousiast. Hij probeert ook al om de liedjes mee te zingen (‘aaaaaa’) en danst graag. Maar voor hem was het toch wat luid en lang. In het Openluchttheater vorige zomer kon de kapitein hem meer bekoren. We gingen in de krokusvakantie ook naar Train World en naar de cinema voor Masha en de beer. Daaraan vond ze dan vooral de popcorn leuk. Ook het babybezoekje aan mijn kraakverse en goddelijk mooie metekindje vond ze erg leuk. Maar niets kon tippen aan de kapitein. Het was een leuke vakantie, ideaal om de batterijen op te laden voor het begin aan een nieuw werkend leven.

 

Balans van de eerste werkweek

Ik heb er mijn eerste werkweek van vier dagen en in Brussel opzitten sinds de geboorte van Thomas. Ik heb er weken stress over gehad. Hoe zouden we het allemaal doen? De kindjes naar school en naar de crèche brengen, en toch nog op tijd in Brussel zijn om ook op een redelijk uur naar huis te kunnen gaan? Goed nieuws: de eerste week hebben we al overleefd. Nu nog alle volgende weken … Ik maak mijn balans op van de eerste werkweek.

Het lukte, het lukte, ja, yes we did it
Dankzij een goede samenwerking op een moment dat zowel M. als ik niet op ons best zijn, namelijk ’s ochtends, is het gelukt om de kinderen op tijd af te leveren en ook nog een treffelijke trein te halen. Nu moeten we dit alleen nog zien vol te houden. Dat moment dat de wekker voor de vierde keer afgaat en je weet dat je nu echt wel onder je zachte, warme dekens vandaan moet komen, en dat je denkt: ‘vanavond ga ik vroeger slapen’, maar je weet al dat je het niet zal doen, dát moment blijft toch het moeilijkste van de dag.

Ik ben blij dat ik mag thuiswerken
Deze week moest ik vier dagen naar Brussel. Na dag twee was ik stikkapot en vroeg ik in paniek aan vriendinnen via sociale media: ‘HOE DOEN MENSEN DAT?!?’ Pendelen, werken, gezin … Maar vanaf volgende week kan ik één dag thuiswerken. Dat betekent dat ik de kinderen nog drie avonden moet uitbesteden, omdat ik niet op tijd thuis geraak. Dat valt mee. Valt dat mee eigenlijk? Het is in elk geval nog steeds niet mijn ideaalbeeld van hoe een gezinsleven eruit moet zien.

Ik ben moe, zo moe
Ik was al moe toen ik pendelde maar nog geen kinderen had. Ik was al moe toen ik kinderen had maar niet pendelde. Nu heb ik kinderen en pendel ik. Wij pendelaars maken onszelf vanalles wijs: dat we onze tijd op de trein nuttig kunnen besteden door te schrijven of te lezen of te werken. Of door – dat heb ik donderdag gedaan – mijn boodschappen te bestellen onderweg. Maar het is en blijft de rottigste vorm van tijdverlies, overprikkeld zitten wezen in een overvolle trein en dat laatste restantje energie uit je lichaam voelen glijden, terwijl er thuis nog zoveel (onbetaald en ondergewaardeerd) werk op je wacht.

Ik moet mijn weken minder volplannen
Ik moest deze week drie avonden weg. Dat betekent: snel eten, kindjes niet zelf in bed steken, rushen naar mijn afspraak, laat thuiskomen, ’s avonds laat nog boterhammen smeren en kleren klaarleggen, gaan slapen terwijl de living en de keuken nog ontploft zijn. (Al hoop ik op die manier inbrekers af te schrikken, onder het motto: ‘ze zijn hier al geweest’.) Zaterdag had ik de hele dag vergadering en het enige moment dat ik die kon voorbereiden, was vrijdagavond laat op de trein.

Het waren leuke avonden, dat wel. Woensdag in Atlas heb ik op één avond meer verrijkende gesprekken gehad met mensen die ik niet ken dan anders op een week. Vrijdag heb ik meer stukken van Shakespeare gezien dan anders op een decennium. (Aanrader trouwens! Een crash course Shakespeare met een cast van huishoudvoorwerpen. Je kan vandaag nog in het Kaaitheater of volgende week in Gent gaan kijken.)

Al bij al was mijn week zoals het leven moet zijn: een beetje cultuur, een beetje ontmoeting, een beetje leren, een beetje lezen, een beetje schrijven en toch nog voldoende tijd voor mijn kindjes … Maar eigenlijk zou ik in dit nieuwe pendelend bestaan ook elke avond om 22 uur moeten slapen. Daar werken we nog aan.

Last but voorzekerst niet least …

Leve de bomma!
Ik ken geen enkel ander koppel met twee kleine kinderen dat ook met tweeën naar Brussel pendelt. Dat is volgens mij ook gewoon onmogelijk. De enige reden dat wij dat wel kunnen, heeft een naam. Ze heet Julie en ze neemt de helft van onze ouderlijke taken over: kindjes halen van school en crèche, eten en pakken liefde geven, verhaaltjes lezen, in bed steken. Ik kan niet genoeg de lof van die fantastische bomma zingen.

Solidariteit is ons wapen!

Het genootschap van ongebruikte dingen

Het is hier al een maand van Tournee Bacterielle, de ene zieke na de andere, mezelf incluis. Het bloggen is er wat bij ingeschoten. Maar ik heb wel nog een gedicht geschreven (straks krijg ik de smaak nog te pakken zeg). De opdracht voor het examen literaire creatie was: een absurd gedicht over een vingerhoed. Et voilà:

Het genootschap van ongebruikte dingen

De vingerhoed verveelt zich
Hij ligt lamlendig in een la
Hij heeft niets meer om handen
Op het lange wachten na

Soms gaat de la eens open
’t Is nooit voor hem, dat ’t laatje opengaat
Wel voor de naalden, garen, knopen
Maar niemand weet dat hij bestaat

Voor de vingerhoed is er geen werk meer
Hij is daarover gefrustreerd
Zelfs om het zevende knoopsgat aan te naaien
Hebben ze hem volkomen genegeerd

Maar op een dag is ’t wel voor hem
Hij juicht heel diep vanbinnen
’t Is niet om te naaien, nee
Men wil een verzameling beginnen

De vingerhoed verveelt zich nog
Maar heeft plots een idee
‘Samen staan we sterk’, zegt hij
Kom, doe maar allemaal mee

‘We richten een genootschap op voor ongebruikte dingen
En dan gaan we samen heel wat strijdliederen zingen’
De typmachine, de VHS en de encyclopedie staan allemaal versteld
Dat de vingerhoed zo strijdbaar is, had niemand hen verteld

Vanaf dat moment geeft de vingerhoed de bevelen
‘Nu gaan we staken’, zegt hij, ‘want dat is beter dan vervelen’
Ze zingen samen liederen van ‘Wij willen werkbaar werk’
en ‘Samen staan we sterk’

Het genootschap van dingen waar geen mens nog wat aan heeft
Heeft als vakverbond zijn schoonste dagen toen beleefd
Tussen de typmachine, de VHS, de vingerhoed en de encyclopedie
Was het voortaan één en al camaraderie

 

 

(BREAKING: de vingerhoed werd weggesaneerd. Daar wordt ie vast nog strijdbaarder van.)

Gedichtendag: een kyoka

Ter gelegenheid van gedichtendag – en een groep misplaatste meeuwen in mijn straat – heb ik een kyoka geschreven.

Een zwerm meeuwen hier
– volgens mij zijn ze verdwaald.
Meeuw schijt op mijn hoofd.
Het is een volmaakte spat
wit op mijn lichtblauwe helm.

(De kyoka is de aardse, ook ironische, speelse, humoristische of bedrukte tegenvoeter van de tanka. De tanka is een lyrisch gedicht, bestaande uit vijf regels met doorgaans 5-7-5-7-7 lettergrepen, zonder bedoeld rijm of vastgestelde maat. Bron: wikipedia)